1/76
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
Ik ben een vrouw.
I am a woman.
De man drinkt melk.
The man drinks milk.
Hij eet een appel.
He is eating an apple.
Je bent een kind.
You are a child.
We drinken water en we eten rijst.
We drink water and we eat rice.
De vrouwen lezen de krant.
The women are reading the newspaper.
Dat is een man.
That is a man.
Ze hebben het boek.
They have the book.
De kinderen lezen het menu.
The children are reading the menu.
Hoi, hoe gaat het?
Hello, how are you?
Goed, dank je.
Good, thank you.
Tot ziens!
Goodbye!
Doei!
Bye!
Ik spreek een beetje Nederlands.
I speak a little Dutch.
Goedenavond!
Good evening!
Nee, hij drinkt geen sap.
No, he doesn't drink juice.
Hij drinkt de melk niet.
He doesn't drink the milk.
We zijn geen jongens.
We are not boys.
Ik ben geen kind.
I am not a child.
Nee, het meisje spreekt niet.
No, the girl does not speak.
alsjeblieft
please
de appel
the apple
geen
not, not a
niet
not, do not
engels
the English language
een beetje (het)
a little bit
nederlands
the Dutch language
vlaams
the Flemish language
spreken
to speak
goed
well, fine, good
Hoe gaat het?
How are you?
dank je
thanks
Het spijt me.
I'm sorry.
sorry
sorry
pardon
excuse me
oké
okay
nee
no
dank je wel
thank you
ja
yes
goedemorgen
good morning
welterusten
good night
goedendag
good day
hoi
hi
hallo
hello
dag
hello, bye, day
bedankt
thanks, thanked
lezen
to read
hebben
to have
dat
that
zijn
to be
het menu
the menu
de krant
the newspaper
drinken
to drink
de boterham
the sandwich, slice of bread
jullie
you (pl)
eten
to eat
het eten
the food/eating
de rijst
the rice
we
we
je
you
het water
the water
het sap
the juice
het brood
the bread
het
it
de melk
the milk
ze
she
of
or
hij
he
het meisje
the girl
het kind
the child
de jongen
the boy
een
an, a
de vrouw
the woman
en
and
de man
the man
ik
I
ze
they