thema 6

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/103

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 6:09 PM on 6/25/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

104 Terms

1
New cards

Wat is dyspnoe?

een subjectieve ervaring van oncomfortabele ademhaling, zoals benauwdheid, luchthonger, snel/diep/zwaar ademen of moeite met ademhalen.

2
New cards

Welke soorten dyspnoe worden onderscheiden?

Dyspnoe d’effort, dyspnoe in rust, orthopneu en platypneu.

3
New cards

Wat is dyspnoe d’effort?

Benauwdheid bij inspanning.

4
New cards

Wat is orthopneu?

Benauwdheid in liggende houding die verbetert bij rechtop zitten. Past vaak bij hartfalen/longoedeem.

5
New cards

Wat is platypneu?

Benauwdheid die zittend/staand ontstaat of verergert en bij platliggen verbetert.

6
New cards

Wat is tachypneu?

Ademfrequentie >20/min.

7
New cards

Wat is hyperpneu?

Diepere en/of snellere ademhaling met toename van ademminuutvolume.

8
New cards

Wat is hyperventilatie?

toename van ademminuutvolume waardoor PCO₂ daalt. Dit kan duizeligheid en tintelingen geven.

9
New cards

Wat is hyperventilatiesyndroom?

Hyperventilatie zonder duidelijke somatische noodzaak, vaak bij paniek/angst.

10
New cards

Waarom ervaart iemand dyspnoe?

Door combinatie van lichamelijke afferente signalen, herseninterpretatie en emotionele/cognitieve reactie, vergelijkbaar met pijnperceptie.

11
New cards

Welke hoofdmechanismen kunnen dyspnoe veroorzaken?

Luchthonger, verhoogde ademarbeid, chest tightness en tachypneu.

12
New cards

Wat betekent luchthonger als mechanisme van dyspnoe?

Gevoel van tekort aan lucht/zuurstof, bijvoorbeeld bij hypoxemie zoals pneumonie of interstitiële longziekte. Extra zuurstof kan helpen.

13
New cards

Wat betekent verhoogde ademarbeid?

Het kost zichtbaar meer moeite om te ademen, bijvoorbeeld bij COPD, pleuravocht, fibrose of restrictieve longziekten.

14
New cards

wat betekent chest tightness?

Drukkend/beklemmend gevoel op de borst, typisch bij astma of hyperreactieve luchtwegen.

15
New cards

Waardoor ontstaat tachypneu als dyspnoemechanisme?

Snelle ademhaling, bijvoorbeeld bij metabole acidose, sepsis of longembolie. Rek van alveoli activeert pulmonale C-vezels via de nervus vagus.

16
New cards

Welke drie grote groepen somatische oorzaken van dyspnoe zijn er?

Pulmonaal, cardiaal en neuromusculair.

17
New cards

Hoe veroorzaakt astma dyspnoe?

Door bronchoconstrictie en prikkeling van irritantreceptoren → chest tightness en vaak oppervlakkige ademhaling.

18
New cards

Hoe veroorzaakt COPD dyspnoe?

Door bronchoconstrictie, verhoogde ademarbeid, hyperinflatie en verlies van elasticiteit bij emfyseem.

19
New cards

Wat is dynamische hyperinflatie bij COPD?

tijdens expiratie blijft lucht achter; bij inspanning komt er te weinig tijd om volledig uit te ademen, waardoor de long steeds verder “opgeblazen” blijft.

20
New cards

Wat is neuro-ventilatoire dissociatie bij COPD?

De patiënt probeert harder te ademen, maar door luchtwegobstructie/hyperinflatie lukt ventileren onvoldoende → gevoel van benauwdheid.

21
New cards

Hoe veroorzaken restrictieve longziekten dyspnoe?

De longen zijn stug en hebben lage compliantie → ademminuutvolume is beperkt en ademarbeid is verhoogd.

22
New cards

Hoe ademen patiënten met restrictieve longziekten vaak?

oppervlakkig en snel.

23
New cards

Waardoor ontstond dyspnoe in casus Eva met ILD?

ILD-flare met restrictieve longziekte, hypoxemie, crepitaties en matglasafwijkingen op CT. Behandeling: corticosteroïden zoals prednison.

24
New cards

Waardoor ontstond dyspnoe in casus Julia met pleuravocht?

Pleuravocht gaf mechanische restrictie van de longexpansie, waardoor ademarbeid toenam. Drainage verminderde eerder de klachten.

25
New cards

Waardoor ontstond dyspnoe in casus Daan met astma?

Bronchiale hyperreactiviteit en luchtwegobstructie na verkoudheid → expiratoire ronchi, beklemming en tachypneu.

26
New cards

Waardoor ontstond dyspnoe in casus Piet met hartfalen?

Longoedeem door hartfalen prikkelt pulmonale C-vezels → signalen via nervus vagus naar de hersenen → luchthonger en verhoogde ademarbeid.

27
New cards

Waarom kan hartfalen orthopneu geven?

Liggend neemt veneuze return toe en verdeelt vocht zich meer naar de longen, waardoor longoedeem en benauwdheid toenemen.

28
New cards

Welke acute oorzaken van kortademigheid moet je kennen?

bovenste luchtweginfectie, pneumonie, longaanval door astma/COPD en pneumothorax.

29
New cards

Welke chronische oorzaken van kortademigheid moet je kennen?

COPD, astma, hartfalen, interstitiële longziekten zoals longfibrose/sarcoïdose en diafragmaparalyse.

30
New cards

Welke oorzaken van dyspnoe komen vaker voor op jonge leeftijd?
Welke oorzaak van dyspnoe komt vaker voor bij oudere patiënten?

Infecties, astma en soms hyperventilatie/angst.
COPD en hartfalen.

31
New cards

Welke bevindingen maken een somatische longaandoening minder waarschijnlijk bij hyperventilatie?

Normale saturatie, normale bloeddruk, normaal ademgeruis zonder bijgeluiden en normale spirometrie.

32
New cards

Wat is het beleid bij hyperventilatiesyndroom/angststoornis?

Uitleg en geruststelling, verwijzing naar POH-GGZ en eventueel anxiolytica als dat nodig is.

33
New cards

Waaraan herken je dyspnoe door hartfalen in de eerste lijn?

Progressieve inspanningsdyspnoe, orthopneu/nachtelijke dyspnoe, gewichtstoename, vermoeidheid, crepitaties, verhoogde CVD en enkeloedeem.

34
New cards

Welke risicofactoren passen bij hartfalen?
Welke lichamelijke bevindingen passen bij hartfalen?
Welk aanvullend onderzoek doe je bij verdenking hartfalen?

Hypertensie, eerder myocardinfarct, diabetes mellitus type 2, COPD, obesitas en roken.

Lage saturatie, crepitaties basaal, zachte harttonen, gestuwde halsvenen/verhoogde CVD en pitting oedeem.

NT-proBNP/bloedonderzoek en echocardiografie om o.a. de ejectiefractie te bepalen.

35
New cards

Wat betekent een verhoogd NT-proBNP?

Het wijst op rek/belasting van het hart en verhoogt de kans op hartfale

36
New cards

Hoe behandel je hartfalen in de eerste lijn/initieel?

Lisdiureticum bij overvulling, zuurstof indien nodig en onderliggende oorzaken/risicofactoren behandelen. Bij acute decompensatie of instabiliteit verwijzen.

37
New cards

Wanneer moet een patiënt met hartfalen naar de cardioloog?

Bij verdenking nieuw hartfalen, onduidelijke diagnose, acute decompensatie of ABCDE-instabiliteit.

38
New cards

Waaraan herken je longembolie in een dyspnoe-casus?

Plots of subacuut dyspnoe, tachycardie/hoge pols, thoracale ademhalingsafhankelijke pijn, hemoptoë en soms lage saturatie.

39
New cards

Welke risicofactoren passen bij longembolie?

Roken, orale anticonceptie, eerdere VTE, zwangerschap/kraambed, obesitas, immobilisatie/reizen, recente opname/operatie en erfelijke aanleg.

40
New cards

Waarom kan longembolie aspecifiek presenteren?

Klachten zoals dyspnoe, hoge pols en thoracale pijn kunnen ook passen bij infectie, astma/COPD of angst, waardoor diagnose makkelijk gemist wordt.

41
New cards

Wat is het beleid bij longembolie?

Behandeling met antistolling; bij verdenking moet verdere diagnostiek/risico-inschatting plaatsvinden.

42
New cards

Wanneer denk je bij COVID/respiratoire infectie alsnog aan longembolie?

Als klachten blijven of terugkomen, bij aanhoudende dyspnoe, hoge pols, ademhalingsafhankelijke pijn, hemoptoë of risicofactoren zoals anticonceptie/reizen.

43
New cards

Welke waarden meet je met spirometrie?

VC, FVC, FEV1 en FEV1/FVC-ratio.

44
New cards

Wanneer spreek je van een obstructief patroon?

Verlaagde FEV1 t.o.v. FVC → verlaagde FEV1/FVC-ratio

45
New cards

Wanneer spreek je van een restrictief patroon?

Verlaagde FVC; TLC kan met spirometrie niet direct worden gemeten.

46
New cards

Welke longvolumes kun je niet meten met spirometrie?

RV (residuaal volume) en TLC (totale longcapaciteit).

47
New cards

Wat is de formule van IC?

TV + IRV.

48
New cards

Wat is de formule van FRC?

ERV + RV.

49
New cards

Wat is de formule van VC?

IRV + TV + ERV.

50
New cards

Wat is de formule van TLC?

VC + RV (= IRV + TV + ERV + RV).

51
New cards

Welke twee ziekten veroorzaken meestal obstructie?

Astma en COPD.

52
New cards

Wat is het belangrijkste verschil tussen astma en COPD?

Astma: reversibele obstructie. COPD: niet-reversibele obstructie.

53
New cards

Hoe toon je reversibiliteit bij astma aan?

Toename FEV1 >10% na bronchodilatator.

54
New cards

Wanneer gebruik je een histamineprovocatietest?

Bij verdenking astma met normale spirometrie.

55
New cards

Wat is de pathofysiologie van astma?

Th2-respons → mestcellen/eosinofielen → histamine → bronchoconstrictie, slijmvliesoedeem en slijmproductie.

56
New cards

Wat is de belangrijkste risicofactor voor COPD?
Hoe bevestig je de diagnose COPD?

Roken.
Post-bronchodilatator FEV1/FVC <0,7.

57
New cards

Waarvoor gebruik je de GOLD-graad (1-4)?

Ernst van de luchtwegobstructie (op basis van FEV1 % voorspeld).

58
New cards

Waarvoor gebruik je de GOLD A/B/E-indeling?

Behandeling bepalen op basis van symptomen en exacerbaties.

59
New cards

Welke aandoeningen veroorzaken een restrictief longbeeld?

ILD, pleuravocht, diafragmaparalyse en thoraxafwijkingen.

60
New cards

Waarom ontstaat dyspneu bij ILD?

Fibrose verdikt het interstitium → diffusie volgens de wet van Fick vermindert + longcompliantie daalt.

61
New cards

Noem belangrijke oorzaken van een restrictief longbeeld buiten de long zelf.

Pleuravocht, hartfalen met vergroot hart, ascites, diafragmaparalyse/neuromusculaire aandoeningen en hernia diafragmatica.

62
New cards

Wat is hartfalen?

Een toestand waarbij het hart onvoldoende bloed kan leveren om aan de metabole behoefte van het lichaam te voldoen.

63
New cards

betekent hartfalen dat het hart helemaal stopt met pompen?

Nee, het hart pompt nog, maar te weinig of te inefficiënt voor de behoefte van het lichaam.

64
New cards

wat is systolisch hartfalen?

Probleem van contractiekracht: het ventrikel knijpt minder goed samen → minder ejectie/slagvolume.

65
New cards

Wat gebeurt er met het ventrikel bij systolisch hartfalen?

De kamers raken vaak verwijd en de spierwand kan dunner worden; per hartslag wordt minder bloed uitgepompt.

66
New cards

wat is diastolisch hartfalen?

Probleem van vulling: het ventrikel is stijf/verdikt en vult minder goed, ondanks soms normale contractiekracht

67
New cards

Waarom pompt het hart bij diastolisch hartfalen minder bloed uit?

Omdat er vóór de contractie minder bloed in het ventrikel zit; een minder gevulde kamer kan ook minder uitpompen.

68
New cards

Wat is linkszijdig hartfalen?

De linkerharthelft pompt bloed uit de longcirculatie onvoldoende door naar het lichaam → stuwing in de longen.

69
New cards

Welke klachten passen bij linkszijdig hartfalen

Dyspnoe, orthopneu, verminderde inspanningstolerantie en longoedeem/pulmonale congestie.

70
New cards

wat is rechtszijdig hartfalen?

De rechterharthelft pompt bloed uit de perifere circulatie onvoldoende naar de longen → stuwing in het lichaam.

71
New cards

Welke klachten passen bij rechtszijdig hartfalen?

Perifeer oedeem, dikke enkels/benen, ascites/buikvocht en gestuwde halsvenen.

72
New cards

Wat is cardiac output?
Wat is de formule voor cardiac output?
Wat gebeurt er met cardiac output bij hartfalen?

Hartminuutvolume: de hoeveelheid bloed die het hart per minuut rondpompt.
Cardiac output = slagvolume × hartfrequentie.
Het slagvolume daalt; het lichaam probeert dit te compenseren door o.a. hartfrequentie en contractiekracht te verhogen.

73
New cards

Wat is het doel van compensatiemechanismen bij hartfalen?

Tijdelijk de bloedvoorziening op peil houden ondanks verminderde pompfunctie.

74
New cards

Welk compensatiemechanisme treedt vaak als eerste op?

Activatie van het sympathische zenuwstelsel: fight-or-flight-reactie.

75
New cards

Wat doet sympathicusactivatie bij hartfalen?

verhoogt hartfrequentie en contractiekracht, waardoor cardiac output tijdelijk stijgt.

76
New cards

Waarom is langdurige sympathicusactivatie schadelijk?

Het verhoogt zuurstofbehoefte, stimuleert catecholaminen en maakt het hart op termijn minder gevoelig voor sympathische prikkels.

77
New cards

Wat is preload?

De vulling/rek van de ventrikels aan het einde van de diastole, vlak vóór contractie.

78
New cards

Hoe verhogen ADH en aldosteron de preload?

Ze zorgen voor vocht- en zoutretentie → meer circulerend volume → meer ventrikelvulling.

79
New cards

Wat zegt het Frank-Starling-mechanisme?

Meer vulling/rek van myocardvezels geeft tot een grens een krachtigere contractie en hoger slagvolume.

80
New cards

Waarom wordt verhoogde preload op lange termijn schadelijk?

Het veroorzaakt volumebelasting, dilatatie en meer zuurstofbehoefte; uiteindelijk verslechtert de pompfunctie.

81
New cards

Het veroorzaakt volumebelasting, dilatatie en meer zuurstofbehoefte; uiteindelijk verslechtert de pompfunctie.

Overlevende cardiomyocyten worden groter, waardoor het hart tijdelijk krachtiger kan pompen.

82
New cards

Waarom is hypertrofie op lange termijn ongunstig?

Grotere spiermassa heeft meer zuurstof nodig, bloedtoevoer neemt niet evenredig toe en de ventrikelholte kan kleiner/stijver worden.

83
New cards

Wat is decompensatie?

Het moment waarop compensatiemechanismen tekortschieten en juist bijdragen aan verdere achteruitgang.

84
New cards

Wat is de vicieuze cirkel bij progressief hartfalen?

Minder pompfunctie → compensatie → hogere belasting/zuurstofbehoefte → meer schade/celdood → nog minder pompfunctie.

85
New cards
86
New cards
87
New cards
88
New cards
89
New cards
90
New cards
91
New cards
92
New cards
93
New cards
94
New cards
95
New cards
96
New cards
97
New cards
98
New cards
99
New cards
100
New cards