1/40
Deze flashcards behandelen de vier sferen van de aarde, de interne gelaagde structuur, atmosferische lagen, platentektoniek, de gesteentecyclus en astronomische fenomenen zoals rotatie en getijden.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Geosfeer
Alle gesteenten waaruit de aarde bestaat.
Atmosfeer
Het mengsel van gassen rond de aarde.
Hydrosfeer
Al het aanwezige water op aarde.
Cryosfeer
Al het water op de aarde in vaste vorm.
Biosfeer
Alle levende organismen op aarde, waaronder planten, dieren en mensen.
Lithosfeer
Het bovenste deel van de aarde bestaande uit vast gesteente dat drijft op de asthenosfeer; het beslaat ongeveer 1% van de dikte van de aarde.
Asthenosfeer
De plastische of taaivloeibare laag onder de lithosfeer die tot een diepte van 660km gaat.
Ondermantel
De zone tussen 600−2900km diep die uit vast materiaal bestaat door de hoge druk.
Kern
Het binnenste deel van de aarde (2900−6371km) bestaande uit een vloeibare buitenkern en een vaste binnenkern, voornamelijk opgebouwd uit Fe en Ni.
Continentale korst
Deel van de aardkorst met een kleine massadichtheid, bestaande uit zuurstof, silicium en aluminium.
Oceanische korst
Deel van de aardkorst met een hogere massadichtheid, een dikte van 7−10km en rijk aan magnesium.
Secundaire atmosfeer
Atmosfeer ontstaan door vulkanische ontgassing die geen zuurstof bevat, maar wel waterdamp, stikstofgas en veel koolstofdioxide.
Tertiaire atmosfeer
De huidige fase van de atmosfeer ontstaan door fotosynthese van organismen, wat leidde tot de opname van koolstofdioxide en de productie van zuurstof.
Troposfeer
De onderste laag van de atmosfeer (0−10km) waar weersverschijnselen plaatsvinden en die 80% van de lucht bevat.
Stratosfeer
Atmosferische laag tussen 10−50km hoogte die de ozonlaag bevat.
Mesosfeer
Laag tussen 50−85km hoogte waar meteoren verbranden en die de aarde beschermt tegen meteoroïden.
Thermosfeer
Laag tussen 85−1000km hoogte met ijle lucht die UV-licht absorbeert en waar temperaturen tot 1000 graden kunnen stijgen.
Ionosfeer
Laag tussen 65−1000km waar radiogolven weerkaatsen en ioniserende deeltjes van de zonnewind het poollicht veroorzaken.
Mantelpluim
Verhit plastisch materiaal in de asthenosfeer dat lichter wordt en opstijgt door radioactief verval in de mantel en kern.
Hotspot
Gloeipunten die ontstaan door scheuren in de lithosfeer boven een opstijgende mantelpluim.
Platentektoniek
Het proces van bewegende platen in de lithosfeer, ontdekt in 1960.
Oceanische rug
Grens tussen twee divergente platen op de oceaanbodem waar magma opkomt en nieuwe oceanische korst wordt gevormd.
Subductiezone
De zone waar een oceanische plaat met hogere dichtheid wegzakt in de asthenosfeer onder een andere plaat.
Diepzeetrog
Diepe, smalle kloven in een subductiezone op de bodem van de zee.
Transforme plaatrand
Plaats waar lithosfeerplaten horizontaal langs elkaar bewegen, wat vaak zware aardbevingen veroorzaakt zonder vulkanisme.
Rugduwkracht
De kracht waarbij magma van een oceaanrug afglijdt door de zwaartekracht en zo het oude gedeelte van de plaat wegduwt.
Hypocentrum
De plaats in de aarde waar een aardbeving daadwerkelijk ontstaat.
Epicentrum
De plaats op het aardoppervlak die loodrecht boven het hypocentrum ligt en waar de beving het meest voelbaar is.
Stratovulkanen
Steile, kegelvormige vulkanen bij subductiezones met hevige uitbarstingen en taaiere lava.
Schildvulkanen
Platte vulkanen bij oceaanruggen en hotspots met vloeibare lava en weinig ontploffingen.
Dieptegesteenten
Magmatische gesteenten die ondergronds traag afkoelen, waardoor grote kristallen gevormd worden, zoals graniet.
Uitvloeiingsgesteenten
Magmatische gesteenten die aan het aardoppervlak snel stollen zonder tijd voor kristalvorming, zoals basalt en obsidiaan.
Metamorfe gesteenten
Gesteenten die door hoge druk of temperatuur vervormen en een andere structuur krijgen, zoals marmer uit kalksteen.
Diagenese
Het proces waarbij losse sedimentkorrels klitten aan elkaar door de druk van bovenliggende lagen om vast gesteente te vormen.
Sterrendag
De tijd die de aarde nodig heeft om 360∘ rond haar as te draaien, gelijk aan 23u,56min,4sec.
Corioliseffect
De afbuiging van bewegende lucht- en zeestromen door de draaiing van de aarde (naar het westen toe bij de evenaar).
Perihelium
Het punt in de omloopbaan van de aarde waar deze het dichtst bij de zon staat.
Aphelium
Het punt in de omloopbaan van de aarde waar deze het verst van de zon staat.
Gematigde/Intermediaire gordel
Gebieden tussen de keerkringen en poolcirkels met vier duidelijke seizoenen en zonder zenitale zonnestand.
Springtij
Extra hoge vloed en extra lage eb die optreedt wanneer zon, aarde en maan op één lijn staan.
Doodtij
Minder hoge vloed en minder lage eb die optreedt wanneer de zon en maan onder een hoek van 90∘ staan t.o.v. de aarde.