Nederlands: Taalkunde, Literatuur en Communicatie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
full-widthPodcast
1
Card Sorting

1/64

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Deze flashcards bevatten kernbegrippen uit de Nederlandse taalkunde en literatuurwetenschap, gebaseerd op de verstrekte lesnotities over tekststructuren, literaire genres, poëzie, stijlfiguren en grammatica.

Last updated 9:21 AM on 6/15/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

65 Terms

1
New cards

Kernzin

De belangrijkste zin uit een alinea, meestal de eerste of de laatste zin.

2
New cards

Signaalwoorden

Woorden die tekstverbanden uitdrukken, zoals opsomming, tijd, reden of oorzaak-gevolg.

3
New cards

COBVOP

Afkorting voor de zes tekststructuren: Chronologisch, Opsommend, Beschrijvend, Verklarend, Oorzaak-gevolg en Probleemoplossend.

4
New cards

OAAI

Afkorting voor de vier tekstsoorten gebaseerd op het doel van de schrijver: Overtuigend, Amuserend, Activerend en Informerend.

5
New cards

Primaire literatuur

De oorspronkelijke tekst van een auteur, zoals het dagboek van Napoleon.

6
New cards

Secundaire literatuur

Teksten die geschreven zijn over primaire literatuur, zoals een biografie van Napoleon gebaseerd op zijn dagboek.

7
New cards

Factie

Een tekstsoort bestaande uit waargebeurde elementen die met fantasie worden aangevuld.

8
New cards

Proza

Een verhaalgenre dat al het geschreven werk omvat dat geen poëzie, drama of lied is.

9
New cards

Epiek

Een objectief en rationeel hoofdgenre waarbij het verhaal en het verslag van gebeurtenissen centraal staan.

10
New cards

Lyriek

Een subjectief en emotioneel hoofdgenre waarbij gevoelens en sfeer centraal staan en er weinig gebeurt.

11
New cards

Dramatiek

Een hoofdgenre waarbij dialoog en actie centraal staan, zoals bij toneel.

12
New cards

Tragedie

Een 'treurspel' met een ernstige handeling en vaak een noodlottige afloop voor de hoofdpersoon.

13
New cards

Ironie

Een stijlfiguur waarbij men de spot drijft door het tegenovergestelde te zeggen van wat men bedoelt.

14
New cards

Sarcasme

Bijtende, aanvallende en scherpe spot die vaak gemener is dan ironie.

15
New cards

Satire

Een kunstvorm die op humoristische wijze maatschappelijke kritiek geeft via ironie, parodie of sarcasme.

16
New cards

Novelle

Een prozawerk dat iets langer is dan een kort verhaal, met een beperkt aantal personages en een belangrijk keerpunt.

17
New cards

Fabel

Een kort, gemakkelijk verhaal met een morele les, vaak met pratende dieren als personages.

18
New cards

Hagiografie

Een biografie over het leven van een heilige.

19
New cards

Cursiefje

Een kort, humoristisch stukje in een dag- of weekblad over een verschijnsel uit het dagelijks leven.

20
New cards

Bildungsroman

Een psychologische roman die de geestelijke ontwikkeling van de protagonist beschrijft van jeugd naar volwassenheid.

21
New cards

Utopische roman

Een roman over een denkbeeldige, perfecte wereld die in werkelijkheid onmogelijk is.

22
New cards

Sonnet

Een dichtvorm bestaande uit 1414 regels met een vast ritme en rijmschema.

23
New cards

Acrostichon

Een gedicht waarvan de eerste letters van de woorden of strofes samen een nieuw woord vormen.

24
New cards

Haiku

Een Japanse dichtkunst bestaande uit 33 regels met een lettergreepverdeling van 5755 - 7 - 5.

25
New cards

Strofe

Een tekstblok of onderdeel van een gedicht of songtekst.

26
New cards

Kwatrijn

Een strofe bestaande uit 44 versregels met vaak twee rijmklanken.

27
New cards

Distichon

Een strofe bestaande uit slechts 22 versregels.

28
New cards

Alliteratie

Rijmvorm waarbij de eerste medeklinkers van woorden hetzelfde zijn (stafrijm).

29
New cards

Assonantie

Rijmvorm waarbij alleen de klinkers van woorden met elkaar rijmen (halfrijm).

30
New cards

Slagrijm

Een rijmstructuur waarbij alle opeenvolgende regels rijmen (AAAAAAAA).

31
New cards

Gekruist rijm

Een rijmstructuur waarbij de regels om en om rijmen (ABABABAB).

32
New cards

Omarmend rijm

Een rijmstructuur waarbij de eerste en laatste regel rijmen, en de middelste twee op elkaar (ABBAABBA).

33
New cards

Protagonist

Het hoofdpersonage in een verhaal of toneelstuk.

34
New cards

Antagonist

Het personage dat de tegenspeler is van de protagonist.

35
New cards

Flashforward

Een vooruitwijzing in een verhaal naar gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden.

36
New cards

Tijdvertraging

Een verteltechniek waarbij een korte gebeurtenis zeer uitgebreid wordt omschreven.

37
New cards

Auctorieel hij-vertelstandpunt

Een perspectief waarbij een externe verteller alles weet van alle personages (alwetende verteller).

38
New cards

Antropomorfisme

Het toekennen van menselijke eigenschappen, uiterlijk of gedrag aan niet-menselijke wezens of objecten.

39
New cards

Metoniem

Een naamsverwisseling waarbij iets indirect wordt aangeduid via een nauw verbonden begrip (bijv. 'een glaasje drinken').

40
New cards

Pars pro toto

Een vorm van metonymie waarbij een deel wordt gebruikt om het geheel aan te duiden (bijv. 'neuzen tellen' voor personen).

41
New cards

Litotes

Een stijlfiguur waarbij men iets bevestigt door het tegenovergestelde te ontkennen (bijv. 'niet erg slim').

42
New cards

Onomatopee

Een klanknabootsing, zoals 'tic tac' of 'vroem'.

43
New cards

Paradox

Een schijnbare tegenstelling die op een dieper niveau wel logisch is.

44
New cards

De Tachtigers

Een literaire beweging (188018941880 - 1894) die streefde naar impressionisme en naturalisme.

45
New cards

Avant-Garde

Een vernieuwende literaire stroming tussen de twee wereldoorlogen die brak met traditionele opvattingen.

46
New cards

Sociolinguïstiek

Het vakgebied binnen de taalkunde dat de relatie tussen taalgebruik en de maatschappij bestudeert.

47
New cards

Indo-Europese talen

De overkoepelende taalfamilie waartoe onder andere de Germaanse, Romaanse en Slavische talen behoren.

48
New cards

Sociolect

Een taalvariant die gesproken wordt door een specifieke sociale groep of klasse.

49
New cards

Etnolect

Een taalvariant die bepaald wordt door de etnische afkomst van de sprekers.

50
New cards

Archaïsme

Een verouderde taalvorm, woord of zinsconstructie.

51
New cards

Drogreden

Een redenering die aannemelijk lijkt, maar inhoudelijk niet correct is (schijnreden).

52
New cards

Cirkelredenering

Een drogreden waarbij het standpunt en het argument inhoudelijk hetzelfde zijn.

53
New cards

Syllogisme

Een logische sluitrede bestaande uit een majorpremisse, een minorpremisse en een conclusie.

54
New cards

Neologisme

Een nieuw gevormd woord om een nieuw verschijnsel in de maatschappij aan te duiden.

55
New cards

Porte-manteauwoord

Een woord gevormd door het combineren van twee bestaande woorden, zoals 'brunch' (breakfast+lunchbreakfast + lunch).

56
New cards

Morfologie

De leer van de woordvorming en woordopbouw.

57
New cards

Antoniem

Woorden die elkaars tegengestelde zijn, zoals 'lang' en 'kort'.

58
New cards

Homoniem

Woorden met dezelfde spelling en uitspraak, maar een andere betekenis (bijv. 'arm').

59
New cards

Denotatie

De letterlijke betekenis van een woord.

60
New cards

Connotatie

De figuurlijke of gevoelsmatige betekenis van een woord.

61
New cards

Eponiem

Een woord dat is afgeleid van een eigennaam, zoals 'Zeppelin' of 'Celsius'.

62
New cards

Hyperoniem

Een woord met een ruime betekenis dat andere woorden (hyponiemen) overkoepelt (bijv. 'ouder' is het hyperoniem van 'vader').

63
New cards

Pleonasme

Het gebruik van een overbodig woord dat een eigenschap noemt die al in het hoofdwoord zit (bijv. 'rood bloed').

64
New cards

Tautologie

Het herhalen van een begrip met een ander woord dat nagenoeg dezelfde betekenis heeft (bijv. 'gratis en voor niks').

65
New cards

Tangconstructie

Een stijlfout waarbij woorden die bij elkaar horen te ver uit elkaar staan in een zin.