W5 IC7 deel 1

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/84

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 1:16 PM on 7/2/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

85 Terms

1
New cards

Week 5 IC 7. Congenitale afwijkingen

2
New cards

Hoe verschilt de foetale circulatie wezenlijk van de postnatale situatie?

Foetale circulatie verschilt fundamenteel van de postnatale circulatie.

3
New cards

Waar vindt bij de foetus de gasuitwisseling (zuurstof en koolstofdioxide) plaats?

Gasuitwisseling (zuurstof en koolstofdioxide) vindt bij de foetus plaats in de placenta en niet in de longen.

4
New cards

Wat is het kenmerk van de vaatweerstand in de placenta en wat is hier het gevolg van?

De placenta heeft een lage vaatweerstand, wat de bloedstroom hiernaartoe vergemakkelijkt.

5
New cards

Welke route volgt het zuurstofrijke bloed vanuit de placenta naar het hart?

Zuurstofrijk bloed stroomt vanuit de placenta via de vena umbilicalis naar het rechteratrium.

6
New cards

Wat is de directe vervolgstap voor een aanzienlijk deel van het geoxygeneerde bloed nadat het in het rechteratrium is aangekomen?

Een aanzienlijk deel van dit geoxygeneerde bloed stroomt direct via het foramen ovale naar het linkeratrium.

7
New cards

Welke anatomische structuren bereikt het bloed direct na het linkeratrium en welk fysiologisch doel dient dit?

Dit bloed bereikt direct het linkerventrikel en de aorta ascendens, wat zorgt voor een optimale zuurstofvoorziening van het brein.

8
New cards

Wat is het kenmerk van de foetale bloedsomloop met betrekking tot de gassen in het bloed?

De zuurstofsaturatie van het bloed verschilt per anatomische locatie in de foetus.

9
New cards

Wat is de specifieke zuurstofsaturatie in de hersenen via de aorta ascendens bij de foetus?

Circa 70%.

10
New cards

Wat is de specifieke zuurstofsaturatie in het rechteratrium bij de foetus?

Circa 65%.

11
New cards

Wat is de specifieke zuurstofsaturatie in het rechterventrikel en hoe wordt deze waarde veroorzaakt?

Circa 45% (door een menging met zuurstofarm bloed uit de vena cava inferior en superior).

12
New cards

Wat is de specifieke zuurstofsaturatie in het linkerventrikel en welke bloedstroom ligt hieraan ten grondslag?

60% tot 70% (ontvangt relatief zuurstofrijk bloed via het foramen ovale).

13
New cards

Wat is de specifieke zuurstofsaturatie in de aorta descendens bij de foetus?

Circa 45%.

14
New cards

Hoe reageert het foetale lichaam op de lagere foetale zuurstofsaturaties?

Lagere foetale zuurstofsaturaties worden gecompenseerd door een verhoogd hemoglobinegehalte.

15
New cards

Wat is de specifieke eigenschap van foetal hemoglobine (HbF) in vergelijking met de postnatale variant?

Foetal hemoglobine (HbF) bindt zuurstof efficiënter dan postnataal hemoglobine.

16
New cards

Wat is het uiteindelijke resultaat van de foetale fysiologische aanpassingen in het hemoglobinesysteem?

De totale zuurstoftransportcapaciteit van de foetus is hierdoor vergelijkbaar met die van volwassenen.

17
New cards

Wat is het mechanische gevolg van een hoge hemoglobineconcentratie in het foetale bloed?

Een hoge hemoglobineconcentratie verhoogt de viscositeit van het bloed.

18
New cards

Welke risico's brengt de verhoogde viscositeit met zich mee voor de foetus?

De foetus heeft een verhoogde kans op hyperviscositeit, met name onder specifieke omstandigheden.

19
New cards

Welke specifieke omstandigheden verhogen de kans op hyperviscositeit bij de foetus?

Hypoxie en polycytemie.

20
New cards

Wat is de status van de longvaatweerstand prenataal en wat is daar de oorzaak van?

De longvaatweerstand is prenataal zeer hoog, omdat de longen nog niet zijn ontplooid.

21
New cards

Welk deel van de cardiale output stroomt prenataal door het longvaatbed?

Slechts ongeveer 10% van de cardiale output stroomt prenataal naar the longen.

22
New cards

Welke route volgt het resterende bloed (ongeveer 60%) vanuit het rechterventrikel bij de foetus?

Ongeveer 60% van het bloed uit het rechterventrikel gaat via de ductus arteriosus (ductus van Botalli) direct naar de aorta descendens.

23
New cards

Hoe verhouden de afmetingen van de ventrikels zich tot elkaar tijdens de foetale fase?

Het rechterventrikel is in de foetale fase relatief groter dan het linkerventrikel.

24
New cards

Hoe is de verdeling van de pompfunctie over beide ventrikels in de foetale fase geregeld?

Het rechterventrikel is verantwoordelijk voor twee derde van het slagvolume, tegenover één derde door het linkerventrikel.

25
New cards

Waarom is de afterload voor beide ventrikels prenataal vergelijkbaar?

De afterload is voor beide ventrikels vergelijkbaar, omdat beide uitmonden in vaten die via de ductus arteriosus verbonden zijn.

26
New cards

Hoe verhoudt de druk in de beide ventrikels zich prenataal tot elkaar?

De druk in het linkerventrikel en het rechterventrikel is prenataal volledig gelijk.

27
New cards

Waarom wordt een ventrikelseptumdefect (VSD) niet opgemerkt tijdens de zwangerschap?

Een ventrikelseptumdefect (VSD) wordt vóór de geboorte niet ontdekt, omdat er prenataal geen drukgradiënt tussen de ventrikels bestaat.

28
New cards

Wat is het gevolg van het verdwijnen van de placenta na de geboorte voor de bloedsomloop?

De placenta verdwijnt uit de bloedsomloop, wat leidt tot een stijging van de systemische weerstand.

29
New cards

Wat gebeurt er met de ademhalingsfunctie en de longvaatweerstand direct na de geboorte?

De longen nemen de gasuitwisseling over en de longvaatweerstand daalt doordat de longen zich ontplooien.

30
New cards

Hoeveel tijd neemt het postnatale aanpassingsproces van de longvaten in beslag en waarom?

Dit aanpassingsproces kan vier tot zes weken duren vanwege noodzakelijke structurele aanpassingen van de longvaten.

31
New cards

Binnen welke termijn sluit de ductus arteriosus na de geboorte?

De ductus arteriosus sluit functioneel binnen twee tot vier dagen na de geboorte.

32
New cards

Wat zijn de fysiologische oorzaken van de functionele sluiting van de ductus arteriosus?

Deze functionele sluiting wordt veroorzaakt door een stijgende zuurstofspanning en het wegvallen van placentaire prostaglandines.

33
New cards

Wat is het klinische gevolg van de natuurlijke sluiting van de ductus arteriosus bij specifieke congenitale hartafwijkingen?

Bij specifieke ductusafhankelijke congenitale hartafwijkingen leidt de sluiting van de ductus tot ernstige hemodynamische instabiliteit.

34
New cards

Hoe wordt de ductus arteriosus bij deze specifieke congenitale hartafwijkingen opengehouden in afwachting van een operatie?

Bij deze afwijkingen wordt de ductus tot aan een operatie farmacologisch opengehouden met prostaglandine-E1 (Prostin).

35
New cards

Wat gebeurt er met de druk in het linkeratrium postnataal in vergelijking met het rechteratrium en wat is hiervan de oorzaak?

De druk in het linkeratrium stijgt door de verhoogde longdoorstroming en wordt hoger dan de druk in het rechteratrium.

36
New cards

Wat is het directe gevolg van de drukverandering tussen de atria postnataal?

Deze drukverandering zorgt ervoor dat het foramen ovale functioneel sluit.

37
New cards

Wat gebeurt er in het algemeen met de drukken in het hart na de geboorte?

De drukken in het postnatale hart veranderen ingrijpend naar specifieke waarden.

38
New cards

Tot welke specifieke waarde stijgt de linkerventrikeldruk na de geboorte?

Tot ongeveer 140 mmHg.

39
New cards

Naar welke specifieke waarde daalt de rechterventrikeldruk postnataal en waar past dit bij?

Daalt naar ongeveer 30 mmHg (passend bij de lage pulmonale weerstand).

40
New cards

Wat is de specifieke waarde van de linkeratriale druk postnataal?

Bedraagt 8 tot 10 mmHg.

41
New cards

Wat is de specifieke waarde van de rechteratriale druk postnataal?

Bedraagt 6 tot 7 mmHg.

42
New cards

Wat is de oorzaak van het prenatale uitblijven van symptomen of ontdekking bij een VSD?

Een VSD blijft prenataal onopgemerkt door de afwezigheid van een drukverschil tussen beide ventrikels.

43
New cards

Waarom is er in de eerste dagen na de geboorte nog geen sprake van hoorbare of meetbare afwijkingen bij een VSD?

In de eerste dagen na de geboorte is er nog geen sprake van een uitgesproken hartruis of shunt.

44
New cards

Wat gebeurt er na 4 tot 6 weken met de bloedstroom bij een VSD en wat lokt dit uit?

Na 4 tot 6 weken daalt de longvaatweerstand, waardoor een links-rechts-shunt ontstaat.

45
New cards

Wat is het directe hemodynamische gevolg van deze links-rechts-shunt bij een VSD?

Deze links-rechts-shunt veroorzaakt een volumebelasting van het linkerhart.

46
New cards

Welke exacte route legt het bloed af via de shunt bij een VSD?

Het bloed stroomt van het linkerventrikel naar het rechterventrikel en via de longen terug naar het linkeratrium.

47
New cards

Wat zijn in het algemeen de gevolgen van een VSD voor het hart en de vaten?

Een VSD resulteert in specifieke anatomische en pathofysiologische gevolgen.

48
New cards

Wat is het specifieke gevolg van een VSD voor de vulling van het linkerventrikel?

Diastolische volumebelasting van het linkerventrikel.

49
New cards

Wat is het specifieke gevolg van een VSD voor het longvaatbed?

Volumebelasting en overvulling van het longvaatbed.

50
New cards

Wat is het specifieke gevolg van een VSD voor de anatomie van het linkeratrium?

Volumebelasting en dilatatie van het linkeratrium.

51
New cards

Wat is het specifieke gevolg van een VSD voor de anatomie van het linkerventrikel?

Volumebelasting en dilatatie van het linkerventrikel.

52
New cards

Wat is het kenmerk van de rechterharthelft bij een VSD?

De rechterharthelft behoudt bij een VSD meestal een normale grootte.

53
New cards

Wat is de meest voorkomende anatomische locatie van een VSD?

Het perimembraneuze deel van het septum, vlakbij de aortaklep.

54
New cards

Wat kan er in sommige gevallen gebeuren met de nabijgelegen hartklep bij een perimembraneus VSD?

In some gevallen wordt een cusp van de aortaklep door het defect ingezogen.

55
New cards

Wat is het gevolg van het inzuigen van deze klepcomponent en welk medisch beleid vloeit hieruit voort?

Dit inzuigen kan leiden tot aortaklepinsufficiëntie, wat een harde indicatie vormt voor een chirurgische sluiting.

56
New cards

Wat is de richting van de bloedstroom bij een ASD?

Bij een ASD stroomt het bloed van het linkeratrium naar het rechteratrium.

57
New cards

Wat zijn de directe anatomische gevolgen van de veranderde bloedstroom bij een ASD?

Dit leidt tot volumebelasting en dilatatie van zowel het rechteratrium als het rechterventrikel.

58
New cards

Welke ritmestoornis kan worden uitgelokt door de anatomische verandering van het rechteratrium bij een ASD?

De dilatatie van het rechteratrium verhoogt het risico op het ontwikkelen van atriumfibrilleren.

59
New cards

Welke pulmonale complicatie kan optreden bij een ASD en wat is de directe oorzaak?

Er is sprake van een verhoogde kans op longinfecties, veroorzaakt door oedeemvorming.

60
New cards

Wat is een typische bevinding bij auscultatie van het hart bij een ASD?

Een typische auscultatoire bevinding bij een ASD is een gefixeerd gespleten tweede harttoon.

61
New cards

Wat is de directe oorzaak van deze specifieke gespleten tweede harttoon bij een ASD?

Deze gespleten tweede harttoon ontstaat als direct gevolg van het verhoogde volume in het rechterhart.

62
New cards

Waarom is een hartruis bij een ASD meestal niet prominent aanwezig?

Een hartruis is meestal niet prominent aanwezig omdat het drukverschil tussen de atria laag is.

63
New cards

Wat zijn de langetermijngevolgen van de chronische volumebelasting bij een ASD?

Chronische volumebelasting kan leiden tot pulmonale hypertensie en het Eisenmenger-syndroom.

64
New cards

Wat is het pathofysiologische mechanisme van het Eisenmenger-syndroom bij een ASD?

Bij het Eisenmenger-syndroom keert de shuntrichting om, waardoor zuurstofarm bloed van rechts naar links stroomt.

65
New cards

Wat is het gevolg van de pulmonale hypertensie voor de wand van het rechterventrikel?

De pulmonale hypertensie veroorzaakt tevens rechterventrikelhypertrofie.

66
New cards

Hoe kan de longvaatweerstand bij deze complicaties therapeutisch worden beïnvloed?

De longvaatweerstand kan therapeutisch verlaagd worden door de toediening van specifieke stoffen.

67
New cards

Welke specifieke gassen en medicatie worden gebruikt om de longvaatweerstand therapeutisch te verlagen?

Zuurstof, stikstofmonoxide en sildenafil (de pilvorm van stikstofmonoxide).

68
New cards

Wat hoort de arts bij auscultatie bij een PDA en hoe ontstaat dit fenomeen?

Een PDA leidt tot een continue ruis door het terugstromen van bloed vanuit de aorta naar de arteria pulmonalis.

69
New cards

Wat zijn de cardiale en pulmonale gevolgen van een PDA?

Deze aandoening veroorzaakt volumebelasting, longvaatovervulling en progressieve dilatatie van de linkerharthelft.

70
New cards

Wat is het kenmerkende effect van een PDA op de arteriële bloeddrukparameters?

Een PDA resulteert in een opvallend groot verschil tussen de systolische en diastolische bloeddruk.

71
New cards

Uit hoeveel anatomische afwijkingen bestaat de Tetralogie van Fallot?

Deze congenitale hartaandoening bestaat uit exact vier specifieke anatomische componenten.

72
New cards

Welke vier specifieke anatomische componenten vormen samen de Tetralogie van Fallot?

Ventrikelseptumdefect (VSD), overrijdende aorta, pulmonalisklepstenose en rechterventrikelhypertrofie.

73
New cards

Waarvan is de klinische presentatie bij de Tetralogie van Fallot direct afhankelijk?

De klinische presentatie is direct afhankelijk van de ernst van de obstructie van de Right Ventricular Outflow Tract (RVOT).

74
New cards

Hoe uist de Tetralogie van Fallot zich klinisch wanneer de RVOT-obstructie mild is?

Bij een milde RVOT-obstructie gedraagt de afwijking zich klinisch als een regulier VSD.

75
New cards

Wat is het gevolg van een ernstige RVOT-obstructie voor de shunt en de klinische toestand van de patiënt?

Bij een ernstige RVOT-obstructie ontstaat een rechts-links-shunt met klinische cyanose tot gevolg.

76
New cards

Waarvan is de exacte zuurstofsaturatie afhankelijk bij een ernstige RVOT-obstructie?

De exacte zuurstofsaturatie is hierbij afhankelijk van de totale grootte van deze rechts-links-shunt.

77
New cards

Wat is de oorzaak van de kenmerkende cyanotische spells bij de Tetralogie van Fallot?

Kenmerkend zijn cyanotische spells, die worden veroorzaakt door een toegenomen obstructie en systemische vasodilatatie.

78
New cards

Tot welke symptomen leiden deze cyanotische spells en wat valt daarbij op bij auscultatie?

Deze spells leiden tot hypoxie en tachypnoe, waarbij een duidelijke hartruis ontbreekt.

79
New cards

Wat is de aard van de pulmonalisklepobstructie bij de Tetralogie van Fallot?

De obstructie van de pulmonalisklep is dynamisch van aard.

80
New cards

Wanneer verergert de obstructie van de pulmonalisklep concreet?

Dit betekent dat de obstructie verergert wanneer er minder bloed naar de longen stroomt.

81
New cards

Wat is de anatomische fout bij een TGA?

Bij TGA zijn de posities van de aorta en de arteria pulmonalis anatomisch omgewisseld.

82
New cards

Wat is het functionele gevolg van deze anatomische omwisseling voor de bloedsomloop?

Hierdoor circuleren een zuurstofrijke en een zuurstofarme bloedstroom volledig los van elkaar in het lichaam.

83
New cards

Onder welke strikte voorwaarde is overleving na de geboorte mogelijk bij TGA?

Overleving postnataal is uitsluitend mogelijk wanneer er een shunt aanwezig is om bloedmenging te faciliteren.

84
New cards

Waarom zijn een geïsoleerd ASD of een geïsoleerde open ductus arteriosus ongewenst bij TGA?

Een ASD en een open ductus arteriosus zijn bij TGA ongewenst als geïsoleerde shunts, omdat het bloed dan terug kan stromen.

85
New cards