Bio H1 evolutie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/59

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 11:34 AM on 8/10/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

60 Terms

1
New cards

Wat bestudeert biologie?

Het leven.

2
New cards

Wat is een open systeem?

Een systeem dat voortdurend energie en materie uitwisselt met de omgeving.

3
New cards

Wat is gradualisme?

Veranderingen gebeuren geleidelijk via kleine, opeenvolgende stappen.

4
New cards

Wat is catastrofisme?

Natuurrampen zorgen voor uitsterven, waarna nieuwe soorten verschijnen zonder evolutionaire overgang.

5
New cards

Wat is het kernidee van Lamarckisme?

Evolutie is doelgericht en verworven eigenschappen worden doorgegeven aan nakomelingen.

6
New cards

Wat betekent 'unity of life' bij Darwin?

Levende organismen vertonen overeenkomsten en verwantschap.

7
New cards

Wat betekent 'diversity of life' bij Darwin?

Er bestaat een grote diversiteit aan organismen.

8
New cards

Wat betekent 'adaptation' bij Darwin?

Organismen zijn aangepast aan hun omgeving.

9
New cards

Wat is Darwins eerste observatie voor natuurlijke selectie?

Binnen een populatie bestaat veel variatie.

10
New cards

Wat is Darwins tweede observatie voor natuurlijke selectie?

Organismen produceren meer nakomelingen dan de omgeving aankan.

11
New cards

Wat gebeurt er bij natuurlijke selectie?

Individuen met voordelige erfelijke eigenschappen overleven en planten zich gemiddeld meer voort.

12
New cards

Wat gebeurt er over generaties door natuurlijke selectie?

Gunstige erfelijke eigenschappen nemen toe in de populatie.

13
New cards

Wat betekent 'survival of the fittest'?

De best aan de omgeving aangepaste individuen hebben meer kans op overleving en voortplanting.

14
New cards

Waarop kan natuurlijke selectie alleen werken?

Op bestaande genetische variatie.

15
New cards

Heeft evolutie een concreet doel?

Nee.

16
New cards

Waardoor wordt evolutie beperkt?

Door de omstandigheden.

17
New cards

Wat zijn aanpassingen vaak?

Compromissen: een voordeel kan gepaard gaan met een nadeel.

18
New cards

Welke factoren interageren bij evolutie?

Toeval, natuurlijke selectie en de omgeving.

19
New cards

Wat is directionele selectie?

Eén extreme kenmerktoestand wordt generatie na generatie bevoordeeld.

20
New cards

Wat is het gevolg van directionele selectie?

De populatie verschuift fenotypisch (= micro-evolutie).

21
New cards

Wat is stabiliserende selectie?

De gemiddelde kenmerktoestand wordt bevoordeeld; extremen worden benadeeld.

22
New cards

Wat gebeurt er met de variatie bij stabiliserende selectie?

De genotypische diversiteit/variatie neemt af.

23
New cards

Wat is disruptieve selectie?

Beide extreme kenmerktoestanden worden bevoordeeld tegenover het gemiddelde.

24
New cards

Wat kan disruptieve selectie bevorderen?

Soortvorming.

25
New cards

Wat is seksuele selectie?

Selectie van kenmerken die het parings- of voortplantingssucces verhogen.

26
New cards

Wat is intraseksuele selectie?

Competitie tussen individuen van hetzelfde geslacht, bv. hertengevechten.

27
New cards

Wat is interseksuele selectie?

Voorkeur van het ene geslacht voor bepaalde kenmerken bij het andere geslacht.

28
New cards

Wat is kunstmatige selectie?

De mens selecteert doelbewust individuen met gewenste eigenschappen.

29
New cards

Wat is genetische drift?

Willekeurige verandering in allelfrequenties door toeval.

30
New cards

Bij welke populaties is genetische drift vooral belangrijk?

Bij kleine populaties.

31
New cards

Wat is het bottleneck-effect?

Een plotse populatieafname waarbij de overlevenden genetisch niet representatief zijn voor de oorspronkelijke populatie.

32
New cards

Geef een voorbeeld van het bottleneck-effect.

Noordelijke zeeolifant of noordelijke witte neushoorn.

33
New cards

Wat is het founder effect?

Een kleine groep scheidt zich af en sticht een nieuwe populatie.

34
New cards

Wat is inteeltdepressie?

Door weinig genetische variatie/inteelt komen nadelige eigenschappen vaker tot uiting.

35
New cards

Wat kan een gevolg zijn van inteeltdepressie?

Nakomelingen kunnen bijvoorbeeld gevoeliger zijn voor ziekten.

36
New cards

Wanneer behoren individuen tot dezelfde soort?

Als ze onderling levensvatbare én vruchtbare nakomelingen kunnen voortbrengen.

37
New cards

Wat onderscheidt een soort van andere soorten?

Reproductieve isolatie.

38
New cards

Wat gebeurt er eerst bij soortvorming?

Populaties raken van elkaar gescheiden.

39
New cards

Wat gebeurt er na scheiding van populaties bij soortvorming?

Ze evolueren afzonderlijk en genetische verschillen stapelen zich op.

40
New cards

Wanneer zijn er uiteindelijk aparte soorten ontstaan?

Wanneer reproductieve isolatie is ontstaan.

41
New cards

Wat is allopatrische soortvorming?

Soortvorming door geografische scheiding waardoor genenuitwisseling stopt of sterk vermindert.

42
New cards

Wat is parapatrische soortvorming?

Populaties leven naast elkaar, maar genenstroom is beperkt door ecologische verschillen.

43
New cards

Wat is sympatrische soortvorming?

Soortvorming zonder geografische scheiding, door reproductieve isolatie binnen hetzelfde gebied.

44
New cards

Geef oorzaken van sympatrische soortvorming.

Bijvoorbeeld niche-specialisatie of partnerkeuze.

45
New cards

Wat is geleidelijke evolutie?

Gradualisme.

46
New cards

Wat is punctuated equilibrium?

Lange periodes van evolutionaire stabiliteit worden afgewisseld met korte periodes van snelle evolutionaire verandering.

47
New cards

Wat zijn de 4 soorten bewijs voor evolutie?

Waarneembare evolutie, homologie, fossielen en biogeografie.

48
New cards

Wat is homologie?

Overeenkomst door een gemeenschappelijke evolutionaire oorsprong.

49
New cards

Geef een voorbeeld van homologie bij tetrapoden.

Dezelfde basisbouw van de voorste ledematen.

50
New cards

Geef een cellulair voorbeeld van homologie.

Cilia hebben dezelfde basisstructuur bij mens en pantoffeldiertje.

51
New cards

Wat is Evo-Devo als bewijs voor evolutie?

Anatomische overeenkomsten tussen embryo's van verschillende soorten.

52
New cards

Wat zijn rudimentaire structuren?

Overblijfselen van structuren van evolutionaire voorouders die hun oorspronkelijke functie grotendeels verloren hebben.

53
New cards

Geef voorbeelden van rudimentaire structuren bij de mens.

Wijsheidstanden, staartbeen, kippenvel en plica semilunaris.

54
New cards

Wat is het verschil tussen homoloog en analoog?

Homoloog = gemeenschappelijke evolutionaire oorsprong; analoog = onafhankelijk ontstaan.

55
New cards

Waarmee hangt analogie samen?

Convergente evolutie.

56
New cards

Wat is convergente evolutie?

Verschillende soorten ontwikkelen gelijkaardige aanpassingen door een gelijkaardige omgeving.

57
New cards

Wat is co-evolutie?

Soorten beïnvloeden elkaar wederzijds evolutionair over langere tijd.

58
New cards

Geef een voorbeeld van co-evolutie tussen roofdier en prooi.

Jachtluipaard en gazelle.

59
New cards

Geef een voorbeeld van co-evolutie tussen bestuiver en plant.

Bijvoorbeeld bloemen en bijen of bloemen en kolibries.

60
New cards

Wat betekent co-evolutie bij mutualisme/symbiose?

Beide soorten beïnvloeden elkaar evolutionair en beide halen voordeel uit de interactie.