JAL - HC 8 Kernbegrippen

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/67

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 12:28 PM on 8/20/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

68 Terms

1
New cards

Juridisch argumenteren

Niet wezenlijk anders dan gewoon argumenteren (zelfde technieken), maar wel in een bijzondere context met specifieke regels, beginselen, procedures, bevoegdheidsverdelingen en rollen.

2
New cards

Normatieve premissen

Premissen die niet feitelijk zijn, maar gebaseerd op menselijke afspraken. Rechtsregels zeggen hoe iets behoort te zijn.

3
New cards

Rechtsregels

Normatieve waarderingen die aangeven hoe iets behoort te zijn (geen beschrijving van de werkelijkheid).

4
New cards

Analogie

Argumentatieschema dat een vergelijkbaar geval een vergelijkbare oplossing geeft. Krijgt een bijzondere plaats in het recht.

5
New cards

A fortiori

Argumentatieschema: wat geldt voor een minder belangrijk geval, geldt zeker voor een belangrijker geval (en omgekeerd). Krijgt een bijzondere plaats in het recht.

6
New cards

A contrario

Argumentatieschema: omdat de wet iets voor een bepaald geval voorschrijft, geldt het tegengestelde voor andere gevallen. Krijgt een bijzondere plaats in het recht.

7
New cards

Systematische interpretatie

Interpretatiemethode die wetsbepalingen plaatst in de context van het hele rechtssysteem, puttend uit coherentie en consistentie.

8
New cards

Argument (juridisch)

In de juridische context: een “middel” waarop een partij zich beroept; bestaat uit feitelijke en juridische elementen. Zie art. 702, 3° Ger.W.: dagvaarding moet een korte samenvatting van de middelen van de vordering bevatten.

9
New cards

Middel (juridisch argument)

Het argument waarop een partij zich beroept. Bestaat uit feitelijke en juridische elementen die de vordering onderbouwen. Opgepast: middelen ≠ rechtsmiddel ≠ bewijsmiddel.

10
New cards

Rechtsmiddel

Procedureel instrument om een rechterlijke uitspraak aan te vechten of te laten herzien (hoger beroep, verzet, cassatie). Niet te verwarren met “middel” (argument).

11
New cards

Bewijsmiddel

Heeft twee betekenissen: (1) drager van informatie (bv. e-mail, getuigenverklaring, foto, akte); (2) bewijzende inhoud (wat in de e-mail staat, wat de getuige verklaart, wat op de foto staat).

12
New cards

Tegenargument

Verweermiddel – argument van de verwerende partij.

13
New cards

Verweermiddelen

Tegenargumenten van de verweerder. Onderverdeeld in: (1) inhoudelijke/materieelrechtelijke verweermiddelen; (2) procesrechtelijke verweermiddelen = excepties.

14
New cards

Exceptie

Procesrechtelijk verweermiddel (bv. onvolledige of onregelmatige dagvaarding).

15
New cards

Vordering

De juridische eis die de eiser stelt uit zijn middelen; het gevorderde rechtsgevolg.

16
New cards

Bevestigingsbias

Neiging om informatie te zoeken of te interpreteren die de eigen vooroordelen bevestigt. Komt ook voor bij rechters.

17
New cards

Opvattingspersistentie

Synoniem voor perseverance effect: het hardnekkig vasthouden aan een initiële overtuiging, ook bij tegengesteld bewijs.

18
New cards

Hindsight bias

De neiging om een gebeurtenis achteraf als voorspelbaar te beschouwen, ook al was dat vooraf niet het geval.

19
New cards

Perseverance effect

Psychologisch fenomeen: eerste informatie heeft een blijvende invloed op het eindoordeel.

20
New cards

Framing

De manier waarop een probleem wordt gepresenteerd (kader) beïnvloedt de beslissing.

21
New cards

Geschil

Een conflict tussen partijen dat nog niet noodzakelijk aan de rechter is voorgelegd.

22
New cards

Geding

Een conflict dat voor de rechter wordt gebracht.

23
New cards

Accusatoir karakter

Kenmerk van de burgerrechtelijke procedure: partijen hebben de leiding en sturen het debat; de rechter beslist binnen de contouren van het partijdebat.

24
New cards

Inquisitoir karakter

Kenmerk van de strafrechtelijke procedure: de overheid (Openbaar Ministerie) heeft de leiding, vooral in de voorbereidende fase.

25
New cards

Eis (vordering)

De vordering waarmee het geding start.

26
New cards

Eiser

De partij die als eerste iets eist.

27
New cards

Verweerder

De partij die zich verweert tegen de eis.

28
New cards

Appellant

De partij die in hoger beroep gaat.

29
New cards

Geïntimeerde

De verwerende partij in hoger beroep.

30
New cards

Eiser in cassatie

De partij die cassatieberoep instelt.

31
New cards

Verweerder in cassatie

De verwerende partij in cassatie.

32
New cards

Hoofdeis

De eerste eis in een procedure.

33
New cards

Tegeneis

Een eis van de verweerder na de hoofdeis.

34
New cards

Subsidiaire argumenten

Argumenten voor het geval het hoofdargument niet wordt aanvaard.

35
New cards

Dagvaarding

Akte waarmee een geding wordt ingeleid; bevat o.m. de middelen van de vordering.

36
New cards

Verzoekschrift

Akte waarmee een geding wordt ingeleid in bepaalde zaken; neergelegd op de griffie.

37
New cards

Vrijwillige verschijning

Gezamenlijke vraag van partijen om het geding in te leiden zonder dagvaarding of verzoekschrift.

38
New cards

Conclusie (schriftelijk)

Schriftelijk onderdeel van de debatten.

39
New cards

Pleidooi

Mondeling onderdeel van de debatten.

40
New cards

Akte van hoger beroep

Rechtsmiddel om een uitspraak aan te vechten bij een hogere rechter.

41
New cards

Voorziening in cassatie

Cassatieberoep tegen verkeerde toepassing van het recht.

42
New cards

Vonnis

Rechterlijke uitspraak van lagere rechtbanken.

43
New cards

Arrest

Rechterlijke uitspraak van hogere rechtbanken.

44
New cards

Motiveringsverplichting

Verplichting van de rechter om zijn beslissing te verantwoorden.

45
New cards

Obiter dicta

Niet-dragende overwegingen van de rechter.

46
New cards

Rationes decidendi

Dragende argumenten van de uitspraak.

47
New cards

Motivering (argumentatio)

Inhoudelijke redenering van de rechter.

48
New cards

Dispositief (propositio)

Het eigenlijke oordeel van de rechter.

49
New cards

Rechtsfeit

Een juridisch relevant feit dat een rechtsregel activeert.

50
New cards

Bewijsvoering

Het verzamelen van bewijsstukken.

51
New cards

Bewijsregeling

De wettelijke regels rond bewijs.

52
New cards

Bewijswaarde

De overtuigingskracht van een bewijsmiddel.

53
New cards

Wettelijke bewijswaarde

Door de wet vastgelegde bewijswaarde.

54
New cards

Authentieke akte

Door een openbaar ambtenaar opgesteld geschrift met volledig bewijs.

55
New cards

Onderhandse akte

Door partijen ondertekend geschrift met bewijswaarde.

56
New cards

Begin van bewijs door geschrift

Geschrift dat een rechtshandeling waarschijnlijk maakt maar onvoldoende is op zichzelf.

57
New cards

Volledig bewijs

Bewijsmiddel dat op zichzelf volstaat.

58
New cards

Feitelijk vermoeden

Afleiding van onbekende feiten uit bekende feiten.

59
New cards

Tegenbewijs

Bewijs om de tegenpartij te ontkrachten.

60
New cards

Bewijs van tegendeel

Bewijs dat het tegenovergestelde aantoont.

61
New cards

Aanvoeringslast

Verplichting om feiten aan te voeren.

62
New cards

Bewijslast

Wie moet bewijzen.

63
New cards

Bewijsrisico

Wie het risico draagt bij onvoldoende bewijs.

64
New cards

Verbod op rechtsweigering

De rechter moet altijd uitspraak doen.

65
New cards

Feitenfiltering

Kloof tussen werkelijke en juridisch aanvaarde feiten.

66
New cards

Regulariteit van het bewijs

Bewijs moet voldoen aan wettelijke regels.

67
New cards

Beroepsgeheim

Geheimhoudingsplicht van o.a. advocaten.

68
New cards

Is/ought-drogredenering

Foutieve overgang van feit naar norm zonder rechtsregel.