Voeding bij Ziekte: Fysiologie, Celbiologie en Metabolisme

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/149

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Flashcards samengesteld voor het vak Voeding bij Ziekte, gericht op anatomie, fysiologie, metabolisme en ziekteleer.

Last updated 10:06 AM on 9/2/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

150 Terms

1
New cards

Centriolen

Twee structuren in het cytoplasma van de cel die essentieel zijn voor de beweging van chromosomen tijdens de celdeling.

2
New cards

Celskelet

Netwerk van proteïnen gegroepeerd tot fijne filamenten of dunne buisjes die stevigheid, steun en beweging van cellulaire structuren verzorgen.

3
New cards
<p>Plasmamembraan</p>

Plasmamembraan

Een dubbellaag van fosfolipiden, proteïnen en koolhydraten die zorgt voor isolatie, bescherming, gevoeligheid en de regulatie van stof-in- en uitgang.

4
New cards

Microvilli

Uitstulpingen van het plasmamembraan die het celoppervlak vergroten om de absorptie van extracellulaire stoffen te verbeteren.

5
New cards

Ribosomen

Cellulaire organellen opgebouwd uit RNA en proteïnen die verantwoordelijk zijn voor de proteïnesynthese.

6
New cards

Peroxisomen

Membraanblaasjes (vesikels) gevuld met enzymen voor het katabolisme van vetzuren en het neutraliseren van ontstane toxische verbindingen.

7
New cards

Lysosomen

Vesikels gevuld met spijsverteringsenzymen die zorgen voor de intracellulaire verwijdering van beschadigde organellen of pathogene micro-organismen.

8
New cards

Golgi-apparaat

Gestapelde platte membranen met holten voor de opslag, wijziging en verpakking van secretieproducten en lysosomale enzymen.

9
New cards

Mitochondrium

Organel met een dubbelmembraan en inwendige plooien dat de metabole enzymen bevat om 95%95\% van de benodigde ATP voor de cel te produceren.

10
New cards

Endoplasmatisch reticulum (ER)

Netwerk van membraanomgeven kanalen in het cytoplasma dat dient voor de synthese, opslag en het transport van secretieproducten.

11
New cards

Ruw ER

Gedeelte van het endoplasmatisch reticulum met gebonden ribosomen dat nieuw gesynthetiseerde proteïnen modificeert en verpakt.

12
New cards

Glad ER

Gedeelte van het ER zonder ribosomen dat lipiden synthetiseert en celspecifieke taken uitvoert zoals alcoholafbraak en calciumopslag.

13
New cards

Nucleus (celkern)

Met een dubbel membraan omgeven organel dat genetische informatie opslaat, verwerkt en het celmetabolisme en de proteïnesynthese reguleert.

14
New cards

Diffusie

Passieve verplaatsing van opgeloste deeltjes van een hoge naar een lage concentratie door het vetgedeelte van het membraan of via een kanaaleiwit.

15
New cards

Osmose

Diffusie van water door een selectief permeabel membraan van een oplossing met lage concentratie opgeloste stoffen naar een hoge concentratie.

16
New cards

Isotoon

Eigenschap van een extracellulaire oplossing waarin de cel haar normale vorm en volume behoudt.

17
New cards

Hypotoon

Eigenschap van een oplossing met een lagere concentratie opgeloste deeltjes, waardoor water de cel instroomt en de cel opzweelt (hemolyse).

18
New cards

Hypertoon

Eigenschap van een oplossing met een hogere concentratie opgeloste deeltjes, waardoor water de cel verlaat en de cel krimpt.

19
New cards

Gefaciliteerde diffusie

Passief transport waarbij specifieke dragereiwitten verbindingen van een hoge naar een lage concentratie door het membraan loodsen.

20
New cards

Actief transport

Transportmechanisme waarbij dragereiwitten met behulp van ATP stoffen tegen het concentratieverschil in door het membraan pompen.

21
New cards

Vesiculair transport

Transport van vloeibare of vaste stoffen in membraanblaasjes (vesikels) binnen of buiten de cel.

22
New cards

Endocytose

Vorm van vesiculair transport waarbij de cel extracellulair materiaal opneemt door insluiting in membraanblaasjes.

23
New cards

Exocytose

Vorm van vesiculair transport waarbij intracellulaire blaasjes fuseren met het plasmamembraan om hun inhoud buiten de cel af te geven.

24
New cards
<p>Vetvrije massa (FFM)</p>

Vetvrije massa (FFM)

De totale lichaamsmassa exclusief vetweefsel, bestaande uit spiermassa, botmassa en lichaamsvocht.

25
New cards

Vetmassa (FM)

Het totale gewicht van de vetweefsels in het menselijk lichaam.

26
New cards

Huidplooimeting

Een meting van onderhuids vetweefsel op specifieke locaties om het totale lichaamsvetpercentage te schatten.

27
New cards
<p>BIA-meting</p>

BIA-meting

Bio-impedantie analyse; een meetmethode met wisselstroom om het lichaamsvocht en de vetvrije massa te berekenen op basis van elektrische weerstand.

28
New cards
<p>Hydrostatische meting</p>

Hydrostatische meting

Nauwkeurige onderwaterweging waarbij het verschil in dichtheid tussen vet- en vetvrije massa wordt gebruikt om het lichaamsvolume te bepalen.

29
New cards
<p>BODPOD</p>

BODPOD

Een luchtdicht cabine-apparaat dat via luchtverplaatsing nauwkeurig het lichaamsvolume en de lichaamsdichtheid berekent.

30
New cards
<p>DEXA-scan</p>

DEXA-scan

De gouden standaard meetmethode die met röntgenstraling botdichtheid, vetmassa en vetvrije massa heel nauwkeurig in kaart brengt.

31
New cards

Sarcopenie

Progressief en gegeneraliseerd verlies van spiermassa en spierkracht, met name voorkomend bij veroudering of ziekte.

32
New cards

Osteoporose

Aandoening gekenmerkt door afgenomen botmassa en verslechtering van botweefsel, leidend tot verhoogde botbreekbaarheid.

33
New cards

Katabolisme

Het stofwisselingsproces waarbij complexe moleculen worden afgebroken tot eenvoudigere moleculen, waarbij energie vrijkomt.

34
New cards

Anabolisme

Het stofwisselingsproces waarbij complexe moleculen worden opgebouwd uit eenvoudigere moleculen, wat energie kost.

35
New cards

Adenosine Trirofosfaat (ATP)

Het voornaamste molecuul voor tijdelijke energie-opslag en -overdracht in biologische cellen.

36
New cards

Adenosine Difosfaat (ADP)

De nucleotide die ontstaat wanneer ATP een fosfaatgroep afsplitst en energie afgeeft aan de cel.

37
New cards

Adenosine Monofosfaat (AMP)

Nucleotide zonder energierijke fosfaatbindingen die opnieuw kan worden opgeladen tot ADP en ATP.

38
New cards

Celademhaling

Het metabole proces waarin glucose met behulp van zuurstof volledig wordt afgebroken tot CO2CO_2, H2OH_2O en ATP.

39
New cards
<p>Glycolyse</p>

Glycolyse

Anaerobe reactieketen in het cytoplasma waarin één glucosemolecuul wordt gesplitst in twee pyruvaatmoleculen met een nettowinst van 2 ATP en 2 NADH.

40
New cards

Pyruvaat

Eindproduct van de glycolyse bestaande uit drie koolstofatomen (ook bekend als pyrodruivenzuur).

41
New cards
<p>Oxidatieve decarboxylering</p>

Oxidatieve decarboxylering

Aerobe stap in het mitochondrium waarbij pyruvaat wordt omgezet in acetyl-CoA met afsplitsing van CO2CO_2 en vorming van NADH.

42
New cards

Acetyl-CoA

Het substraat bestaande uit een acetylgroep gebonden aan co-enzym A dat de citroenzuurcyclus binnenkomt.

43
New cards
<p>Citroenzuurcyclus</p>

Citroenzuurcyclus

Aerobe cyclus in de mitochondriale matrix die acetyl-CoA afbreekt en netto 6 NADH, 2 FADH2 en 2 ATP per glucosemolecuul genereert.

44
New cards

Oxidatieve fosforylering

Proces aan het inwendige mitochondriale membraan waarbij via het elektronentransportsysteem ATP wordt gevormd.

45
New cards

ATP-synthase

Membraanenzym dat kinetische energie van terugstromende H+H^+--protonen gebruikt om een fosfaatgroep aan ADP te koppelen tot ATP.

46
New cards

Niacine

Vitamine B3; een noodzakelijke bouwsteen voor de synthetisering van de co-enzymen NAD+ en NADH.

47
New cards

Riboflavine

Vitamine B2; een essentiële precursor voor de aanmaak van de elektronendrager FAD en FADH2.

48
New cards

Thiamine

Vitamine B1 (in de vorm van TPP); een cruciaal co-enzym bij de oxidatieve decarboxylering van pyruvaat naar acetyl-CoA.

49
New cards

Pyridoxine

Vitamine B6; noodzakelijke cofactor bij de afbraak van aminozuren voor de afsplitsing van aminogroepen.

50
New cards

Directe calorimetrie

Een methode om de energiebehoefte te bepalen door de exacte hoeveelheid warmteafgifte van het lichaam direct te meten.

51
New cards

Indirecte calorimetrie

Bepaling van het rustmetabolisme door de hoeveelheid opgenomen zuurstof en uitgestoten koolstofdioxide in te ademgassen te meten.

52
New cards

Weir-formule

Een wiskundige formule die bij indirecte calorimetrie wordt gebruikt om de energieproductie te berekenen uit de gaswisselingswaarden.

53
New cards
<p>Rustmetabolisme (REE)</p>

Rustmetabolisme (REE)

Het totale energieverbruik van het menselijk lichaam in rust toestand voor het in stand houden van vitale lichaamsfuncties.

54
New cards

Harris & Benedict-formule

Een formule ter berekening van het rustmetabolisme op basis van gewicht, lengte, leeftijd en geslacht, aanbevolen bij BMI > 30.

55
New cards

Schofield-formule

Een specifieke schattingsformule die wordt gebruikt om de rustenergiebehoefte bij kinderen vast te stellen.

56
New cards

Thermogeen effect van voedsel (TEF)

De hoeveelheid energie die het lichaam gebruikt voor de vertering, opname en verwerking van voedingsstoffen (circa 10% van het TEE).

57
New cards

Basaalmetabolisme (BMR)

Het minimale energieverbruik gemeten onder gestandaardiseerde, rustige en thermoneutrale omstandigheden in de ochtend.

58
New cards

Fysieke activiteiten geïndiceerd metabolisme (AEE)

Het gedeelte van het totale energieverbruik dat veroorzaakt wordt door lichamelijke beweging en sport.

59
New cards

Physical Activity Index (PAI)

Verhoudingsgetal tussen de mate van lichamelijke activiteit en het basaalmetabolisme (PAI=AEEBMRPAI = \frac{AEE}{BMR}).

60
New cards

Totaal energieverbruik (TEE)

De totale dagelijkse hoeveelheid verbrande energie, berekend door het rustmetabolisme te vermenigvuldigen met de PAL-waarde.

61
New cards

PAL-waarde

Physical Activity Level; een vermenigvuldigingsfactor die de gemiddelde dagelijkse lichamelijke activiteit van een persoon uitdrukt.

62
New cards

Vestibulum nasi

Het voorste gedeelte van de neusholte waar inademingslucht wordt binnengeleid, gefilterd en verwarmd.

63
New cards

Pharynx

De keelholte; de gemeenschappelijke doorgang voor zowel lucht richting de trachea als voeding richting de oesofagus.

64
New cards

Larynx

Het strottenhoofd waarin zich de stembanden bevinden en dat de toegang tot de luchtwegen afsluit tijdens het slikken.

65
New cards

Epiglottis

Het strotklepje dat de luchtwegen afdekt tijdens het slikken om te voorkomen dat voedsel in de trachea komt.

66
New cards

Trachea

De met kraakbeenringen verstevigde buis (luchtpijp) die ademlucht van de larynx naar de hoofdbronchiën geleidt.

67
New cards

Bronchioles

Kleine, gespierde luchtwegvertakkingen in de longen die de luchtpijptakken verbinden met de alveoli.

68
New cards

Alveoli

Microscopische longblaasjes met een groot oppervlak waar de gaswisseling tussen lucht en bloed plaatsvindt.

69
New cards

Pleura visceralis

Het binnenste longvlies dat rechtstreeks op het buitenste oppervlak van het longweefsel is gehecht.

70
New cards

Pleura pariëtalis

Het buitenste longvlies dat verkleefd is met de binnenwand van de borstkas en het diafragma.

71
New cards
<p>Orale fase van slikken</p>

Orale fase van slikken

Eerste willekeurige slikfase waarin voedsel wordt fijngemalen, vermengd met speeksel en door de tong naar de keelholte wordt geduwd.

72
New cards

Faryngeale fase van slikken

Tweede onwillekeurige slikfase waarin de larynx stijgt, het strotklepje sluit en de voedselbolus naar de slokdarm verplaatst wordt.

73
New cards

Oesophagale fase van slikken

Derde slikfase waarin de bolus door peristaltische bewegingen van de slokdarm naar de maag wordt voortbewogen.

74
New cards

Intrapulmonale druk

De luchtdruk binnenin de alveoli van de longen, die schommelt tijdens in- en uitademing rond 760mmHg760\,mmHg.

75
New cards

Intrapleurale druk

De druk in de vloestofruimte tussen de twee longvliezen, die continu negatief is t.o.v. de intrapulmonale druk (765mmHg765\,mmHg).

76
New cards
<p>Externe respiratie</p>

Externe respiratie

Het proces van gaswisseling tussen de omgevingslucht in de alveoli en het bloed in de alveolaire capillairen.

77
New cards

Interne respiratie

De diffusie van zuurstof en koolstofdioxide tussen het bloed in de systeemcapillairen en de omliggende weefselcellen.

78
New cards

Verslikken (aspiratie)

Het verkeerd terechtkomen van voedsel, drank of speeksel in de luchtwegen in plaats van de slokdarm.

79
New cards

Aspiratiepneumonie

Een ontsteking van het longweefsel veroorzaakt door het inademen van voedsel, vloeistof of maaginhoud in de longen.

80
New cards

Dysfagie

Een medische slikstoornis waarbij de voortbeweging van voedsel of vocht van mond naar maag is verstoord.

81
New cards
<p>Bloedplasma</p>

Bloedplasma

De vloeibare matrix van het bloed (ca. 55% van het totale volume) bestaande uit water, eiwitten en opgeloste voeding- en afvalstoffen.

82
New cards

Albuminen

De meest voorkomende plasma-eiwitten (ca. 60%) die primair zorgen voor het behoud van de osmotische druk van het bloed.

83
New cards

Globulinen

Plasma-eiwitten (ca. 35%) waartoe immunoglobulinen (antilichamen) en specifieke transporteiwitten behoren.

84
New cards

Fibrinogeen

Opgelost plasma-eiwit (ca. 4%) dat bij de bloedstolling wordt omgezet in onoplosbare fibrinevezels.

85
New cards

Erytrocyten

Rode bloedcellen; gespecialiseerde cellen zonder celkern die via hemoglobine zuurstof en koolstofdioxide transporteren.

86
New cards

Trombocyten

Bloedplaatjes; kleine kernloze celfragmenten die essentieel zijn voor de initiatie van het stollingsproces.

87
New cards

Leukocyten

Witte bloedcellen; cellen met celkern die verdedigen tegen pathogenen en vreemde of beschadigde stoffen opruimen.

88
New cards

Hematocriet

Het volumepercentage rode bloedcellen ten opzichte van het totale bloedvolume (normaal 42-46%).

89
New cards

Hematopoëse

Het algehele proces van bloedcelvorming dat plaatsvindt in het rode beenmerg.

90
New cards

Erytropoëtine (EPO)

Een door de nieren uitgescheiden hormoon dat de aanmaak van erytrocyten in het beenmerg stimuleert bij zuurstoftekort (hypoxie).

91
New cards

Erytropoëse

Het specifieke proces van vorming en rijping van rode bloedcellen.

92
New cards

Hemolyse

Het afbreken of uiteenvallen van erytrocyten in de bloedsomloop.

93
New cards

Transferrine

Het specifieke transporteiwit in het bloedplasma dat ijzer naar het beenmerg of opslagweefsels vervoert.

94
New cards

Leukopenie

Een medische toestand gekenmerkt door een abnormaal laag aantal witte bloedcellen in het bloed.

95
New cards

Leukocytose

Een abnormaal verhoogd aantal witte bloedcellen in het bloed, meestal duidend op een infectie of ontsteking.

96
New cards

Vasculaire fase van bloedstolling

De eerste fase na vaatbeschadiging waarbij de gladde spieren van het vat samenspannen (vasoconstrictie) en het endotheel kleverig wordt.

97
New cards

Bloedplaatjesfase

De tweede fase van bloedstolling waarin trombocyten zich hechten aan het endotheel en elkaar om een bloedplaatjesprop te vormen.

98
New cards
<p>Coagulatiefase</p>

Coagulatiefase

De derde stollingsfase waarin een cascade van stollingsfactoren fibrinogeen omzet in onoplosbaar fibrine.

99
New cards

Trombine

Enzym dat uit protrombine wordt gevormd en verantwoordelijk is voor de omzetting van fibrinogeen in fibrine.

100
New cards

Fibrine

Onoplosbare eiwitdraden die een hecht netwerk vormen over de bloedplaatjesprop om het stolsel te verankeren.