Algemene economie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/99

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:06 PM on 7/13/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

100 Terms

1
New cards

Markt met volledige mededingen

Veel vragers en aanbieders van homogene producten

2
New cards

Monopolistische concurrentie

Veel vragers en aanbieders van heterogene producten

3
New cards

Monopolie

Een markt met maar één aanbieder

4
New cards

Oligopolie

Een markt met een klein aantal grote bedrijven

5
New cards

Verschuiving langs de aanbodcurve

Bij een verandering in de prijs van het product zelf

6
New cards

Verschuiving van de aanbodcurve

Bij een verandering in de techniek, prijzen van productiefactoren, aantal producenten of hun doelstellingen

7
New cards

De lekken

Besparen (S), Belastingen (T), Import (M)

8
New cards

De injecties

Investeringen (I), Overheidsuitgaven (G), Export (E)

9
New cards

Spaarsaldo private sector

S - I

10
New cards

Overheidssaldo

T - G

11
New cards

Saldo buitenland

E - M

12
New cards

BBP berekenen via bestedingen

Y = C + I + G + E - M

13
New cards

BBP berekenen via inkomens

Lonen + rente + pacht + winst

14
New cards

Conjuncturele werkloosheid

Ontstaat bij een daling van de economie; minder vraag en minder arbeid nodig

15
New cards

Seizoenswerkloosheid

Ontstaat door werk dat afhankelijk is van seizoenen

16
New cards

Frictiewerkloosheid

Tijdelijke werkloosheid die ontstaat door mensen die opzoek zijn naar een nieuwe baan

17
New cards

Kwalitatief structurele werkloosheid

Ontstaat door een mismatch tussen vraag en aanbod op de markt. Door verkeerde opleiding, ervaring of regio

18
New cards

Kwantitatief structurele werkloosheid

Structureel te weinig arbeidsplaatsen ten opzichte van werkzoekers

19
New cards

Verborgen werkloosheid

Mensen die wel willen werken maar nog studeren of zoeken naar een baan

20
New cards

De lopende rekening

Een rekening met de goederenhandel (export minus import), diensten (zoals toerisme), inkomens (beloningen voor arbeid en kapitaal) en inkomensoverdrachten (zoals giften)

21
New cards

Vermogensoverdrachtenrekening

Registreert eenmalige overdrachten van kapitaal zonder directe tegenprestatie

22
New cards

Financiële rekeningen

Een rekening met investeringen, het effectenverkeer (aandelen/obligaties) en de mutaties in de officiële reserves (deviezenvoorraad)

23
New cards

Koopkrachtpariteitstheorie (KKP)

De wisselkoers wordt bepaald door prijsniveaus. Goederen zouden internationaal even duur moeten zijn na omrekening.

24
New cards

Monetaire benadering

De markt of wisselkoers wordt bepaald door vraag en aanbod

25
New cards

Portefeuillebenadering

Houdt rekening met het gedrag van beleggers

26
New cards

De ruilvoet

Geeft aan hoeveel invoer een land kan krijgen in ruil voor zijn uitvoer (uitvoer/invoer x 100)

27
New cards

De guldenfinanciering regel

een begrotingsnorm die stelt dat de overheid alleen mag lenen voor investeringen die in de toekomst rendement opleveren

28
New cards

Kosten motief voor quasi-collectieve goederen

Het is te duur om iedereen apart te laten betalen

29
New cards

Paternalistisch motief voor quasi-collectieve goederen

Accijnzen op niet goed besteden producten

30
New cards

Externe-effecten motief voor quasi-collectieve goederen

Goederen of diensten subsidiëren die een positief effect hebben op de samenleving

31
New cards

Herverdelingsmotief voor quasi-collectieve goederen

Belangrijke voorzieningen voor iedereen (zorgverzekering)

32
New cards

Begrotingsbeleid

Overheidsuitgaven en belastingen aanpassen (kwantitatief economisch instrument)

33
New cards

Inkomensbeleid

Beïnvloeden van inkomens (kwantitatief economisch instrument)

34
New cards

Prijsbeleid

Het invoeren van minimum- en maximum prijzen (kwantitatief economisch instrument)

35
New cards

Arbeidsmarktbeleid

Knelpunten wegnemen bij scholing en werkloosheid (kwalitatief economisch instrument)

36
New cards

Sectorstructuurbeleid

Het stimuleren van sectoren (kwalitatief economisch instrument)

37
New cards

Milieubeleid

Stimuleren van een duurzame samenleving (kwalitatief economisch instrument)

38
New cards

Autorisatiefunctie

Parlement geeft toestemming voor begroting

39
New cards

Allocatiefunctie

Overheid bepaald de verdeling van de begroting

40
New cards

Macro-economische functie

De overheid gebruikt de omvang van de economie

41
New cards

Controle functie

De toezicht functie op de begroting

42
New cards

Arbeidsinkomensquote (AIQ)

Lonen + zelf uitgekeerde winst

43
New cards

Kapitaalinkomensquote

Kapitaal inkomen zoals; toegevoegde waarde, dividenduitkeringen, huren, winsten en rente

44
New cards

Girale tegoeden

Niet tastbaar geld (pinpassen etc.)

45
New cards

Chartaal geld

Tastbaar geld (munten en biljetten)

46
New cards

Schaaltransformatie

Het samenvoegen van veel kleine spaarbedragen tot één grote lening

47
New cards

Termijntransformatie

Het omzetten van kortlopende middelen in langlopende leningen

48
New cards

Risicotransformatie

Het omzetten van risico volle leningen in relatief veilige tegoeden door het risico te spreiden

49
New cards

Financiële titel

Het recht op toekomstig geld

50
New cards

Geldmarkt

Een markt waar financiële titels met een looptijd van maximaal twee jaar worden verhandeld

51
New cards

De kapitaalmarkt

Een markt waar financiële titels met een looptijd van minimaal twee jaar worden verhandeld

52
New cards

De openbare markt

Een markt waarop financiële titels voor iedereen toegankelijk zijn en de voorwaarden vast liggen (Bv: AEX)

53
New cards

De onderhandse markt

Een markt waar voorwaarden onderling worden vastgesteld (Bv: een onderhandselening)

54
New cards

Substitutie goederen

Goederen die elkaar kunnen vervangen

55
New cards

Complementaire goederen

Goederen die samen worden gebruikt

56
New cards

Bemiddelaar

Het bij elkaar brengen van twee partijen, maar is zelf geen partij. De transacties vinden rechtstreeks plaats tussen vraag en aanbieder. De instelling ontvangt provisie voor de verleende diensten

57
New cards

Intermediair

Een fysieke en juridische partij die financiële titels weggeeft en ontvangt. De geldgever en lener komen niet in contact. De instelling verdient hier aan rentemarge.

58
New cards

Feitelijke productie

De hoeveelheid goederen of diensten die daadwerkelijk worden geproduceerd in een bepaalde periode

59
New cards

Productie capaciteit

De maximale mogelijke productie met de beschikbare (duurzame) middelen

60
New cards

Economische subjecten

Individuen of groepen die beslissingen nemen. Ze zijn vrij, handelen rationeel en zijn volledig geïnformeerd

61
New cards
<p>Welke curve is dit?</p>

Welke curve is dit?

Noodzakelijke goederen

62
New cards
<p>Welke curve is dit?</p>

Welke curve is dit?

Luxe goederen

63
New cards
<p>Welke curve is dit?</p>

Welke curve is dit?

Inferieure goederen

64
New cards

Mercantilisten

Visie uit de 16e/17e eeuw die pleit voor een krachtige overheid om de handel en de goudvoorraad van de staat te bevorderen

65
New cards

Klassieken

Visie (o.a. Adam Smith) die pleit voor een beperkte overheid en een markt die zichzelf reguleert via de "onzichtbare hand"

66
New cards

Neoklassieken

Visie waarbij de overheid enkel marktfalen (zoals externe effecten) corrigeert om de maatschappelijke welvaart te maximaliseren

67
New cards

Keynesianen

Visie die pleit voor een actieve overheid die de effectieve vraag stuurt via het begrotingsbeleid om de conjunctuur te stabiliseren

68
New cards

Marxisten

Visie waarbij de overheid de belangen van de heersende klasse dient; pleit voor collectief bezit van productiemiddelen

69
New cards

Effecten

Verhandelbare financiële instrumenten die een recht op toekomstig geld vertegenwoordigen, zoals aandelen, obligaties en opties

70
New cards

Financieringsfunctie op effecten

De functie waarbij bedrijven kapitaal aantrekken voor hun activiteiten door de uitgifte van aandelen of obligaties

71
New cards

Beleggingsfunctie op effecten

De functie waarbij kopers effecten aanschaffen als renderend object om hun vermogen te behouden of te vergroten

72
New cards

Verhandelbaarheidsfunctie op effecten

De mogelijkheid voor beleggers om effecten op de markt door te verkopen zonder tussenkomst van het uitgevende bedrijf

73
New cards

Spaarmarkt

Deelmarkt met veel aanbieders (huishoudens) en een beperkt aantal vragers (financiële instellingen zoals banken)

74
New cards

Spaarmarkt

Deelmarkt met veel vragers (bedrijven, overheid, particulieren) en een beperkt aantal aanbieders (banken en financiële instellingen)

75
New cards

Liquiditeitsverruiming

De hoeveelheid geld in handen van het publiek en de banken vergroot

76
New cards

Liquiditietsverkrappend

De hoeveelheid beschikbaar geld beperkt of de groei ervan afgeremd

77
New cards

Basis-herfinancieringstransacties

Reguliere wekelijkse transacties met een looptijd van één week om banken van liquiditeit te voorzien

78
New cards

Langlopende herfinancieringstransacties

Maandelijkse transacties bedoeld voor aanvullende herfinanciering op de langere termijn, meestal met een looptijd van drie maanden tegen de geldende marktrente

79
New cards

Finetuning-transacties

Ad hoc uitgevoerde transacties om onverwachte fluctuaties in de liquiditeitsverhoudingen op de markt te egaliseren

80
New cards

Structurele transacties

Transacties die worden ingezet om de structurele liquiditeitspositie van het eurosysteem ten opzichte van de financiële sector aan te passen

81
New cards

Bestemmingsvrijheid

Geld kan aan alle soorten goederen en diensten worden uitgegeven

82
New cards

Transportvrijheid

Geld kan op alle plekken worden uitgegeven

83
New cards

Opslagvrijheid

Geld kan op alle tijdstippen worden uitgegeven

84
New cards

Consumenten surplus

Het verschil tussen het bedrag dat de consumenten maximaal bereid zijn te betalen en wat ze daadwerkelijk betalen

85
New cards

Producenten surplus

Het verschil tussen de marginale kosten en de opbrengsten

86
New cards

Deadweight loss

Het verlies aan welvaart door een prijsverhoging. Hierin zitten mensen die het wel willen, maar niet kunnen betalen

87
New cards

Eerstegraads prijsdiscriminatie

De prijs wordt gebaseerd op wat de consument maximaal kan betalen

88
New cards

Tweedegraads prijsdiscriminatie

De prijs is afhankelijk van de hoeveelheid producten de consument koopt

89
New cards

Derdegraads prijsdiscriminatie

De prijs is afhankelijk van de consumentengroep

90
New cards

Fase 1 conjunctuurcyclus

Onderste omslagpunt/herstel

91
New cards

Fase 1-2 conjunctuurcyclus

Opleving

92
New cards

Fase 2-3 conjunctuurcyclus

Opgang/overspanning

93
New cards

Fase 3 conjunctuurcyclus

Bovenste omslagpunt/crisis

94
New cards

Fase 3-4 conjunctuurcyclus

crisis/neergang

95
New cards

fase 4-1 conjunctuurcyclus

Neergang, recessie

96
New cards

Kosteninflatie

Bedrijven verhogen hun prijzen richting consumenten vanwege hogere kosten

97
New cards

Bestedingsinflatie

Mensen hebben veel geld te besteden, dus gaan de prijzen omhoog

98
New cards

Monetaire inflatie

Er komt te veel geld in de economie

99
New cards

Begrotingssaldo

Het verschil tussen de overheidsinkomsten en uitgaven

100
New cards

Financieringssaldo

Het begrotingssaldo zonder staatsschuld aflossingen