1/59
Deze flashcards bevatten de belangrijkste woordenschat uit de aangeleverde cursusnotities, inclusief definities voor termen op het gebied van onderwijs, reizen, gezondheid, economie en maatschappij.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
de aandacht
Gerichte interesse of concentratie; in een cursus is er bijvoorbeeld veel aandacht voor grammatica.
het accent
De nadruk in een woord; in het woord "vriendin" ligt het accent op "din".
afleggen
Het maken van een test of examen (bijv. een examen afleggen).
afstuderen
Een studie afronden en een diploma behalen.
behalen
Iets verkrijgen door inspanning, zoals het behalen van een diploma.
de betekenis
De uitleg of definitie van een woord; wat iets betekent.
het certificaat
Een officieel document als bewijs van het afsluiten van een niveau of cursus.
de cursist
Iemand die een cursus volgt.
intensief
Grondig en met veel inspanning; een cursus waarin men in korte tijd veel leert.
onregelmatig
Iets wat niet volgens de standaardregels gaat, zoals een onregelmatig verbum.
slagen (voor)
Een voldoende resultaat behalen voor een test of examen.
zich voorbereiden (op)
Vooraf de nodige acties ondernemen voor een gebeurtenis, zoals het bestuderen van een woordenlijst voor een examen.
de bezienswaardigheid
Een opmerkelijke plaats of een monument dat interessant is voor toeristen.
boeiend
Iets wat heel interessant is en de aandacht vasthoudt.
de douane
De overheidsdienst die op de luchthaven controleert wat reizigers invoeren.
geldig
Iets wat officieel nog gebruikt mag worden, zoals een paspoort dat niet vervallen is.
het visum
Een officiële toestemming om een land binnen te komen.
de ambulance (ziekenwagen)
Een voertuig dat patiënten snel naar het ziekenhuis brengt.
de bloeddruk
De druk van het bloed in de slagaders; deze kan te hoog zijn door stress.
dodelijk
Iets wat de dood kan veroorzaken, zoals een ernstige ziekte.
de EHBO
Afkorting voor Eerste Hulp Bij Ongevallen.
geestelijk
Gerelateerd aan de geest of psyche; synoniem aan psychisch.
genezen
Weer gezond worden na een ziekte.
de hartaanval
Een plotseling en ernstig probleem met het hart.
de huisarts
De dokter waar je als eerste naartoe gaat als je ziek bent.
de koorts
Een lichaamstemperatuur die hoger is dan normaal.
lichamelijk
Gerelateerd aan het lichaam; synoniem aan fysiek.
misselijk
Een onprettig gevoel in de maag waarbij je moet overgeven.
de operatie
Een medische ingreep door een chirurg.
verlamd
Wanneer je een deel van je lichaam niet meer kunt bewegen, bijvoorbeeld na een ongeval.
de fooi
Een extra geldbedrag voor de bediening in een restaurant.
inbegrepen
Wanneer iets al in de totaalprijs zit, zoals bediening op een menukaart.
het ingrediënt
Een bestanddeel van een gerecht of product.
de schotel
Een ander woord voor een gerecht of een maaltijd.
het weerbericht
De informatie over de weersverwachting.
afhalen
Geld uit een automaat trekken (geld afhalen).
de belasting
Geld dat men aan de overheid moet betalen over inkomsten of producten.
contant (cash)
Betalen met fysieke bankbriefjes en munten, niet met een kaart.
de lening
Geld dat je van de bank ontvangt en later met rente moet terugbetalen.
overschrijven
Geld van de ene bankrekening naar de andere bankrekening sturen.
sparen
Geld opzijzetten voor later gebruik.
de wisselkoers
De prijs van een valuta uitgedrukt in een andere valuta.
de verkiezing
Het proces waarbij het volk stemmen uitbrengt om een nieuwe regering of president te kiezen.
de moedertaal
De taal die je van kinds af aan van je ouders leert.
de premier (eerste minister)
De leider van de regering.
het parlement
De volksvertegenwoordiging die stemt over wetten.
verboden
Iets wat volgens de regels of wet niet mag.
verplicht
Iets wat moet volgens de wet of regels, zoals het tonen van een identiteitskaart.
de etalage
De ruit van een winkel waar producten achter staan uitgestald.
ruilen
Een gekocht product terugbrengen naar de winkel in ruil voor iets anders of een andere maat.
het loon
Het salaris dat je ontvangt voor het werk dat je doet.
het nadeel
Een negatieve eigenschap of een minpunt van iets.
arrogant
Wanneer iemand vindt dat hij of zij alles beter weet of beter is dan anderen.
sympathiek
Iemand die aardig en vriendelijk gevonden wordt.
vlot
Iets goed, snel en zonder problemen doen (bijv. vlot schrijven of praten).
onderzoek
Het bestuderen of inspecteren van iets om informatie te verkrijgen.
oppervlakte
De grootte van een gebied in vierkante kilometers (km2).
recycleren
Het hergebruiken van materialen zoals papier, glas en plastic.
bestaan uit
Samengesteld zijn uit bepaalde delen of materialen.
de huurwoning
Een huis of appartement waarvoor je maandelijks huur betaalt aan een eigenaar.