Nederlandse Woordenschat - Opleiding, Gezondheid, Reizen en Meer

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/59

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Deze flashcards bevatten de belangrijkste woordenschat uit de aangeleverde cursusnotities, inclusief definities voor termen op het gebied van onderwijs, reizen, gezondheid, economie en maatschappij.

Last updated 10:15 AM on 7/11/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

60 Terms

1
New cards

de aandacht

Gerichte interesse of concentratie; in een cursus is er bijvoorbeeld veel aandacht voor grammatica.

2
New cards

het accent

De nadruk in een woord; in het woord "vriendin" ligt het accent op "din".

3
New cards

afleggen

Het maken van een test of examen (bijv. een examen afleggen).

4
New cards

afstuderen

Een studie afronden en een diploma behalen.

5
New cards

behalen

Iets verkrijgen door inspanning, zoals het behalen van een diploma.

6
New cards

de betekenis

De uitleg of definitie van een woord; wat iets betekent.

7
New cards

het certificaat

Een officieel document als bewijs van het afsluiten van een niveau of cursus.

8
New cards

de cursist

Iemand die een cursus volgt.

9
New cards

intensief

Grondig en met veel inspanning; een cursus waarin men in korte tijd veel leert.

10
New cards

onregelmatig

Iets wat niet volgens de standaardregels gaat, zoals een onregelmatig verbum.

11
New cards

slagen (voor)

Een voldoende resultaat behalen voor een test of examen.

12
New cards

zich voorbereiden (op)

Vooraf de nodige acties ondernemen voor een gebeurtenis, zoals het bestuderen van een woordenlijst voor een examen.

13
New cards

de bezienswaardigheid

Een opmerkelijke plaats of een monument dat interessant is voor toeristen.

14
New cards

boeiend

Iets wat heel interessant is en de aandacht vasthoudt.

15
New cards

de douane

De overheidsdienst die op de luchthaven controleert wat reizigers invoeren.

16
New cards

geldig

Iets wat officieel nog gebruikt mag worden, zoals een paspoort dat niet vervallen is.

17
New cards

het visum

Een officiële toestemming om een land binnen te komen.

18
New cards

de ambulance (ziekenwagen)

Een voertuig dat patiënten snel naar het ziekenhuis brengt.

19
New cards

de bloeddruk

De druk van het bloed in de slagaders; deze kan te hoog zijn door stress.

20
New cards

dodelijk

Iets wat de dood kan veroorzaken, zoals een ernstige ziekte.

21
New cards

de EHBO

Afkorting voor Eerste Hulp Bij Ongevallen.

22
New cards

geestelijk

Gerelateerd aan de geest of psyche; synoniem aan psychisch.

23
New cards

genezen

Weer gezond worden na een ziekte.

24
New cards

de hartaanval

Een plotseling en ernstig probleem met het hart.

25
New cards

de huisarts

De dokter waar je als eerste naartoe gaat als je ziek bent.

26
New cards

de koorts

Een lichaamstemperatuur die hoger is dan normaal.

27
New cards

lichamelijk

Gerelateerd aan het lichaam; synoniem aan fysiek.

28
New cards

misselijk

Een onprettig gevoel in de maag waarbij je moet overgeven.

29
New cards

de operatie

Een medische ingreep door een chirurg.

30
New cards

verlamd

Wanneer je een deel van je lichaam niet meer kunt bewegen, bijvoorbeeld na een ongeval.

31
New cards

de fooi

Een extra geldbedrag voor de bediening in een restaurant.

32
New cards

inbegrepen

Wanneer iets al in de totaalprijs zit, zoals bediening op een menukaart.

33
New cards

het ingrediënt

Een bestanddeel van een gerecht of product.

34
New cards

de schotel

Een ander woord voor een gerecht of een maaltijd.

35
New cards

het weerbericht

De informatie over de weersverwachting.

36
New cards

afhalen

Geld uit een automaat trekken (geld afhalen).

37
New cards

de belasting

Geld dat men aan de overheid moet betalen over inkomsten of producten.

38
New cards

contant (cash)

Betalen met fysieke bankbriefjes en munten, niet met een kaart.

39
New cards

de lening

Geld dat je van de bank ontvangt en later met rente moet terugbetalen.

40
New cards

overschrijven

Geld van de ene bankrekening naar de andere bankrekening sturen.

41
New cards

sparen

Geld opzijzetten voor later gebruik.

42
New cards

de wisselkoers

De prijs van een valuta uitgedrukt in een andere valuta.

43
New cards

de verkiezing

Het proces waarbij het volk stemmen uitbrengt om een nieuwe regering of president te kiezen.

44
New cards

de moedertaal

De taal die je van kinds af aan van je ouders leert.

45
New cards

de premier (eerste minister)

De leider van de regering.

46
New cards

het parlement

De volksvertegenwoordiging die stemt over wetten.

47
New cards

verboden

Iets wat volgens de regels of wet niet mag.

48
New cards

verplicht

Iets wat moet volgens de wet of regels, zoals het tonen van een identiteitskaart.

49
New cards

de etalage

De ruit van een winkel waar producten achter staan uitgestald.

50
New cards

ruilen

Een gekocht product terugbrengen naar de winkel in ruil voor iets anders of een andere maat.

51
New cards

het loon

Het salaris dat je ontvangt voor het werk dat je doet.

52
New cards

het nadeel

Een negatieve eigenschap of een minpunt van iets.

53
New cards

arrogant

Wanneer iemand vindt dat hij of zij alles beter weet of beter is dan anderen.

54
New cards

sympathiek

Iemand die aardig en vriendelijk gevonden wordt.

55
New cards

vlot

Iets goed, snel en zonder problemen doen (bijv. vlot schrijven of praten).

56
New cards

onderzoek

Het bestuderen of inspecteren van iets om informatie te verkrijgen.

57
New cards

oppervlakte

De grootte van een gebied in vierkante kilometers (km2km^2).

58
New cards

recycleren

Het hergebruiken van materialen zoals papier, glas en plastic.

59
New cards

bestaan uit

Samengesteld zijn uit bepaalde delen of materialen.

60
New cards

de huurwoning

Een huis of appartement waarvoor je maandelijks huur betaalt aan een eigenaar.