Kaarten: Begrippen Sociale Psychologie 1e jaar Orthopedagogie HoGent | Quizlet

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
0.0(0)
full-widthCall with Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/144

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No study sessions yet.

145 Terms

1
New cards

Sociale cognitie

Processen waarbij we info verwerven en opslaan, integreren en organiseren, interpreteren over mensen (anderen en zichzelf) (heeft invloed op ons zelfbeeld)

2
New cards

Schema

Cognitieve structuur in onze gedachten waarin eerder verworven kennis over een stimulus/concept (over personen, feiten, kenmerken, relaties tussen kenmerken...) wordt gerepresenteerd

3
New cards

Sociaal schema

Wat we denken over onszelf en wat we denken dat anderen over ons denken

4
New cards

Prototype

soort gemiddelde van een specifieke groep mensen (lijkt op stereotype)

5
New cards

Script

Verloop van opeenvolgende acties

6
New cards

Primacy effect

Info die we eerst krijgen over iemand beïnvloedt het globale oordeel meer dan later verworven info (=eerste indruk)

7
New cards

Impliciete persoonlijkheidstheorie

Veronderstelling dat bepaalde persoonstrekken samen voorkomen en andere trekken niet, intuïtieve veronderstellingen, die niet expliciet of bewust zijn, heeft een belangrijke rol bij indruksvorming (vervolledigt ons beeld van een persoon en beïnvloedt interpretatie en verwerking van informatie)

8
New cards

Halo-effect

Iemand krijgt meerdere positieve eigenschappen omdat hij één positief kenmerk heeft (vb. babyface)

9
New cards

Horn-effect

Iemand krijgt meerdere negatieve eigenschappen omdat hij één negatief kenmerk heeft (vb. junkie)

10
New cards

Negativiteitseffect

Negatieve elementen wegen zwaarder door en worden sneller opgemerkt (diachroon en synchroon, snel bepaald wat + of - is)

11
New cards

Synchroon

Positieve en negatieve elementen gelijktijdig aanbrengen

12
New cards

Diachroon

Positieve en negatieve elementen niet gelijktijdig aanbrengen

13
New cards

Persoonsperceptie

Uiterlijke kenmerken/gedragingen spelen rol bij indruksvorming (non-verbaal gedrag meer invloed dan verbaal)

14
New cards

Priming

Een recent schema wordt makkelijker geactiveerd, zeker als situatie ambigu situatie/gelijk is met de vorige (manifestatie van impleciete/niet-declaratieve geheugen = onbewust)

15
New cards

Semantische priming

Recent schema heeft te maken met hetzelfde concept, priming op basis van de betekenis

16
New cards

Repetitiepriming

Herhaling van een schema, bij herhaling zaken sneller herkennen

17
New cards

Cognitieve dissonantie

Twee zaken die we denken/doen zijn tegengesteld, zorgt voor spanning die men wil reduceren (door aanpassen cognities, gedrag, accepteren)

18
New cards

Endowment effect

Voor een bezitter van een object verhoogt de waarde omdat hij de bezitter ervan is

19
New cards

Aversie voor verlies

Afkeer voor verlies, we verkiezen het vermijden van verlies boven het verwerven van winst

20
New cards

Attributie

Toeschrijven van oorzaken van gedrag aan interne/externe factoren, dus verklaringen zoeken voor gedrag

21
New cards

Interne attributie

Oorzaak ligt bij individu = dispositioneel

22
New cards

Externe attributie

Oorzaak ligt bij omgeving/omstandigheden = situationeel

23
New cards

Zelfwaarnemingstheorie (Bem)

Als we geen verklaring hebben voor hoe we ons voelen, zijn we vatbaarder voor beïnvloeding van anderen

24
New cards

Corresponderende inferentietheorie (Jones&Davis)

Persoonlijke kenmerken uit gedrag afleiden

25
New cards

Covariatiemodel (Kelley)

Gedrag hangt (ook) af van de situatie (en mate waarin gebeurtenissen samenkomen)

26
New cards

Heuristieken

Regels waarmee kans op succes bij het oplossen van problemen vergroot

27
New cards

Valse consensus effect

Overschatting van de mate van overeenkomst met eigen opvattingen/gedrag

28
New cards

Tegenfeitelijk denken

Beleving hangt ook af van onze voorstelling van wat er niet gebeurd is

29
New cards

Fundamentele attributiefout

Neiging om de persoon zelf en niet de omstandigheden als oorzaak te zien van zijn gedrag (= gedragskenmerk wordt tot persoonskenmerk gemaakt)

30
New cards

Self-fulfilling prophecy

Verwachtingen die je hebt zorgen ervoor dat die verwachtingen uitkomt

31
New cards

Sociale facilitatie

Proces waarbij aanwezigheid van anderen het uitvoeren van simpele taken bevordert

32
New cards

Free riding (sociaal meeliften)

gebruik maken van een goed/dienst zonder er voor te betalen/bij te dragen aan de instanthouding ervan (vb. prestatie in groep neerzetten = minder inzet)

33
New cards

Suckereffect

Denken dat anderen free riders zijn en zelf ook niet meer optimaal meedoen

34
New cards

Ringelmann-effect

Hoe groter de groep, hoe minder moeite er wordt gedaan (combi free rider en suckereffect)

35
New cards

Conformiteit

percepties, opinies & gedrag aanpassen in overeenstemming met de groepsnormen

36
New cards

Informatieve beïnvloeding

Minder vertrouwen hebben in eigen oordeel

37
New cards

Normatieve beïnvloeding

Bij de groep willen horen

38
New cards

Autokinetisch effect

Visuele illusie dat onbeweeglijke lichtvlek in het donker schijnbaar in verschillende richtingen beweegt

39
New cards

Opwaartse sociale vergelijkingen

Vergelijken met iemand/anderen die beter presteren, opkijken naar iemand.

Doel = identificeren

je wil hetzelfde als de ander bereiken

40
New cards

Neerwaartse sociale vergelijkingen

Vergelijken met iemand/anderen die het minder goed hebben om eigen zelfbeeld positief te houden (neerkijken)

41
New cards

Innovatie/minderheidsbeïnvloeding

Weerstaan aan de druk om te conformeren en vasthouden aan de eigen onafhankelijkheid (moeilijk maar niet onmogelijk)

42
New cards

Bystanders effect

Zodanig veel mensen zijn aanwezig bij de situatie dat je denkt dat anderen wel zullen helpen terwijl iedereen zo denkt

43
New cards

Coöperatieve groep

Samenwerkende groep die niet verwant zijn aan elkaar

44
New cards

Sociale categorisatie

Cognitief proces waarbij individuen geclassificeerd worden als lid van een groep of categorie

(categorisering maakt complexe wereld overzichtelijker)

45
New cards

In-group

Groep waartoe de actor behoort

46
New cards

Out-group

Alle groepen waartoe de actor niet behoort

47
New cards

Accentuation effect

Verschillen tussen groepen accentueren/overschatten, kenmerken van een groep overzetten naar kenmerken van een groepslid

48
New cards

Out-group derogation

Afbreuk doen aan outgroup en hen devalueren/zien als minderwaardig

49
New cards

Assumed similarity effect

Leden van een in-group vinden dat ze meer op elkaar lijken dan op leden van een out-group

(ze denken dat omdat ze in 1 groep zitten en zo "sneller" zouden overeenstemmen op andere vlakken ook)

50
New cards

Minimal group-paradigma

Werkwijze om discriminatie te onderzoeken

51
New cards

Out-group homogeneity effect

Leden van een out-group worden homogener gezien qua persoonlijkheid dan leden van een in-group

52
New cards

De-individuatie

Groepsidentiteit domineert persoonlijke identiteit

53
New cards

Illusion of unanimity

Bij kijken naar een massa het gevoel krijgen dat iedereen hetzelfde reageert maar dat is niet zo

54
New cards

Abstraction-based

Eerste beeldvorming over een groep, dan pas specifieke personen leren kennen

55
New cards

Instance-based

Eerst specifieke personen leren kennen, dan pas beeldvorming over een groep

56
New cards

In-group favoritisme effect

Eigen groepsleden bevoordelen ten opzichte van out-groupleden

57
New cards

Groupthink

kwaliteit groepsbesluit beïnvloed door groepsprocessen

58
New cards

Polarisatie

nemen van meer risicovolle besluiten in groep dan als individu

59
New cards

Stereotypen

Bijna onwrikbare opvattingen die we over een persoon hebben op basis van zijn lidmaatschap van een specifieke groep

60
New cards

Persoonlijk stereotype

Beeld van jezelf

61
New cards

Sociaal stereotype

Volledige groep heeft hetzelfde beeld

62
New cards

Autostereotype

Wat een groep denkt over zichzelf

63
New cards

Vooroordelen

Onrechtvaardige negatieve stereotiepe opvatting over een ander, gebaseerd op het feit dat de ander tot een groep behoort (denken in meer- & minderwaardig)

64
New cards

Etnocentrisme

Eigen etnische groep als beter/hoogwaardiger beschouwen

65
New cards

Racisme

Een aan etnocentrisme verwante en foute denkwijze waarbij men mensen van een andere cultuur veroordeelt

66
New cards

Tweerichtingsverkeer

Stereotypering over een bepaalde groep, maar zij hebben dit ook over jouw groep

67
New cards

Illusoire correlaties

Overschatten van de relatie tussen variabelen die slechts in geringe mate of helemaal niet correleren

68
New cards

Coercion-theorie

Maatschappij wordt gedomineerd door een aantal machtige individuen die baat hebben bij discriminatie van bepaalde groepen

69
New cards

Contacthypothese

Rechtstreeks sociaal contact tussen de leden van de stereotiepe groepen zwakt de stereotypering af

70
New cards

Stereotypedreiging

Angst om door je eigen gedrag de stereotypen te bevestigen die anderen over je groep hebben

71
New cards

Blaming the victim

Slachtoffer zelf de schuld geven van de situatie

72
New cards

Blaming the victim: leedvermaak

Positieve emotie ervaren bij het ongeluk van anderen

73
New cards

Anti-stereotypering: plegers

Bewust onderdrukken van negatieve attitudes of discriminerend gedrag

74
New cards

Anti-stereotypering: slachtoffers

Vooroordelen niet in standhouden door rolstereotiep gedrag

75
New cards

Attitude

door ervaring verworden (on)gunstige waardering, een evaluatieve visie op iets

76
New cards

Intra-individuele consistentie

Binnen jezelf, je idee gaat niet zomaar veranderen tenzij je openstaat voor een andere visie

77
New cards

Interindividuele variatie

Veel variatie in attitudes bij verschillende individuen

78
New cards

Basisfrequentievalstrik

Ongevoeliger zijn voor statistieken dan voor spectaculaire gebeurtenissen

79
New cards

Pluralistische onwetendheid

Anderen maken zich geen zorgen, dus jij ook niet

80
New cards

Ambiguïteit

Niet weten over wat de situatie gaat, onduidelijkheid/tegenstrijdigheid

81
New cards

Realistische conflicttheorie

Stereotypering wordt verantwoord door reële of waargenomen conflicten over schaarse bronnen, twee groepen willen dat schaarse iets bemachtigen

82
New cards

Sociale perceptie

het waarnemen van anderen om je heen

83
New cards

Zelfperceptie

het waarnemen van jezelf

84
New cards

zelfschema

bevat de dimensies waarmee je jezelf beschrijft (eigenschappen)

85
New cards

gestalt

dingen zien als een geheel, niet de losse delen zien

86
New cards

top-down of theory-driven

dingen beïnvloeden vanuit onze sociale schema's, vertrouwen op bestaande kennis en schema's die je hebt opgeslagen en die waarschijnlijk bruikbaar zijn in verschillende contexten

87
New cards

bottom-up processing

vertrekken vanuit ruwe feuten zoals die zich bij ons aandienen, zullen uiteindelijk gekleurd worden door schema's die verwachtingen oproepen.

88
New cards

need for cognition

reflecteren graag, nadenken over schema, makkelijker onverwachte informatie zien

89
New cards

need for certainly

bevestiging zoeken voor schema, meer vasthouden aan eigen schema

90
New cards

referentie index

referentie of suggestie bepaalt verdere interpretatie en uitkomst

91
New cards

experiment festinger

opstel met dollars

92
New cards

framing

informatie op verschillende manieren presenteren leidt tot verschillende gevoelens

93
New cards

stabiele attributie

oorzaken zijn stabiel = blijvend (dispositionele attributies vaak stabiel, karakter verandert niet)

94
New cards

onstabiele attributie

oorzaken zijn variabel = kunnen veranderen

95
New cards

controleerbare attributie

oorzaken kunnen beheersbaar zijn

(intern=vaak controleerbaar)

96
New cards

oncontroleerbare attributie

oorzaken waar men geen vat op heeft

(extern= minder controleerbaar)

97
New cards

globale attributie

algemeen toepasbaar, altijd en overal

98
New cards

specifieke attributie

geldig voor een specifieke situatie

99
New cards

attributietheorieën

verklaren waarom we soms bv. interne/externe attributies maken - uitleggen hoe we denken

100
New cards

experiment Schachter

epinefrine, juist/ fout geïnformeerd en placebo