1/149
Flashcards samengesteld voor het vak Voeding bij Ziekte, gericht op anatomie, fysiologie, metabolisme en ziekteleer.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Centriolen
Twee structuren in het cytoplasma van de cel die essentieel zijn voor de beweging van chromosomen tijdens de celdeling.
Celskelet
Netwerk van proteïnen gegroepeerd tot fijne filamenten of dunne buisjes die stevigheid, steun en beweging van cellulaire structuren verzorgen.

Plasmamembraan
Een dubbellaag van fosfolipiden, proteïnen en koolhydraten die zorgt voor isolatie, bescherming, gevoeligheid en de regulatie van stof-in- en uitgang.
Microvilli
Uitstulpingen van het plasmamembraan die het celoppervlak vergroten om de absorptie van extracellulaire stoffen te verbeteren.
Ribosomen
Cellulaire organellen opgebouwd uit RNA en proteïnen die verantwoordelijk zijn voor de proteïnesynthese.
Peroxisomen
Membraanblaasjes (vesikels) gevuld met enzymen voor het katabolisme van vetzuren en het neutraliseren van ontstane toxische verbindingen.
Lysosomen
Vesikels gevuld met spijsverteringsenzymen die zorgen voor de intracellulaire verwijdering van beschadigde organellen of pathogene micro-organismen.
Golgi-apparaat
Gestapelde platte membranen met holten voor de opslag, wijziging en verpakking van secretieproducten en lysosomale enzymen.
Mitochondrium
Organel met een dubbelmembraan en inwendige plooien dat de metabole enzymen bevat om 95% van de benodigde ATP voor de cel te produceren.
Endoplasmatisch reticulum (ER)
Netwerk van membraanomgeven kanalen in het cytoplasma dat dient voor de synthese, opslag en het transport van secretieproducten.
Ruw ER
Gedeelte van het endoplasmatisch reticulum met gebonden ribosomen dat nieuw gesynthetiseerde proteïnen modificeert en verpakt.
Glad ER
Gedeelte van het ER zonder ribosomen dat lipiden synthetiseert en celspecifieke taken uitvoert zoals alcoholafbraak en calciumopslag.
Nucleus (celkern)
Met een dubbel membraan omgeven organel dat genetische informatie opslaat, verwerkt en het celmetabolisme en de proteïnesynthese reguleert.
Diffusie
Passieve verplaatsing van opgeloste deeltjes van een hoge naar een lage concentratie door het vetgedeelte van het membraan of via een kanaaleiwit.
Osmose
Diffusie van water door een selectief permeabel membraan van een oplossing met lage concentratie opgeloste stoffen naar een hoge concentratie.
Isotoon
Eigenschap van een extracellulaire oplossing waarin de cel haar normale vorm en volume behoudt.
Hypotoon
Eigenschap van een oplossing met een lagere concentratie opgeloste deeltjes, waardoor water de cel instroomt en de cel opzweelt (hemolyse).
Hypertoon
Eigenschap van een oplossing met een hogere concentratie opgeloste deeltjes, waardoor water de cel verlaat en de cel krimpt.
Gefaciliteerde diffusie
Passief transport waarbij specifieke dragereiwitten verbindingen van een hoge naar een lage concentratie door het membraan loodsen.
Actief transport
Transportmechanisme waarbij dragereiwitten met behulp van ATP stoffen tegen het concentratieverschil in door het membraan pompen.
Vesiculair transport
Transport van vloeibare of vaste stoffen in membraanblaasjes (vesikels) binnen of buiten de cel.
Endocytose
Vorm van vesiculair transport waarbij de cel extracellulair materiaal opneemt door insluiting in membraanblaasjes.
Exocytose
Vorm van vesiculair transport waarbij intracellulaire blaasjes fuseren met het plasmamembraan om hun inhoud buiten de cel af te geven.

Vetvrije massa (FFM)
De totale lichaamsmassa exclusief vetweefsel, bestaande uit spiermassa, botmassa en lichaamsvocht.
Vetmassa (FM)
Het totale gewicht van de vetweefsels in het menselijk lichaam.
Huidplooimeting
Een meting van onderhuids vetweefsel op specifieke locaties om het totale lichaamsvetpercentage te schatten.

BIA-meting
Bio-impedantie analyse; een meetmethode met wisselstroom om het lichaamsvocht en de vetvrije massa te berekenen op basis van elektrische weerstand.

Hydrostatische meting
Nauwkeurige onderwaterweging waarbij het verschil in dichtheid tussen vet- en vetvrije massa wordt gebruikt om het lichaamsvolume te bepalen.

BODPOD
Een luchtdicht cabine-apparaat dat via luchtverplaatsing nauwkeurig het lichaamsvolume en de lichaamsdichtheid berekent.

DEXA-scan
De gouden standaard meetmethode die met röntgenstraling botdichtheid, vetmassa en vetvrije massa heel nauwkeurig in kaart brengt.
Sarcopenie
Progressief en gegeneraliseerd verlies van spiermassa en spierkracht, met name voorkomend bij veroudering of ziekte.
Osteoporose
Aandoening gekenmerkt door afgenomen botmassa en verslechtering van botweefsel, leidend tot verhoogde botbreekbaarheid.
Katabolisme
Het stofwisselingsproces waarbij complexe moleculen worden afgebroken tot eenvoudigere moleculen, waarbij energie vrijkomt.
Anabolisme
Het stofwisselingsproces waarbij complexe moleculen worden opgebouwd uit eenvoudigere moleculen, wat energie kost.
Adenosine Trirofosfaat (ATP)
Het voornaamste molecuul voor tijdelijke energie-opslag en -overdracht in biologische cellen.
Adenosine Difosfaat (ADP)
De nucleotide die ontstaat wanneer ATP een fosfaatgroep afsplitst en energie afgeeft aan de cel.
Adenosine Monofosfaat (AMP)
Nucleotide zonder energierijke fosfaatbindingen die opnieuw kan worden opgeladen tot ADP en ATP.
Celademhaling
Het metabole proces waarin glucose met behulp van zuurstof volledig wordt afgebroken tot CO2, H2O en ATP.

Glycolyse
Anaerobe reactieketen in het cytoplasma waarin één glucosemolecuul wordt gesplitst in twee pyruvaatmoleculen met een nettowinst van 2 ATP en 2 NADH.
Pyruvaat
Eindproduct van de glycolyse bestaande uit drie koolstofatomen (ook bekend als pyrodruivenzuur).

Oxidatieve decarboxylering
Aerobe stap in het mitochondrium waarbij pyruvaat wordt omgezet in acetyl-CoA met afsplitsing van CO2 en vorming van NADH.
Acetyl-CoA
Het substraat bestaande uit een acetylgroep gebonden aan co-enzym A dat de citroenzuurcyclus binnenkomt.

Citroenzuurcyclus
Aerobe cyclus in de mitochondriale matrix die acetyl-CoA afbreekt en netto 6 NADH, 2 FADH2 en 2 ATP per glucosemolecuul genereert.
Oxidatieve fosforylering
Proces aan het inwendige mitochondriale membraan waarbij via het elektronentransportsysteem ATP wordt gevormd.
ATP-synthase
Membraanenzym dat kinetische energie van terugstromende H+--protonen gebruikt om een fosfaatgroep aan ADP te koppelen tot ATP.
Niacine
Vitamine B3; een noodzakelijke bouwsteen voor de synthetisering van de co-enzymen NAD+ en NADH.
Riboflavine
Vitamine B2; een essentiële precursor voor de aanmaak van de elektronendrager FAD en FADH2.
Thiamine
Vitamine B1 (in de vorm van TPP); een cruciaal co-enzym bij de oxidatieve decarboxylering van pyruvaat naar acetyl-CoA.
Pyridoxine
Vitamine B6; noodzakelijke cofactor bij de afbraak van aminozuren voor de afsplitsing van aminogroepen.
Directe calorimetrie
Een methode om de energiebehoefte te bepalen door de exacte hoeveelheid warmteafgifte van het lichaam direct te meten.
Indirecte calorimetrie
Bepaling van het rustmetabolisme door de hoeveelheid opgenomen zuurstof en uitgestoten koolstofdioxide in te ademgassen te meten.
Weir-formule
Een wiskundige formule die bij indirecte calorimetrie wordt gebruikt om de energieproductie te berekenen uit de gaswisselingswaarden.

Rustmetabolisme (REE)
Het totale energieverbruik van het menselijk lichaam in rust toestand voor het in stand houden van vitale lichaamsfuncties.
Harris & Benedict-formule
Een formule ter berekening van het rustmetabolisme op basis van gewicht, lengte, leeftijd en geslacht, aanbevolen bij BMI > 30.
Schofield-formule
Een specifieke schattingsformule die wordt gebruikt om de rustenergiebehoefte bij kinderen vast te stellen.
Thermogeen effect van voedsel (TEF)
De hoeveelheid energie die het lichaam gebruikt voor de vertering, opname en verwerking van voedingsstoffen (circa 10% van het TEE).
Basaalmetabolisme (BMR)
Het minimale energieverbruik gemeten onder gestandaardiseerde, rustige en thermoneutrale omstandigheden in de ochtend.
Fysieke activiteiten geïndiceerd metabolisme (AEE)
Het gedeelte van het totale energieverbruik dat veroorzaakt wordt door lichamelijke beweging en sport.
Physical Activity Index (PAI)
Verhoudingsgetal tussen de mate van lichamelijke activiteit en het basaalmetabolisme (PAI=BMRAEE).
Totaal energieverbruik (TEE)
De totale dagelijkse hoeveelheid verbrande energie, berekend door het rustmetabolisme te vermenigvuldigen met de PAL-waarde.
PAL-waarde
Physical Activity Level; een vermenigvuldigingsfactor die de gemiddelde dagelijkse lichamelijke activiteit van een persoon uitdrukt.
Vestibulum nasi
Het voorste gedeelte van de neusholte waar inademingslucht wordt binnengeleid, gefilterd en verwarmd.
Pharynx
De keelholte; de gemeenschappelijke doorgang voor zowel lucht richting de trachea als voeding richting de oesofagus.
Larynx
Het strottenhoofd waarin zich de stembanden bevinden en dat de toegang tot de luchtwegen afsluit tijdens het slikken.
Epiglottis
Het strotklepje dat de luchtwegen afdekt tijdens het slikken om te voorkomen dat voedsel in de trachea komt.
Trachea
De met kraakbeenringen verstevigde buis (luchtpijp) die ademlucht van de larynx naar de hoofdbronchiën geleidt.
Bronchioles
Kleine, gespierde luchtwegvertakkingen in de longen die de luchtpijptakken verbinden met de alveoli.
Alveoli
Microscopische longblaasjes met een groot oppervlak waar de gaswisseling tussen lucht en bloed plaatsvindt.
Pleura visceralis
Het binnenste longvlies dat rechtstreeks op het buitenste oppervlak van het longweefsel is gehecht.
Pleura pariëtalis
Het buitenste longvlies dat verkleefd is met de binnenwand van de borstkas en het diafragma.

Orale fase van slikken
Eerste willekeurige slikfase waarin voedsel wordt fijngemalen, vermengd met speeksel en door de tong naar de keelholte wordt geduwd.
Faryngeale fase van slikken
Tweede onwillekeurige slikfase waarin de larynx stijgt, het strotklepje sluit en de voedselbolus naar de slokdarm verplaatst wordt.
Oesophagale fase van slikken
Derde slikfase waarin de bolus door peristaltische bewegingen van de slokdarm naar de maag wordt voortbewogen.
Intrapulmonale druk
De luchtdruk binnenin de alveoli van de longen, die schommelt tijdens in- en uitademing rond 760mmHg.
Intrapleurale druk
De druk in de vloestofruimte tussen de twee longvliezen, die continu negatief is t.o.v. de intrapulmonale druk (765mmHg).

Externe respiratie
Het proces van gaswisseling tussen de omgevingslucht in de alveoli en het bloed in de alveolaire capillairen.
Interne respiratie
De diffusie van zuurstof en koolstofdioxide tussen het bloed in de systeemcapillairen en de omliggende weefselcellen.
Verslikken (aspiratie)
Het verkeerd terechtkomen van voedsel, drank of speeksel in de luchtwegen in plaats van de slokdarm.
Aspiratiepneumonie
Een ontsteking van het longweefsel veroorzaakt door het inademen van voedsel, vloeistof of maaginhoud in de longen.
Dysfagie
Een medische slikstoornis waarbij de voortbeweging van voedsel of vocht van mond naar maag is verstoord.

Bloedplasma
De vloeibare matrix van het bloed (ca. 55% van het totale volume) bestaande uit water, eiwitten en opgeloste voeding- en afvalstoffen.
Albuminen
De meest voorkomende plasma-eiwitten (ca. 60%) die primair zorgen voor het behoud van de osmotische druk van het bloed.
Globulinen
Plasma-eiwitten (ca. 35%) waartoe immunoglobulinen (antilichamen) en specifieke transporteiwitten behoren.
Fibrinogeen
Opgelost plasma-eiwit (ca. 4%) dat bij de bloedstolling wordt omgezet in onoplosbare fibrinevezels.
Erytrocyten
Rode bloedcellen; gespecialiseerde cellen zonder celkern die via hemoglobine zuurstof en koolstofdioxide transporteren.
Trombocyten
Bloedplaatjes; kleine kernloze celfragmenten die essentieel zijn voor de initiatie van het stollingsproces.
Leukocyten
Witte bloedcellen; cellen met celkern die verdedigen tegen pathogenen en vreemde of beschadigde stoffen opruimen.
Hematocriet
Het volumepercentage rode bloedcellen ten opzichte van het totale bloedvolume (normaal 42-46%).
Hematopoëse
Het algehele proces van bloedcelvorming dat plaatsvindt in het rode beenmerg.
Erytropoëtine (EPO)
Een door de nieren uitgescheiden hormoon dat de aanmaak van erytrocyten in het beenmerg stimuleert bij zuurstoftekort (hypoxie).
Erytropoëse
Het specifieke proces van vorming en rijping van rode bloedcellen.
Hemolyse
Het afbreken of uiteenvallen van erytrocyten in de bloedsomloop.
Transferrine
Het specifieke transporteiwit in het bloedplasma dat ijzer naar het beenmerg of opslagweefsels vervoert.
Leukopenie
Een medische toestand gekenmerkt door een abnormaal laag aantal witte bloedcellen in het bloed.
Leukocytose
Een abnormaal verhoogd aantal witte bloedcellen in het bloed, meestal duidend op een infectie of ontsteking.
Vasculaire fase van bloedstolling
De eerste fase na vaatbeschadiging waarbij de gladde spieren van het vat samenspannen (vasoconstrictie) en het endotheel kleverig wordt.
Bloedplaatjesfase
De tweede fase van bloedstolling waarin trombocyten zich hechten aan het endotheel en elkaar om een bloedplaatjesprop te vormen.

Coagulatiefase
De derde stollingsfase waarin een cascade van stollingsfactoren fibrinogeen omzet in onoplosbaar fibrine.
Trombine
Enzym dat uit protrombine wordt gevormd en verantwoordelijk is voor de omzetting van fibrinogeen in fibrine.
Fibrine
Onoplosbare eiwitdraden die een hecht netwerk vormen over de bloedplaatjesprop om het stolsel te verankeren.