1/22
Deze flashcards behandelen de Arabisch-Nederlandse woordenschat uit de transcriptie, inclusief dagelijkse routines, schooltermen en religieuze context.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
De term voor het ontwaken in de ochtend is __________.
opstaan, wakker worden
Wanneer iets voor de tweede maal gebeurt, gebeurt het __________.
opnieuw, nog een keer
De handeling om alles in orde te maken voor een taak is __________.
om zich voor te bereiden
De plek in huis waar men zich kan opfrissen is de __________.
badkamer
Iemand die erg weinig tijd heeft en snel moet handelen is __________.
gehaast
Wanneer het verplicht is om iets te doen, zegt men dat het __________ is.
noodzakelijk
Een ander woord voor het instappen of gebruiken van een bus is __________.
nemen, berijden
Wanneer we niet op tijd zullen arriveren, zullen we __________.
te laat komen
Een leerling die buitengewoon goed presteert, wordt __________ genoemd.
uitblinkend, excellent
Het behalen van een goed resultaat op een examen resulteert in een __________.
hoog cijfer
Praten zonder veel lawaai te maken gebeurt met een __________.
zachte stem
Wanneer de lessen voorbij zijn en de taken voltooid, zeggen we dat we __________.
eindigen, klaar zijn
Een activiteit met een bal die de jongens in de middag doen is __________.
voetbal spelen
Als je maag leeg is en je wilt eten, dan ben je __________.
hongerig
Het kopen van goederen zoals brood of melk staat gelijk aan een __________.
aankoop
Het praten over de gebeurtenissen van de dag is het bespreken van de __________.
schooldag
Wanneer men aan het eind van de dag weer naar huis gaat, gaat men __________.
terugkeren
De religieuze aankondiging die aangeeft dat het tijd is voor het gebed is de __________.
oproep tot het gebed
De specifieke plek die bestemd is voor het verrichten van het gebed is de __________.
gebedsruimte
Het plein buiten waar leerlingen samenkomen wordt ook wel de __________ genoemd.
speelplaats
Het gevoel dat men krijgt wanneer men iets verkeerds heeft gedaan tegenover anderen is __________.
schaamte
De mensen met wie je samen in dezelfde klas studeert zijn je __________.
klasgenoten
Het blijven doen van een activiteit zonder te stoppen is __________.
voortzetten