1/64
Deze flashcards bevatten kernbegrippen uit de Nederlandse taalkunde en literatuurwetenschap, gebaseerd op de verstrekte lesnotities over tekststructuren, literaire genres, poëzie, stijlfiguren en grammatica.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Kernzin
De belangrijkste zin uit een alinea, meestal de eerste of de laatste zin.
Signaalwoorden
Woorden die tekstverbanden uitdrukken, zoals opsomming, tijd, reden of oorzaak-gevolg.
COBVOP
Afkorting voor de zes tekststructuren: Chronologisch, Opsommend, Beschrijvend, Verklarend, Oorzaak-gevolg en Probleemoplossend.
OAAI
Afkorting voor de vier tekstsoorten gebaseerd op het doel van de schrijver: Overtuigend, Amuserend, Activerend en Informerend.
Primaire literatuur
De oorspronkelijke tekst van een auteur, zoals het dagboek van Napoleon.
Secundaire literatuur
Teksten die geschreven zijn over primaire literatuur, zoals een biografie van Napoleon gebaseerd op zijn dagboek.
Factie
Een tekstsoort bestaande uit waargebeurde elementen die met fantasie worden aangevuld.
Proza
Een verhaalgenre dat al het geschreven werk omvat dat geen poëzie, drama of lied is.
Epiek
Een objectief en rationeel hoofdgenre waarbij het verhaal en het verslag van gebeurtenissen centraal staan.
Lyriek
Een subjectief en emotioneel hoofdgenre waarbij gevoelens en sfeer centraal staan en er weinig gebeurt.
Dramatiek
Een hoofdgenre waarbij dialoog en actie centraal staan, zoals bij toneel.
Tragedie
Een 'treurspel' met een ernstige handeling en vaak een noodlottige afloop voor de hoofdpersoon.
Ironie
Een stijlfiguur waarbij men de spot drijft door het tegenovergestelde te zeggen van wat men bedoelt.
Sarcasme
Bijtende, aanvallende en scherpe spot die vaak gemener is dan ironie.
Satire
Een kunstvorm die op humoristische wijze maatschappelijke kritiek geeft via ironie, parodie of sarcasme.
Novelle
Een prozawerk dat iets langer is dan een kort verhaal, met een beperkt aantal personages en een belangrijk keerpunt.
Fabel
Een kort, gemakkelijk verhaal met een morele les, vaak met pratende dieren als personages.
Hagiografie
Een biografie over het leven van een heilige.
Cursiefje
Een kort, humoristisch stukje in een dag- of weekblad over een verschijnsel uit het dagelijks leven.
Bildungsroman
Een psychologische roman die de geestelijke ontwikkeling van de protagonist beschrijft van jeugd naar volwassenheid.
Utopische roman
Een roman over een denkbeeldige, perfecte wereld die in werkelijkheid onmogelijk is.
Sonnet
Een dichtvorm bestaande uit 14 regels met een vast ritme en rijmschema.
Acrostichon
Een gedicht waarvan de eerste letters van de woorden of strofes samen een nieuw woord vormen.
Haiku
Een Japanse dichtkunst bestaande uit 3 regels met een lettergreepverdeling van 5−7−5.
Strofe
Een tekstblok of onderdeel van een gedicht of songtekst.
Kwatrijn
Een strofe bestaande uit 4 versregels met vaak twee rijmklanken.
Distichon
Een strofe bestaande uit slechts 2 versregels.
Alliteratie
Rijmvorm waarbij de eerste medeklinkers van woorden hetzelfde zijn (stafrijm).
Assonantie
Rijmvorm waarbij alleen de klinkers van woorden met elkaar rijmen (halfrijm).
Slagrijm
Een rijmstructuur waarbij alle opeenvolgende regels rijmen (AAAA).
Gekruist rijm
Een rijmstructuur waarbij de regels om en om rijmen (ABAB).
Omarmend rijm
Een rijmstructuur waarbij de eerste en laatste regel rijmen, en de middelste twee op elkaar (ABBA).
Protagonist
Het hoofdpersonage in een verhaal of toneelstuk.
Antagonist
Het personage dat de tegenspeler is van de protagonist.
Flashforward
Een vooruitwijzing in een verhaal naar gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden.
Tijdvertraging
Een verteltechniek waarbij een korte gebeurtenis zeer uitgebreid wordt omschreven.
Auctorieel hij-vertelstandpunt
Een perspectief waarbij een externe verteller alles weet van alle personages (alwetende verteller).
Antropomorfisme
Het toekennen van menselijke eigenschappen, uiterlijk of gedrag aan niet-menselijke wezens of objecten.
Metoniem
Een naamsverwisseling waarbij iets indirect wordt aangeduid via een nauw verbonden begrip (bijv. 'een glaasje drinken').
Pars pro toto
Een vorm van metonymie waarbij een deel wordt gebruikt om het geheel aan te duiden (bijv. 'neuzen tellen' voor personen).
Litotes
Een stijlfiguur waarbij men iets bevestigt door het tegenovergestelde te ontkennen (bijv. 'niet erg slim').
Onomatopee
Een klanknabootsing, zoals 'tic tac' of 'vroem'.
Paradox
Een schijnbare tegenstelling die op een dieper niveau wel logisch is.
De Tachtigers
Een literaire beweging (1880−1894) die streefde naar impressionisme en naturalisme.
Avant-Garde
Een vernieuwende literaire stroming tussen de twee wereldoorlogen die brak met traditionele opvattingen.
Sociolinguïstiek
Het vakgebied binnen de taalkunde dat de relatie tussen taalgebruik en de maatschappij bestudeert.
Indo-Europese talen
De overkoepelende taalfamilie waartoe onder andere de Germaanse, Romaanse en Slavische talen behoren.
Sociolect
Een taalvariant die gesproken wordt door een specifieke sociale groep of klasse.
Etnolect
Een taalvariant die bepaald wordt door de etnische afkomst van de sprekers.
Archaïsme
Een verouderde taalvorm, woord of zinsconstructie.
Drogreden
Een redenering die aannemelijk lijkt, maar inhoudelijk niet correct is (schijnreden).
Cirkelredenering
Een drogreden waarbij het standpunt en het argument inhoudelijk hetzelfde zijn.
Syllogisme
Een logische sluitrede bestaande uit een majorpremisse, een minorpremisse en een conclusie.
Neologisme
Een nieuw gevormd woord om een nieuw verschijnsel in de maatschappij aan te duiden.
Porte-manteauwoord
Een woord gevormd door het combineren van twee bestaande woorden, zoals 'brunch' (breakfast+lunch).
Morfologie
De leer van de woordvorming en woordopbouw.
Antoniem
Woorden die elkaars tegengestelde zijn, zoals 'lang' en 'kort'.
Homoniem
Woorden met dezelfde spelling en uitspraak, maar een andere betekenis (bijv. 'arm').
Denotatie
De letterlijke betekenis van een woord.
Connotatie
De figuurlijke of gevoelsmatige betekenis van een woord.
Eponiem
Een woord dat is afgeleid van een eigennaam, zoals 'Zeppelin' of 'Celsius'.
Hyperoniem
Een woord met een ruime betekenis dat andere woorden (hyponiemen) overkoepelt (bijv. 'ouder' is het hyperoniem van 'vader').
Pleonasme
Het gebruik van een overbodig woord dat een eigenschap noemt die al in het hoofdwoord zit (bijv. 'rood bloed').
Tautologie
Het herhalen van een begrip met een ander woord dat nagenoeg dezelfde betekenis heeft (bijv. 'gratis en voor niks').
Tangconstructie
Een stijlfout waarbij woorden die bij elkaar horen te ver uit elkaar staan in een zin.