Psychologie - Woordenschat Overzicht

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/86

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Deze flashcards behandelen de kernbegrippen uit de hoofdstukken Biologie, Psychodynamica, Leertheorie en Cognitieve psychologie zoals beschreven in het transcript.

Last updated 6:31 PM on 7/7/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

87 Terms

1
New cards

Levenslang leren

Het proces van voortdurend nieuwe dingen leren, jezelf heruitvinden en je aanpassen aan veranderende inzichten, zowel voor economisch nut als voor persoonlijke ontplooiing.

2
New cards

21st century skills

Vaardigheden zoals kritisch denken, communicatie, dialoog, samenwerking over disciplines heen en creativiteit.

3
New cards

Orthopedagogiek

Een wetenschap die gericht is op het handelen in opvoedingssituaties, waarbij psychologie een belangrijke hulpbron vormt voor inzichten in gedrag en communicatie.

4
New cards

Biologisch perspectief

Een psychologische benadering waarbij gedrag verklaard wordt vanuit interne lichamelijke factoren zoals hersenstructuur, genetica en hormoonhuishouding.

5
New cards

Predispositie

De erfelijke aanleg of typische gedragskenmerken van de mensensoort met een evolutionair biologische basis.

6
New cards

Differentiatie (genetisch)

De individuele verschillen binnen de mensensoort die ontstaan ondanks gelijke aanleg, vaak beĆÆnvloed door omgevingsfactoren.

7
New cards

Genetica

De studie van het menselijke genetische paspoort en hoe dit zich vertaalt in een unieke versie voor elke mens.

8
New cards

Erfelijkheid

De kansberekening van welke specifieke genetische kenmerken van de ene generatie op de volgende worden doorgegeven.

9
New cards

Causaliteit

Oorzakelijkheid; het absolute en unieke verband tussen een specifieke oorzaak en een gevolg.

10
New cards

Correlatie

Samenhang tussen twee of meer factoren waarbij niet noodzakelijk sprake is van een oorzaak-gevolgrelatie.

11
New cards

Zygote

De bevruchte eicel die ontstaat na de versmelting van een eicel en een zaadcel.

12
New cards

Mitose

Vermenigvuldigingsdeling waarbij cellen zich delen in genetisch identieke nakomelingen voor groei en herstel van het individu.

13
New cards

Differentiatieproces (cel)

Het proces waarbij genetisch identieke cellen zich specialiseren voor verschillende taken (bijv. hart- of zenuwcellen).

14
New cards

Gen

Een reeks koppels DNA-bouwstenen die gecodeerde instructies geeft voor biologische processen in de cel.

15
New cards

Chromosoom

Informatiedragers opgebouwd uit tientallen tot honderden genen; de mens heeft normaal 4646 stuks.

16
New cards

Genoom

Het geheel van alle 4646 chromosomen van een individu.

17
New cards

Epigenoom

Een laag receptoren rond het genoom die gevoelig is voor omgevingsinvloeden en bepaalt welke genen 'aan' of 'uit' staan.

18
New cards

Meiose

Reductiedeling in de voortplantingscellen waarbij de dochtercel slechts de helft van het erfelijk materiaal van de moedercel bevat.

19
New cards

Dominant

De sterkere versie van genetische informatie die meer kans heeft om zich in het fenotype te tonen.

20
New cards

Recessief

De zwakkere versie van genetische informatie die enkel tot uiting komt als er geen dominante variant aanwezig is.

21
New cards

Homozygoot

Wanneer twee genen voor een kenmerk dezelfde invloed hebben (bijv. twee keer de informatie voor losse oorlellen).

22
New cards

Heterozygoot

Wanneer de twee genen in een paar verschillende informatie bevatten voor een bepaald kenmerk.

23
New cards

Genotype

De verzameling van alle erfelijke informatie die een individu van zijn ouders heeft gekregen.

24
New cards

Fenotype

Het waarneembare resultaat van het genotype in interactie met de omgeving.

25
New cards

Mutatie

Een wijziging in het genetisch materiaal, oftewel een verandering in de DNA-code.

26
New cards

Puntmutatie

Een mutatie op het niveau van ƩƩn enkel koppel DNA-bouwstenen.

27
New cards

Chromosoommutatie

Een structurele afwijking in het genetisch materiaal, zoals een verandering in de aard, vorm of grootte van een chromosoom.

28
New cards

Genoommutatie

Een numerieke wijziging in het normale aantal van 4646 chromosomen.

29
New cards

Trisomie

Een genoommutatie waarbij er 4747 of meer chromosomen aanwezig zijn doordat een ouder een chromosoom teveel heeft doorgegeven.

30
New cards

Monosomie

Een genoommutatie waarbij er 4545 of minder chromosomen aanwezig zijn doordat er een chromosoom ontbreekt.

31
New cards

MozaĆÆekbeeld

Een situatie waarbij een deel van de cellen in het lichaam een andere erfelijke samenstelling heeft dan de rest, ontstaan door een fout tijdens de eerste delingen van de zygote.

32
New cards

Centrale zenuwstelsel

Het deel van het zenuwstelsel dat beschermd wordt door de schedel (hersenen) en de wervelkolom (ruggenmerg).

33
New cards

Perifere zenuwstelsel

Alle zenuwbanen die van en naar het centrale zenuwstelsel lopen en niet door botten beschermd zijn.

34
New cards

Homeostase

Het interne en autonome proces van het lichaam om evenwicht te behouden of te herstellen (bijv. hartslag, ademhaling).

35
New cards

Reptielenbrein

Bestaat uit de hersenstam en kleine hersenen; verwerkt instinctief prikkels gericht op overleving en primaire behoeften.

36
New cards

Zoogdierenbrein (Limbisch systeem)

Het emotionele brein dat zorgt voor hechting, empathie, emoties en driften.

37
New cards

Cortex (Mensenbrein)

De grote hersenen verantwoordelijk voor hogere functies zoals reflectie, denken en bewust handelen.

38
New cards

Neuron

Een zenuwcel die signalen doorgeeft via elektrische geleiding (intern) en chemische processen (extern).

39
New cards

Synaptische spleet

De kleine spleet tussen twee neuronen waar de overdracht van informatie via neurotransmitters plaatsvindt.

40
New cards

Neurotransmitters

Chemische stoffen die de overdracht van prikkels tussen zenuwcellen mogelijk maken.

41
New cards

Agonist

Medicatie die de werking van een neurotransmitter stimuleert.

42
New cards

Antagonist

Medicatie die de werking van een neurotransmitter remt.

43
New cards

Polyvagaaltheorie

Theorie van Porges die de wisselwerking tussen lichaam en psyche via het zenuwstelsel beschrijft, met focus op veiligheid en verbinding.

44
New cards

Neuroceptie

De autonome innerlijke scanner die constant signalen van veiligheid en onveiligheid waarneemt in de omgeving.

45
New cards

Window of Tolerance

Het spanningsgebied waarbinnen iemand optimaal kan functioneren zonder in de verdedigingsmodus (vechten, vluchten, bevriezen) te gaan.

46
New cards

Co-regulatie

Het proces waarbij we via de verbinding met een betrouwbare ander onze eigen spanning leren reguleren.

47
New cards

Social Engagement System

Het deel van het sociale brein dat ons in staat stelt om in relatie te gaan en sociale verbinding te maken.

48
New cards

Psychodynamisch perspectief

Stroming gebaseerd op het werk van Freud die de nadruk legt op het onbewuste en de invloed van de kindertijd op het huidige gedrag.

49
New cards

Conflictmodel

De opvatting dat menselijk gedrag het resultaat is van een conflict tussen een onbewuste wens en een verbod.

50
New cards

Het Onbewuste

Een mentale modus bestaande uit driften en verdrongen inhouden die we liever niet willen weten maar die wel ons gedrag beĆÆnvloeden.

51
New cards

Es (Id)

Het oudste deel van de persoonlijkheid dat werkt volgens het lustprincipe en streeft naar onmiddellijke bevrediging van driften.

52
New cards

Ik (Ego)

Het bewuste controlecentrum dat bemiddelt tussen de driften van het Es en de realiteit (realiteitsprincipe).

53
New cards

Boven-Ik (Superego)

De verinnerlijkte waarden en normen van de omgeving die fungeren als geweten (moraliteitsprincipe).

54
New cards

Afweermechanisme

Een onbewuste strategie van het Ik om angstwekkende gedachten of impulsen uit het bewustzijn te houden.

55
New cards

Projectie

Het toeschrijven van eigen onaanvaardbare gevoelens aan anderen.

56
New cards

Verdringing

Het onbewust proces waarbij onaanvaardbare impulsen uit het bewustzijn worden geweerd.

57
New cards

Regressie

Terugvallen in gedrag dat kenmerkend is voor een eerdere ontwikkelingsfase waarin men zich veiliger voelde.

58
New cards

Sublimatie

Het omzetten van oerdriften in sociaal aanvaardbare of creatieve activiteiten.

59
New cards

Overdracht (Transferentie)

Het onbewust overbrengen van oude gevoelens voor eerdere hechtingsfiguren op de huidige hulpverlener.

60
New cards

Tegenoverdracht

De onbewuste gevoelens en projecties van de hulpverlener ten aanzien van de cliƫnt.

61
New cards

Hulp-Ik

De rol van de orthopedagogisch begeleider waarbij deze tijdelijk de Ik-functies van de cliƫnt stut of overneemt.

62
New cards

Leertheoretisch perspectief (Behaviorisme)

Stroming die focust op uitsluitend waarneembaar en meetbaar gedrag, waarbij gedrag wordt gezien als aangeleerd.

63
New cards

Black box

Het idee dat de interne processen (geest) in het organisme niet wetenschappelijk te bestuderen zijn en enkel input en output tellen.

64
New cards

Tabula rasa

Het idee dat de mens als een onbeschreven blad ter wereld komt en volledig wordt gevormd door zijn omgeving.

65
New cards

Stimulus

Elke prikkel of aanleiding uit de omgeving die het gedrag beĆÆnvloedt.

66
New cards

Respons

Het gedrag of de reactie die door een stimulus wordt uitgelokt.

67
New cards

Klassieke conditionering

Een leerproces waarbij een neutrale stimulus door herhaaldelijke koppeling aan een andere stimulus een nieuwe reactie gaat uitlokken (signaalleren).

68
New cards

Trigger

Een op zich neutrale prikkel die door associatie met een eerdere ervaring een sterke (negatieve) reactie uitlokt.

69
New cards

Operante conditionering

Een leerproces waarbij gedrag wordt beĆÆnvloed door de gevolgen (beloning of straf) die erop volgen.

70
New cards

Positieve versterker

Het toedienen van een aangename consequentie om de kans op specifiek gedrag te vergroten.

71
New cards

Negatieve versterker

Het wegnemen van een onaangename prikkel om de kans op specifiek gedrag te vergroten.

72
New cards

ContiguĆÆteit

Het principe dat bekrachtiging het beste werkt wanneer deze zeer snel na het gestelde gedrag volgt.

73
New cards

Shaping

Het stapsgewijs aanleren van complex gedrag door kleine opeenvolgende deelstappen te bekrachtigen.

74
New cards

Extinctie

Het verdwijnen van aangeleerd gedrag wanneer de bekrachtiging ervan stopt. (het uitssterven van een biologische soort)

75
New cards

Model-leren (Sociaal leren)

Leren door het observeren en imiteren van het gedrag en de consequenties bij anderen.

76
New cards

Zelfeffectiviteit (Self-efficacy)

Het vertrouwen van een persoon in de eigen bekwaamheid om met succes invloed uit te oefenen op de omgeving.

77
New cards

Cognitief perspectief

Stroming die focust op informatieverwerking en oordeelsvorming; wat er zich in het hoofd afspeelt tussen prikkel en reactie.

78
New cards

4G-model

Schema dat de relatie tussen Gebeurtenis, Gedachte, Gevoel en Gedrag weergeeft.

79
New cards

Cognitief schema

Een innerlijk referentiekader of beeld van de werkelijkheid dat helpt bij het ordenen van informatie.

80
New cards

Cognitieve dissonantie

De spanning die ontstaat wanneer nieuwe informatie niet overeenkomt met bestaande cognitieve schema’s.

81
New cards

Confirmation bias (Tunnelvisie)

De neiging om informatie die niet in ons schema past te negeren of te vervormen om onze eigen overtuigingen te behouden.

82
New cards

Attributie

De subjectieve verklaring die iemand geeft aan het eigen gedrag of dat van anderen.

83
New cards

Interne attributie

De oorzaak van gedrag toeschrijven aan factoren binnen de persoon zelf.

84
New cards

Externe attributie

De oorzaak van gedrag toeschrijven aan factoren buiten de persoon (omstandigheden).

85
New cards

Fundamentele attributiefout

De neiging om bij anderen de interne factoren te overschatten en de externe factoren te onderschatten bij negatief gedrag.

86
New cards

Cognitieve prothese

Hulpmiddel (zoals een agenda of visualisatiebord) om cognitieve beperkingen zoals geheugenproblemen te compenseren.

87
New cards

Psycho-educatie

Het verstrekken van informatie over een stoornis of problematiek en bevragen wat dit voor de cliƫnt betekent.