1/144
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Sociale cognitie
Processen waarbij we info verwerven en opslaan, integreren en organiseren, interpreteren over mensen (anderen en zichzelf) (heeft invloed op ons zelfbeeld)
Schema
Cognitieve structuur in onze gedachten waarin eerder verworven kennis over een stimulus/concept (over personen, feiten, kenmerken, relaties tussen kenmerken...) wordt gerepresenteerd
Sociaal schema
Wat we denken over onszelf en wat we denken dat anderen over ons denken
Prototype
soort gemiddelde van een specifieke groep mensen (lijkt op stereotype)
Script
Verloop van opeenvolgende acties
Primacy effect
Info die we eerst krijgen over iemand beïnvloedt het globale oordeel meer dan later verworven info (=eerste indruk)
Impliciete persoonlijkheidstheorie
Veronderstelling dat bepaalde persoonstrekken samen voorkomen en andere trekken niet, intuïtieve veronderstellingen, die niet expliciet of bewust zijn, heeft een belangrijke rol bij indruksvorming (vervolledigt ons beeld van een persoon en beïnvloedt interpretatie en verwerking van informatie)
Halo-effect
Iemand krijgt meerdere positieve eigenschappen omdat hij één positief kenmerk heeft (vb. babyface)
Horn-effect
Iemand krijgt meerdere negatieve eigenschappen omdat hij één negatief kenmerk heeft (vb. junkie)
Negativiteitseffect
Negatieve elementen wegen zwaarder door en worden sneller opgemerkt (diachroon en synchroon, snel bepaald wat + of - is)
Synchroon
Positieve en negatieve elementen gelijktijdig aanbrengen
Diachroon
Positieve en negatieve elementen niet gelijktijdig aanbrengen
Persoonsperceptie
Uiterlijke kenmerken/gedragingen spelen rol bij indruksvorming (non-verbaal gedrag meer invloed dan verbaal)
Priming
Een recent schema wordt makkelijker geactiveerd, zeker als situatie ambigu situatie/gelijk is met de vorige (manifestatie van impleciete/niet-declaratieve geheugen = onbewust)
Semantische priming
Recent schema heeft te maken met hetzelfde concept, priming op basis van de betekenis
Repetitiepriming
Herhaling van een schema, bij herhaling zaken sneller herkennen
Cognitieve dissonantie
Twee zaken die we denken/doen zijn tegengesteld, zorgt voor spanning die men wil reduceren (door aanpassen cognities, gedrag, accepteren)
Endowment effect
Voor een bezitter van een object verhoogt de waarde omdat hij de bezitter ervan is
Aversie voor verlies
Afkeer voor verlies, we verkiezen het vermijden van verlies boven het verwerven van winst
Attributie
Toeschrijven van oorzaken van gedrag aan interne/externe factoren, dus verklaringen zoeken voor gedrag
Interne attributie
Oorzaak ligt bij individu = dispositioneel
Externe attributie
Oorzaak ligt bij omgeving/omstandigheden = situationeel
Zelfwaarnemingstheorie (Bem)
Als we geen verklaring hebben voor hoe we ons voelen, zijn we vatbaarder voor beïnvloeding van anderen
Corresponderende inferentietheorie (Jones&Davis)
Persoonlijke kenmerken uit gedrag afleiden
Covariatiemodel (Kelley)
Gedrag hangt (ook) af van de situatie (en mate waarin gebeurtenissen samenkomen)
Heuristieken
Regels waarmee kans op succes bij het oplossen van problemen vergroot
Valse consensus effect
Overschatting van de mate van overeenkomst met eigen opvattingen/gedrag
Tegenfeitelijk denken
Beleving hangt ook af van onze voorstelling van wat er niet gebeurd is
Fundamentele attributiefout
Neiging om de persoon zelf en niet de omstandigheden als oorzaak te zien van zijn gedrag (= gedragskenmerk wordt tot persoonskenmerk gemaakt)
Self-fulfilling prophecy
Verwachtingen die je hebt zorgen ervoor dat die verwachtingen uitkomt
Sociale facilitatie
Proces waarbij aanwezigheid van anderen het uitvoeren van simpele taken bevordert
Free riding (sociaal meeliften)
gebruik maken van een goed/dienst zonder er voor te betalen/bij te dragen aan de instanthouding ervan (vb. prestatie in groep neerzetten = minder inzet)
Suckereffect
Denken dat anderen free riders zijn en zelf ook niet meer optimaal meedoen
Ringelmann-effect
Hoe groter de groep, hoe minder moeite er wordt gedaan (combi free rider en suckereffect)
Conformiteit
percepties, opinies & gedrag aanpassen in overeenstemming met de groepsnormen
Informatieve beïnvloeding
Minder vertrouwen hebben in eigen oordeel
Normatieve beïnvloeding
Bij de groep willen horen
Autokinetisch effect
Visuele illusie dat onbeweeglijke lichtvlek in het donker schijnbaar in verschillende richtingen beweegt
Opwaartse sociale vergelijkingen
Vergelijken met iemand/anderen die beter presteren, opkijken naar iemand.
Doel = identificeren
je wil hetzelfde als de ander bereiken
Neerwaartse sociale vergelijkingen
Vergelijken met iemand/anderen die het minder goed hebben om eigen zelfbeeld positief te houden (neerkijken)
Innovatie/minderheidsbeïnvloeding
Weerstaan aan de druk om te conformeren en vasthouden aan de eigen onafhankelijkheid (moeilijk maar niet onmogelijk)
Bystanders effect
Zodanig veel mensen zijn aanwezig bij de situatie dat je denkt dat anderen wel zullen helpen terwijl iedereen zo denkt
Coöperatieve groep
Samenwerkende groep die niet verwant zijn aan elkaar
Sociale categorisatie
Cognitief proces waarbij individuen geclassificeerd worden als lid van een groep of categorie
(categorisering maakt complexe wereld overzichtelijker)
In-group
Groep waartoe de actor behoort
Out-group
Alle groepen waartoe de actor niet behoort
Accentuation effect
Verschillen tussen groepen accentueren/overschatten, kenmerken van een groep overzetten naar kenmerken van een groepslid
Out-group derogation
Afbreuk doen aan outgroup en hen devalueren/zien als minderwaardig
Assumed similarity effect
Leden van een in-group vinden dat ze meer op elkaar lijken dan op leden van een out-group
(ze denken dat omdat ze in 1 groep zitten en zo "sneller" zouden overeenstemmen op andere vlakken ook)
Minimal group-paradigma
Werkwijze om discriminatie te onderzoeken
Out-group homogeneity effect
Leden van een out-group worden homogener gezien qua persoonlijkheid dan leden van een in-group
De-individuatie
Groepsidentiteit domineert persoonlijke identiteit
Illusion of unanimity
Bij kijken naar een massa het gevoel krijgen dat iedereen hetzelfde reageert maar dat is niet zo
Abstraction-based
Eerste beeldvorming over een groep, dan pas specifieke personen leren kennen
Instance-based
Eerst specifieke personen leren kennen, dan pas beeldvorming over een groep
In-group favoritisme effect
Eigen groepsleden bevoordelen ten opzichte van out-groupleden
Groupthink
kwaliteit groepsbesluit beïnvloed door groepsprocessen
Polarisatie
nemen van meer risicovolle besluiten in groep dan als individu
Stereotypen
Bijna onwrikbare opvattingen die we over een persoon hebben op basis van zijn lidmaatschap van een specifieke groep
Persoonlijk stereotype
Beeld van jezelf
Sociaal stereotype
Volledige groep heeft hetzelfde beeld
Autostereotype
Wat een groep denkt over zichzelf
Vooroordelen
Onrechtvaardige negatieve stereotiepe opvatting over een ander, gebaseerd op het feit dat de ander tot een groep behoort (denken in meer- & minderwaardig)
Etnocentrisme
Eigen etnische groep als beter/hoogwaardiger beschouwen
Racisme
Een aan etnocentrisme verwante en foute denkwijze waarbij men mensen van een andere cultuur veroordeelt
Tweerichtingsverkeer
Stereotypering over een bepaalde groep, maar zij hebben dit ook over jouw groep
Illusoire correlaties
Overschatten van de relatie tussen variabelen die slechts in geringe mate of helemaal niet correleren
Coercion-theorie
Maatschappij wordt gedomineerd door een aantal machtige individuen die baat hebben bij discriminatie van bepaalde groepen
Contacthypothese
Rechtstreeks sociaal contact tussen de leden van de stereotiepe groepen zwakt de stereotypering af
Stereotypedreiging
Angst om door je eigen gedrag de stereotypen te bevestigen die anderen over je groep hebben
Blaming the victim
Slachtoffer zelf de schuld geven van de situatie
Blaming the victim: leedvermaak
Positieve emotie ervaren bij het ongeluk van anderen
Anti-stereotypering: plegers
Bewust onderdrukken van negatieve attitudes of discriminerend gedrag
Anti-stereotypering: slachtoffers
Vooroordelen niet in standhouden door rolstereotiep gedrag
Attitude
door ervaring verworden (on)gunstige waardering, een evaluatieve visie op iets
Intra-individuele consistentie
Binnen jezelf, je idee gaat niet zomaar veranderen tenzij je openstaat voor een andere visie
Interindividuele variatie
Veel variatie in attitudes bij verschillende individuen
Basisfrequentievalstrik
Ongevoeliger zijn voor statistieken dan voor spectaculaire gebeurtenissen
Pluralistische onwetendheid
Anderen maken zich geen zorgen, dus jij ook niet
Ambiguïteit
Niet weten over wat de situatie gaat, onduidelijkheid/tegenstrijdigheid
Realistische conflicttheorie
Stereotypering wordt verantwoord door reële of waargenomen conflicten over schaarse bronnen, twee groepen willen dat schaarse iets bemachtigen
Sociale perceptie
het waarnemen van anderen om je heen
Zelfperceptie
het waarnemen van jezelf
zelfschema
bevat de dimensies waarmee je jezelf beschrijft (eigenschappen)
gestalt
dingen zien als een geheel, niet de losse delen zien
top-down of theory-driven
dingen beïnvloeden vanuit onze sociale schema's, vertrouwen op bestaande kennis en schema's die je hebt opgeslagen en die waarschijnlijk bruikbaar zijn in verschillende contexten
bottom-up processing
vertrekken vanuit ruwe feuten zoals die zich bij ons aandienen, zullen uiteindelijk gekleurd worden door schema's die verwachtingen oproepen.
need for cognition
reflecteren graag, nadenken over schema, makkelijker onverwachte informatie zien
need for certainly
bevestiging zoeken voor schema, meer vasthouden aan eigen schema
referentie index
referentie of suggestie bepaalt verdere interpretatie en uitkomst
experiment festinger
opstel met dollars
framing
informatie op verschillende manieren presenteren leidt tot verschillende gevoelens
stabiele attributie
oorzaken zijn stabiel = blijvend (dispositionele attributies vaak stabiel, karakter verandert niet)
onstabiele attributie
oorzaken zijn variabel = kunnen veranderen
controleerbare attributie
oorzaken kunnen beheersbaar zijn
(intern=vaak controleerbaar)
oncontroleerbare attributie
oorzaken waar men geen vat op heeft
(extern= minder controleerbaar)
globale attributie
algemeen toepasbaar, altijd en overal
specifieke attributie
geldig voor een specifieke situatie
attributietheorieën
verklaren waarom we soms bv. interne/externe attributies maken - uitleggen hoe we denken
experiment Schachter
epinefrine, juist/ fout geïnformeerd en placebo