1/80
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Een vaarbewijs heb je nodig als je...
een boot wilt besturen tussen de 15 en 25 meter
of als je boot sneller dan 20 km/h kan

Wat is het maximaal toegestane alcoholpromillage?
0,5 promille
Waar mag je met vaarbewijs 1 varen?
Rivieren, kanalen en kleine meren
(ook internationaal geldig; ICC Inland Waters)
Waar mag je met vaarbewijs 2 varen?
Grotere wateren:
Ijselmeer
IJmeer
Markermeer
Oosterschelde
Westerschelde
Eems en Dollard
Waddenzee

Het is een groot schip wanneer het groter of gelijk is aan ... meter
20
(met uitzondering op:
visserschip
veerpont
duwboot
sleepboot)
Eisen snelle motorboten:
- Brandblusser
- Reddingsvest (voor iedere aanwezige)
- Dodemansknop, alleen bij buitenbesturing
- Registratiekenteken (afgegeven door RDW)
- Registratiebewijs (aan boord)
Verplichte uitrusting snelle motorboot
- Zeereling (max. 60 cm hoog)
- Antislip
- Afsluiters op huiddoorvoeren (moeten altijd dicht als je langer van boord gaat)
- Brugdek (voorkomt dat er water vanaf de kuip de kajuit in stroomt)
- Anker
- Vluchtluik (min. 50x50 cm)
- Toilet
- Puts (emmer aan een lijn)
Branddriehoek
Zuurstof, temperatuur, brandstof

Brandklasse A
Brand van vaste stoffen
Geschikte blusmiddelen:
Schuimblusser
Poederblusser
Blusdeken
Brandklasse B
Brand van vleibare stoffen
Geschikte blusmiddelen:
Schuimblusser
Poederblusser
CO2 blussers
Brandklasse C
Brand van gassen
Geschikte blusmiddelen:
Poederblusser
Brandklasse D
Brand van metaal
Geschikte blusmiddelen:
Poederblusser
Brandklasse F
Brand van olie en vetten
Geschikte blusmiddelen:
Schuimblusser
Vetblusser
Blusdeken
Eisen brandblussers
- Min. bluscapaciteit moet 2 kg zijn. Bij grotere schepen moet de capaciteit hoger zijn
- Moeten om de 2 jaar gekeurd worden
- Moeten een Rijkskeurmerk hebben en het type moet zijn goedgekeurd
Typen blussers
- Schuimblussers. HIermee kan je de meest voorkomende branden op een schip mee blussen
Voordelen: geschikt voor A- en B- branden
Nadelen: geleiden elektriciteit en kunnen bevriezen in de winter
- Poederblussers.
Voordelen: geschikt voor A-, B- en C- branden (en D- branden met aparte poeder). Niet vorstgevoelig.
Nadelen: veroorzaken schade aan (elektrische) aparatuur
- CO2-blussers. Verstikt het vuur met kooldioxide. Geschikt voor branden B- en C.

Motorcontrole voor vertrek
- olie- en brandstoflekkages
- voldoende brandstof
- is de wierpot niet verstopt
- brandstoffilters
- oliepeil
- spanning V-snaar
- Ventileer de motorruimte
Isobaren
Lijnen met punten van gelijke luchtdruk
MOB (Man Over Boord) procedure
1. Roep dat hij/zij moet gaan zwemmen/watertrappelen
2. Gooi iets drijvends
3. Markeer je positie
4. Blijf naar drenkeling kijken
5. Vaar terug
6. Zet motor uit
7. Haal drenkeling aan boord
8. Hou rekening met onderkoeling
Roerdruk
Ontstaat door stromend water langs het roerblad te laten gaan. Een roer heeft het nodig om te kunnen functioneren.

Helmstok
Houten stok voor de bediening van het roer.

Dubbele schroef
Hierbij kun je de snelheid van schroeven afzonderlijk regelen. Bij dubbel schroefschepen draait de ene schroef rechtsom en de andere linksom.
Stuurboord
Rechts van een schip
Bakboord
Links van een schip
Boegschroef
Met deze schroef kan je de voorkant van de boot dwars op de vaarrichting naar stuurboord en bakboord bewegen, zonder dat de boot naar voren beweegt.

Wieleffect (of schroefeffect)
Effect waarbij de achterkant van de boot een beetje naar links of rechts draait door de bootschroeven.

Bij een rechtsdraaiende schroef kan je ______ de kortste cirkel maken.
linksom
Wanneer speelt het wieleffect geen rol?
- bij hogere snelheden
- boten met een dubbele schroef
- boten met een hekdrive of buitenboordmotor
NAP (Normaal Amsterdams Peil)
Het gemiddelde zeeniveau, waarmee de hoogte van het landschap wordt aangegeven.
(Een NAP-hoogte van 0 m is ongeveer gelijk aan het gemiddeld zeeniveau van de Noordzee)

Blauwe peilschalen
Staan bij veel bruggen en sluizen om de werkelijke waterstand van dat moment ten opzichte van NAP.

Hoogteschalen
Staan bij sommige bruggen en sluizen, zijn per meter onderverdeeld in gele en zwarte blokken van 1 meter.
Op deze kan je gelijk de actuele brughoogte aflezen.
(Op de bijgevoegde foto is de waterstand 9,3. Hoe lager de waterstand, hoe groter de getallen, de doorvaarthoogte bij een brug is dan groter)

Het ______ is de normale gemiddelde waterstand op die plek. Bij rivieren wordt hiervoor vaak de term ______ gebruikt.
kanaalpeil (KP), stuwpeil (SP)
Op waterkaarten wordt de brughoogte en waterdiepte altijd gegeven in ______ ten opzichte van het ______.
decimeters (dm) ten opzichte van het KP.
(als bij een brug bijv. H25 staat, is de doorvaarthoogte bij een gemiddelde waterstand 2,5 meter
D37 betekent een diepte van 3,7 meter bij een gemiddelde waterstand)

(mogelijke) benodigde gegevens berekening werkelijke doorvaarthoogte of waterdiepte:
- NAP
- KP (of soms SP)
- Brughoogte
- waterdiepte
- werkelijke waterstand (op peilschaal)
- hoogte boot
- diepgang boot

Hoe bereken je de werkelijke brughoogte?
1. maak een schets
2. brughoogte
3. kanaalpijl KP
4. verschil KP en NAP
5. waterstand op de peilschaal NAP
6. Verschil KP en actuele waterstand
7. werkelijke doorvaarthoogte brug
8. ruimte overhouden onder brug

Stel je wilt 2 dm onder de brug over houden, wat is dan de max. waterstand (NAP) die je mag aflezen op de peilschaal?
Op de kaart staat bij de brug aan gegeven H120. Je weet dat je schip 10 meter hoog is.
Het kanaalpeil (KP) op die plek is NAP -3.
15 dm NAP
hoogte brug - hoogte boot = 120 dm - 100 dm = 20 dm.
20 dm - 2 dm = 18 dm.
Het KP lag 3 dm onder NAP,
wat betekent dat de max. stand die je mag aflezen op het peilschaal NAP+15 is.

Hoe bereken je de werkelijke waterdiepte?
1. maak een schets
2. waterdiepte
3. kanaalpijl KP
4. verschil KP en NAP
5. waterstand op de peilschaal
6. verschil KP en actuele waterstand
7. werkelijke waterdiepte
8. ruimte overhouden onder de boot
Landvast
Touw voor het vastleggen van de boot. Zit een beetje rek in om golfslag en beweging van de boot op te kunnen vangen.

Stootwillen/fenders
Hang je tussen de boot en de walkant, zodat je boot niet beschadigd wordt.

Tegen horizontale objecten kan je stootwillen het beste (horizontaal/verticaal) ophangen.
verticaal
Trossen en springen
- Achtertros (van achterkant boot naar plek op wal achter boot)
- Voortros (van voorkant boot naar plek op wal voor boot)
- Achterspring (van achterkant boot naar plek op wal die naar voren ligt)
- Voorspring (van voorkant boot naar plek op wal die naar achteren ligt)
- Middenbolderspring (van midden boot naar plek op wal die naar achteren of voren ligt.

______ is de wal waar de wind vandaan komt, ______ is de wal waar de wind naartoe waait.
Hogerwal, lagerwal
Aanmeren aan hogerwal
Nader de onder ongeveer een hoek van 45 graden en hou enige snelheid. Breng dan een voorspring uit en vaar langzaam vooruit. De achterkant draait dan naar de kant.
Breng dan de overige touwen aan.

De ______ van een schip is de kant waar de wind tegenaan waait. De _____ is de kant waar de wind vanaf waait.
loefzijde, lijzijde
Je hebt een linkse schroef, welke kant heeft je voorkeur bij het afmeren?
Bakboord
(je wilt gebruik maken van het wieleffect bij het achteruitvaren om de achterkant naar wal te kunnen trekken. In dit geval is het wieleffect naar rechts bij het achteruitvaren)
Bij het afmeren aan lagerwal, als de wind (schuin) van achteren komt, dan maak je altijd eerst een ______ vast.
achtertros
Je wilt met een boot met boegschroef aan bakboordzijde aan lagerwal aanleggen. Hoe kan dit het beste?
Boegschroefknop naar stuurbord, roer midscheeps, kort achteruit slaan.
(de boegschroefknop (een beetje) naar stuurboord zorgt ervoor dat de voorkant van het schip niet tegen de kade waait.
Het roer naar bakboord is niet handig omdat je dan bij het vooruit varen de voorkant weer naar de wal duwt en bij het achteruitvaren de achterkant naar de wal.)
Keerkoppeling
Is via de motor en de schroefas verbonden met de schroef. Het is de versnellingsbak van het schip en hiermee zet je het schip in de vooruit, achteruit en in de vrij.
Ook bevat het smeerolie, wat je regelmatig moet controleren.

Schroefas
De verbinding tussen de motor en de schroef en laat de schroef ronddraaien, waardoor het schip vooruit gaat.
Deze moet worden gesmeerd, wat kan met vet, olie of water.

Schroefaskoker
Hierin bevind zich de schroefas. De binnengland/binnenlager (ring) voorkomt dat er water van buitenaf in komt.

Wanneer 2 zeilschepen elkaar tegemoetkomen, krijgt (bakboordzeil/stuurboordzeil) voorrang.
bakboordzeil
BPR (Binnenvaartpolitiereglement)
Bevat de verkeersregels voor de Nederlandse binnenwateren.

Waar geldt het RPR?
- (Boven- en Neder-) Rijn
- Lek
- Waal
- Pannerdensch kanaal
De grote rivieren die direct vanuit Duitsland Nederland in stromen.

Waar geldt het SRW?
Westerschelde

Bij het RPR en SRW geldt altijd de voorrangsregel:
Groot gaat voor klein
In het BPR kunnen kleine schepen alleen voorrang krijgen van grote schepen als ze...
gestrekte koers, stuurboorwal aan het varen zijn.
Bij zeilschepen die over dezelfde boeg zeilen, wijkt ______ voor ______.
loef voor lij
Verkeerde wal varen
Binnenvaartschepen die in stroming willen soms niet stuurboord houden, omdat ze bijvoorbeeld de binnenbocht willen nemen waar minder stroming staat; ze willen dan stuurboord-stuurboor passeren.
Wanneer je dit van plan bent dan moet je:
- een blauw bord met een witte rand tonen en in het midden een wit knipperend licht aan het tegenliggende schip.
_ als het tegenliggende schip akkoord gaat moet hij dit ook tonen
- als je denkt dat het tegenliggende schip het niet begrepen heeft, kan je twee korte geluidsstoten geven, het andere schip moet met akkoord dan 2 stoten terug geven
- als klein schip heb je geen blauw bord en hoef je ook niet te antwoorden, ga wel naar bakboord om het andere schip aan stuurboord te laten passeren.
Laterale betonning heeft een richting. De stroomrichting die loopt van berg (of bron) naar zee. Als je in deze betonningsrichting vaart liggen de:
Rode boeien ______,
en de groene boeien ______.
rechts
links
U vaart op een rivier tegen de stroom in, aan welke kant bevindt zich de rechteroever?
Aan de linkerkant.
Hoe ziet de scheidingston er uit wanneer het allebei hoofdvaarwateren of nevenvaarwateren zijn?
- Bolvormig
- Rood-groen horizontaal gestreept
- Topteken is een rood-groene bol

Hoe ziet de scheidingston eruit als het hoofdvaarwater aan de rechterkant zit?
- Bolvormig
- Groen boven
- Rood onder
- Topteken is een groene kegel

Midwaterton (of aanloopton)
Een rood-wit gestreepte bolvormige ton. Deze is alleen voor oriëntatie bedoelt.

Bijzondere markeringen
Gele boeien, spits of rond net als laterale betonning. Als je er niet mag varen is het topteken een rood-wit-rood horizontaal gestreept bordje.
Deze markering wordt bijvoorbeeld gebruikt om een vissers- of schietgebied aan te geven.

Markering afzonderlijk gevaar
Zwarte boei, horizontale rode band, twee zwarte bollen. Kunnen bijvoorbeeld aangeven dat er een pijpleiding of een wrak ligt.
Houd voldoende afstand met het passeren van deze boei.

Wrakboei
Een tijdelijke markering voor een gevaar dat onlangs is ontstaan, bijvoorbeeld een gezonken schip.

Kribbakens markeren kribben in rivieren en strekdammen. Aan de rechterzijde zijn ze (rood/groen), met de punt naar ______, aan de linkerzijde (rood/groen) met de punt naar ______.
rood
beneden
groen
boven

Standaard basisverlichting
- Een groen boordlicht aan stuurboord (hoek van 112,5 graden)
- Een rood boordlicht aan bakboord (hoek 112,5 graden)
- Een wit toplicht aan de voorkant (hoek 225 graden)
- Een wit heklicht aan de achterkant (hoek 135 graden)
(zijn velen uitzonderingen)

Optische tekens schepen
Kleine bootjes (
Optische tekens werkschepen
Werkzaamheden bij vaarwater
- de standaard basisverlichting
- 1 rondom schijnend flikkerlicht (ook overdag) (optioneel)
Politie/brandweer/reddingsdiensten
- de standaard basisverlichting
- 1 blauw snel flikkerlicht
Veerpond
- de standaard basisverlichting
- groen en wit rondomschijnend toplicht (bij vrijvarende in plaats van normaal toplicht)
Visserschip
- de standaard basisverlichting
- groen en wit rondomschijnend toplicht (overdag: zwarte diabolo)
Sleepboot
- sleepboot: de standaard basisverlichting
- sleepboot: een 2de toplicht boven het eerste toplicht (overdag: een wit-zwart-geel-zwart-wit gestreepte sleepcilinder)
- sleepboot: het heklicht is geel
- alle gesleepte boten: een wit rondomschijnend licht (overdag: een gele bol) als >110 m dan 2
- laatst gesleepte boot: een wit heklicht
Duwstel
- Indien de lengte
Qua verlichting zijn schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren zijn te herkennen aan:
- 1, 2, of 3 rondomschijnende blauwe lampen boven elkaar
(overdag blauwe kegels met de punt naar beneden)
- de standaard basisverlichting
Hoe meer lampen, hoe gevaarlijker de lading, dus ook meer afstand.
Je vaart 's nachts een haven binnen, bij de haveningang zie je aan de stuurboordkant een (rood/groen) licht.
Groen licht.
Een haven wordt gezien als een 'berg', als je een haven invaart dan vaar je dus tegen de betonningsrichting in.
Sensorlicht
Een meerkleurig licht, die afhankelijk van de hoek die je aan komt varen een andere kleur toon. Wordt gebruikt voor grote, gevaarlijke ingangen.
- wit/geel licht: juiste koers
- licht groen licht: je vaart teveel aan de rechterkant, en moet uitwijken naar bakboord totdat je het witte licht ziet
- licht rood licht: je vaar teveel links en je moet uitwijken naar stuurboord

Radarbaken (Racon)
Vaak geïnstalleerd op boeien, zorgen dat het ook zichtbaar is in het donker of met slecht zicht, op een radarsysteem.

Cardinale betonning
Geel-zwarte kleur, geeft afzonderlijk gevaar aan. De markering wordt ook als kompas gebruikt. Houd altijd voldoende afstand.

Noordcardinaal
Het lichtkarakter is een (snel) wit flikkerlicht, Quick (Q) of Very Quick (VQ)

Oostcardinaal
Het lichtkarakter zijn 3 snelle witte flikkeringen en dan even niks, bijvoorbeeld VQ(3)5s of Q310s.

Zuidcardinaal
Het lichtkarakter zijn 6 snelle wit flikkeringen, een lange schittering en dan even niks, bijvoorbeeld VQ(6)LFl(10)s of Q(6)LFl15s

Westcardinaal
Het lichtkarakter zijn 9 snelle wit flikkeringen en dan even niks, bijvoorbeeld VQ(9)10s of Q(9)15s

Geluidsseinen algemene manoeuvres
- Ik ga stuurboord uit (*).
- Ik ga bakboord uit (**).
- Ik ga achteruit (***).
- Ik kan niet manoeuvreren (****)
- Verzoek bediening sluis/brug (- * -).
- Ik zit in nood (- - - - etc).
- Gevaar voor een aanvaring (****etc) zeer korte stoten.
- Een algemeen attentiesein (-)

Geluidsseinen bij inhalen, keren en bij het in- en uitvaren van havens en nevenwaters
Seinen bij het keren
- Ik ga via stuurboord keren (-*).
- Ik ga via bakboord keren (-**).
Seinen bij het oplopen
- Je kan niet inhalen (*****).
- Ik ga stuurboord inhalen (- - *).
- Ik ga bakboord inhalen (- - **).
Seinen bij het in- en uitvaren van havens en nevenwaters
- Ik ga stuurboord (- - - *).
- Ik ga bakboord (- - - **).
- Ik ga oversteken (- - -).
Seinen bij slecht zicht
Een klein schip (zonder radar) dat vaart in slecht zicht mag een mistsein geven, dat is 1 lange stoot minimaal 1x per minuut herhaald. Het schip moet zijn snelheid aanpassen en zoveel mogelijk stuurboordswal houden.
Als je stilligt in het vaarwater bij slecht zicht dan moeten de seinen klokslagen zijn.
Blauwe kegel
Schip vervoert gevaarlijke stoffen
