1/86
Deze flashcards behandelen de kernbegrippen uit de hoofdstukken Biologie, Psychodynamica, Leertheorie en Cognitieve psychologie zoals beschreven in het transcript.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Levenslang leren
Het proces van voortdurend nieuwe dingen leren, jezelf heruitvinden en je aanpassen aan veranderende inzichten, zowel voor economisch nut als voor persoonlijke ontplooiing.
21st century skills
Vaardigheden zoals kritisch denken, communicatie, dialoog, samenwerking over disciplines heen en creativiteit.
Orthopedagogiek
Een wetenschap die gericht is op het handelen in opvoedingssituaties, waarbij psychologie een belangrijke hulpbron vormt voor inzichten in gedrag en communicatie.
Biologisch perspectief
Een psychologische benadering waarbij gedrag verklaard wordt vanuit interne lichamelijke factoren zoals hersenstructuur, genetica en hormoonhuishouding.
Predispositie
De erfelijke aanleg of typische gedragskenmerken van de mensensoort met een evolutionair biologische basis.
Differentiatie (genetisch)
De individuele verschillen binnen de mensensoort die ontstaan ondanks gelijke aanleg, vaak beĆÆnvloed door omgevingsfactoren.
Genetica
De studie van het menselijke genetische paspoort en hoe dit zich vertaalt in een unieke versie voor elke mens.
Erfelijkheid
De kansberekening van welke specifieke genetische kenmerken van de ene generatie op de volgende worden doorgegeven.
Causaliteit
Oorzakelijkheid; het absolute en unieke verband tussen een specifieke oorzaak en een gevolg.
Correlatie
Samenhang tussen twee of meer factoren waarbij niet noodzakelijk sprake is van een oorzaak-gevolgrelatie.
Zygote
De bevruchte eicel die ontstaat na de versmelting van een eicel en een zaadcel.
Mitose
Vermenigvuldigingsdeling waarbij cellen zich delen in genetisch identieke nakomelingen voor groei en herstel van het individu.
Differentiatieproces (cel)
Het proces waarbij genetisch identieke cellen zich specialiseren voor verschillende taken (bijv. hart- of zenuwcellen).
Gen
Een reeks koppels DNA-bouwstenen die gecodeerde instructies geeft voor biologische processen in de cel.
Chromosoom
Informatiedragers opgebouwd uit tientallen tot honderden genen; de mens heeft normaal 46 stuks.
Genoom
Het geheel van alle 46 chromosomen van een individu.
Epigenoom
Een laag receptoren rond het genoom die gevoelig is voor omgevingsinvloeden en bepaalt welke genen 'aan' of 'uit' staan.
Meiose
Reductiedeling in de voortplantingscellen waarbij de dochtercel slechts de helft van het erfelijk materiaal van de moedercel bevat.
Dominant
De sterkere versie van genetische informatie die meer kans heeft om zich in het fenotype te tonen.
Recessief
De zwakkere versie van genetische informatie die enkel tot uiting komt als er geen dominante variant aanwezig is.
Homozygoot
Wanneer twee genen voor een kenmerk dezelfde invloed hebben (bijv. twee keer de informatie voor losse oorlellen).
Heterozygoot
Wanneer de twee genen in een paar verschillende informatie bevatten voor een bepaald kenmerk.
Genotype
De verzameling van alle erfelijke informatie die een individu van zijn ouders heeft gekregen.
Fenotype
Het waarneembare resultaat van het genotype in interactie met de omgeving.
Mutatie
Een wijziging in het genetisch materiaal, oftewel een verandering in de DNA-code.
Puntmutatie
Een mutatie op het niveau van ƩƩn enkel koppel DNA-bouwstenen.
Chromosoommutatie
Een structurele afwijking in het genetisch materiaal, zoals een verandering in de aard, vorm of grootte van een chromosoom.
Genoommutatie
Een numerieke wijziging in het normale aantal van 46 chromosomen.
Trisomie
Een genoommutatie waarbij er 47 of meer chromosomen aanwezig zijn doordat een ouder een chromosoom teveel heeft doorgegeven.
Monosomie
Een genoommutatie waarbij er 45 of minder chromosomen aanwezig zijn doordat er een chromosoom ontbreekt.
MozaĆÆekbeeld
Een situatie waarbij een deel van de cellen in het lichaam een andere erfelijke samenstelling heeft dan de rest, ontstaan door een fout tijdens de eerste delingen van de zygote.
Centrale zenuwstelsel
Het deel van het zenuwstelsel dat beschermd wordt door de schedel (hersenen) en de wervelkolom (ruggenmerg).
Perifere zenuwstelsel
Alle zenuwbanen die van en naar het centrale zenuwstelsel lopen en niet door botten beschermd zijn.
Homeostase
Het interne en autonome proces van het lichaam om evenwicht te behouden of te herstellen (bijv. hartslag, ademhaling).
Reptielenbrein
Bestaat uit de hersenstam en kleine hersenen; verwerkt instinctief prikkels gericht op overleving en primaire behoeften.
Zoogdierenbrein (Limbisch systeem)
Het emotionele brein dat zorgt voor hechting, empathie, emoties en driften.
Cortex (Mensenbrein)
De grote hersenen verantwoordelijk voor hogere functies zoals reflectie, denken en bewust handelen.
Neuron
Een zenuwcel die signalen doorgeeft via elektrische geleiding (intern) en chemische processen (extern).
Synaptische spleet
De kleine spleet tussen twee neuronen waar de overdracht van informatie via neurotransmitters plaatsvindt.
Neurotransmitters
Chemische stoffen die de overdracht van prikkels tussen zenuwcellen mogelijk maken.
Agonist
Medicatie die de werking van een neurotransmitter stimuleert.
Antagonist
Medicatie die de werking van een neurotransmitter remt.
Polyvagaaltheorie
Theorie van Porges die de wisselwerking tussen lichaam en psyche via het zenuwstelsel beschrijft, met focus op veiligheid en verbinding.
Neuroceptie
De autonome innerlijke scanner die constant signalen van veiligheid en onveiligheid waarneemt in de omgeving.
Window of Tolerance
Het spanningsgebied waarbinnen iemand optimaal kan functioneren zonder in de verdedigingsmodus (vechten, vluchten, bevriezen) te gaan.
Co-regulatie
Het proces waarbij we via de verbinding met een betrouwbare ander onze eigen spanning leren reguleren.
Social Engagement System
Het deel van het sociale brein dat ons in staat stelt om in relatie te gaan en sociale verbinding te maken.
Psychodynamisch perspectief
Stroming gebaseerd op het werk van Freud die de nadruk legt op het onbewuste en de invloed van de kindertijd op het huidige gedrag.
Conflictmodel
De opvatting dat menselijk gedrag het resultaat is van een conflict tussen een onbewuste wens en een verbod.
Het Onbewuste
Een mentale modus bestaande uit driften en verdrongen inhouden die we liever niet willen weten maar die wel ons gedrag beĆÆnvloeden.
Es (Id)
Het oudste deel van de persoonlijkheid dat werkt volgens het lustprincipe en streeft naar onmiddellijke bevrediging van driften.
Ik (Ego)
Het bewuste controlecentrum dat bemiddelt tussen de driften van het Es en de realiteit (realiteitsprincipe).
Boven-Ik (Superego)
De verinnerlijkte waarden en normen van de omgeving die fungeren als geweten (moraliteitsprincipe).
Afweermechanisme
Een onbewuste strategie van het Ik om angstwekkende gedachten of impulsen uit het bewustzijn te houden.
Projectie
Het toeschrijven van eigen onaanvaardbare gevoelens aan anderen.
Verdringing
Het onbewust proces waarbij onaanvaardbare impulsen uit het bewustzijn worden geweerd.
Regressie
Terugvallen in gedrag dat kenmerkend is voor een eerdere ontwikkelingsfase waarin men zich veiliger voelde.
Sublimatie
Het omzetten van oerdriften in sociaal aanvaardbare of creatieve activiteiten.
Overdracht (Transferentie)
Het onbewust overbrengen van oude gevoelens voor eerdere hechtingsfiguren op de huidige hulpverlener.
Tegenoverdracht
De onbewuste gevoelens en projecties van de hulpverlener ten aanzien van de cliƫnt.
Hulp-Ik
De rol van de orthopedagogisch begeleider waarbij deze tijdelijk de Ik-functies van de cliƫnt stut of overneemt.
Leertheoretisch perspectief (Behaviorisme)
Stroming die focust op uitsluitend waarneembaar en meetbaar gedrag, waarbij gedrag wordt gezien als aangeleerd.
Black box
Het idee dat de interne processen (geest) in het organisme niet wetenschappelijk te bestuderen zijn en enkel input en output tellen.
Tabula rasa
Het idee dat de mens als een onbeschreven blad ter wereld komt en volledig wordt gevormd door zijn omgeving.
Stimulus
Elke prikkel of aanleiding uit de omgeving die het gedrag beĆÆnvloedt.
Respons
Het gedrag of de reactie die door een stimulus wordt uitgelokt.
Klassieke conditionering
Een leerproces waarbij een neutrale stimulus door herhaaldelijke koppeling aan een andere stimulus een nieuwe reactie gaat uitlokken (signaalleren).
Trigger
Een op zich neutrale prikkel die door associatie met een eerdere ervaring een sterke (negatieve) reactie uitlokt.
Operante conditionering
Een leerproces waarbij gedrag wordt beĆÆnvloed door de gevolgen (beloning of straf) die erop volgen.
Positieve versterker
Het toedienen van een aangename consequentie om de kans op specifiek gedrag te vergroten.
Negatieve versterker
Het wegnemen van een onaangename prikkel om de kans op specifiek gedrag te vergroten.
ContiguĆÆteit
Het principe dat bekrachtiging het beste werkt wanneer deze zeer snel na het gestelde gedrag volgt.
Shaping
Het stapsgewijs aanleren van complex gedrag door kleine opeenvolgende deelstappen te bekrachtigen.
Extinctie
Het verdwijnen van aangeleerd gedrag wanneer de bekrachtiging ervan stopt. (het uitssterven van een biologische soort)
Model-leren (Sociaal leren)
Leren door het observeren en imiteren van het gedrag en de consequenties bij anderen.
Zelfeffectiviteit (Self-efficacy)
Het vertrouwen van een persoon in de eigen bekwaamheid om met succes invloed uit te oefenen op de omgeving.
Cognitief perspectief
Stroming die focust op informatieverwerking en oordeelsvorming; wat er zich in het hoofd afspeelt tussen prikkel en reactie.
4G-model
Schema dat de relatie tussen Gebeurtenis, Gedachte, Gevoel en Gedrag weergeeft.
Cognitief schema
Een innerlijk referentiekader of beeld van de werkelijkheid dat helpt bij het ordenen van informatie.
Cognitieve dissonantie
De spanning die ontstaat wanneer nieuwe informatie niet overeenkomt met bestaande cognitieve schemaās.
Confirmation bias (Tunnelvisie)
De neiging om informatie die niet in ons schema past te negeren of te vervormen om onze eigen overtuigingen te behouden.
Attributie
De subjectieve verklaring die iemand geeft aan het eigen gedrag of dat van anderen.
Interne attributie
De oorzaak van gedrag toeschrijven aan factoren binnen de persoon zelf.
Externe attributie
De oorzaak van gedrag toeschrijven aan factoren buiten de persoon (omstandigheden).
Fundamentele attributiefout
De neiging om bij anderen de interne factoren te overschatten en de externe factoren te onderschatten bij negatief gedrag.
Cognitieve prothese
Hulpmiddel (zoals een agenda of visualisatiebord) om cognitieve beperkingen zoals geheugenproblemen te compenseren.
Psycho-educatie
Het verstrekken van informatie over een stoornis of problematiek en bevragen wat dit voor de cliƫnt betekent.