1/99
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Markt met volledige mededingen
Veel vragers en aanbieders van homogene producten
Monopolistische concurrentie
Veel vragers en aanbieders van heterogene producten
Monopolie
Een markt met maar één aanbieder
Oligopolie
Een markt met een klein aantal grote bedrijven
Verschuiving langs de aanbodcurve
Bij een verandering in de prijs van het product zelf
Verschuiving van de aanbodcurve
Bij een verandering in de techniek, prijzen van productiefactoren, aantal producenten of hun doelstellingen
De lekken
Besparen (S), Belastingen (T), Import (M)
De injecties
Investeringen (I), Overheidsuitgaven (G), Export (E)
Spaarsaldo private sector
S - I
Overheidssaldo
T - G
Saldo buitenland
E - M
BBP berekenen via bestedingen
Y = C + I + G + E - M
BBP berekenen via inkomens
Lonen + rente + pacht + winst
Conjuncturele werkloosheid
Ontstaat bij een daling van de economie; minder vraag en minder arbeid nodig
Seizoenswerkloosheid
Ontstaat door werk dat afhankelijk is van seizoenen
Frictiewerkloosheid
Tijdelijke werkloosheid die ontstaat door mensen die opzoek zijn naar een nieuwe baan
Kwalitatief structurele werkloosheid
Ontstaat door een mismatch tussen vraag en aanbod op de markt. Door verkeerde opleiding, ervaring of regio
Kwantitatief structurele werkloosheid
Structureel te weinig arbeidsplaatsen ten opzichte van werkzoekers
Verborgen werkloosheid
Mensen die wel willen werken maar nog studeren of zoeken naar een baan
De lopende rekening
Een rekening met de goederenhandel (export minus import), diensten (zoals toerisme), inkomens (beloningen voor arbeid en kapitaal) en inkomensoverdrachten (zoals giften)
Vermogensoverdrachtenrekening
Registreert eenmalige overdrachten van kapitaal zonder directe tegenprestatie
Financiële rekeningen
Een rekening met investeringen, het effectenverkeer (aandelen/obligaties) en de mutaties in de officiële reserves (deviezenvoorraad)
Koopkrachtpariteitstheorie (KKP)
De wisselkoers wordt bepaald door prijsniveaus. Goederen zouden internationaal even duur moeten zijn na omrekening.
Monetaire benadering
De markt of wisselkoers wordt bepaald door vraag en aanbod
Portefeuillebenadering
Houdt rekening met het gedrag van beleggers
De ruilvoet
Geeft aan hoeveel invoer een land kan krijgen in ruil voor zijn uitvoer (uitvoer/invoer x 100)
De guldenfinanciering regel
een begrotingsnorm die stelt dat de overheid alleen mag lenen voor investeringen die in de toekomst rendement opleveren
Kosten motief voor quasi-collectieve goederen
Het is te duur om iedereen apart te laten betalen
Paternalistisch motief voor quasi-collectieve goederen
Accijnzen op niet goed besteden producten
Externe-effecten motief voor quasi-collectieve goederen
Goederen of diensten subsidiëren die een positief effect hebben op de samenleving
Herverdelingsmotief voor quasi-collectieve goederen
Belangrijke voorzieningen voor iedereen (zorgverzekering)
Begrotingsbeleid
Overheidsuitgaven en belastingen aanpassen (kwantitatief economisch instrument)
Inkomensbeleid
Beïnvloeden van inkomens (kwantitatief economisch instrument)
Prijsbeleid
Het invoeren van minimum- en maximum prijzen (kwantitatief economisch instrument)
Arbeidsmarktbeleid
Knelpunten wegnemen bij scholing en werkloosheid (kwalitatief economisch instrument)
Sectorstructuurbeleid
Het stimuleren van sectoren (kwalitatief economisch instrument)
Milieubeleid
Stimuleren van een duurzame samenleving (kwalitatief economisch instrument)
Autorisatiefunctie
Parlement geeft toestemming voor begroting
Allocatiefunctie
Overheid bepaald de verdeling van de begroting
Macro-economische functie
De overheid gebruikt de omvang van de economie
Controle functie
De toezicht functie op de begroting
Arbeidsinkomensquote (AIQ)
Lonen + zelf uitgekeerde winst
Kapitaalinkomensquote
Kapitaal inkomen zoals; toegevoegde waarde, dividenduitkeringen, huren, winsten en rente
Girale tegoeden
Niet tastbaar geld (pinpassen etc.)
Chartaal geld
Tastbaar geld (munten en biljetten)
Schaaltransformatie
Het samenvoegen van veel kleine spaarbedragen tot één grote lening
Termijntransformatie
Het omzetten van kortlopende middelen in langlopende leningen
Risicotransformatie
Het omzetten van risico volle leningen in relatief veilige tegoeden door het risico te spreiden
Financiële titel
Het recht op toekomstig geld
Geldmarkt
Een markt waar financiële titels met een looptijd van maximaal twee jaar worden verhandeld
De kapitaalmarkt
Een markt waar financiële titels met een looptijd van minimaal twee jaar worden verhandeld
De openbare markt
Een markt waarop financiële titels voor iedereen toegankelijk zijn en de voorwaarden vast liggen (Bv: AEX)
De onderhandse markt
Een markt waar voorwaarden onderling worden vastgesteld (Bv: een onderhandselening)
Substitutie goederen
Goederen die elkaar kunnen vervangen
Complementaire goederen
Goederen die samen worden gebruikt
Bemiddelaar
Het bij elkaar brengen van twee partijen, maar is zelf geen partij. De transacties vinden rechtstreeks plaats tussen vraag en aanbieder. De instelling ontvangt provisie voor de verleende diensten
Intermediair
Een fysieke en juridische partij die financiële titels weggeeft en ontvangt. De geldgever en lener komen niet in contact. De instelling verdient hier aan rentemarge.
Feitelijke productie
De hoeveelheid goederen of diensten die daadwerkelijk worden geproduceerd in een bepaalde periode
Productie capaciteit
De maximale mogelijke productie met de beschikbare (duurzame) middelen
Economische subjecten
Individuen of groepen die beslissingen nemen. Ze zijn vrij, handelen rationeel en zijn volledig geïnformeerd

Welke curve is dit?
Noodzakelijke goederen

Welke curve is dit?
Luxe goederen

Welke curve is dit?
Inferieure goederen
Mercantilisten
Visie uit de 16e/17e eeuw die pleit voor een krachtige overheid om de handel en de goudvoorraad van de staat te bevorderen
Klassieken
Visie (o.a. Adam Smith) die pleit voor een beperkte overheid en een markt die zichzelf reguleert via de "onzichtbare hand"
Neoklassieken
Visie waarbij de overheid enkel marktfalen (zoals externe effecten) corrigeert om de maatschappelijke welvaart te maximaliseren
Keynesianen
Visie die pleit voor een actieve overheid die de effectieve vraag stuurt via het begrotingsbeleid om de conjunctuur te stabiliseren
Marxisten
Visie waarbij de overheid de belangen van de heersende klasse dient; pleit voor collectief bezit van productiemiddelen
Effecten
Verhandelbare financiële instrumenten die een recht op toekomstig geld vertegenwoordigen, zoals aandelen, obligaties en opties
Financieringsfunctie op effecten
De functie waarbij bedrijven kapitaal aantrekken voor hun activiteiten door de uitgifte van aandelen of obligaties
Beleggingsfunctie op effecten
De functie waarbij kopers effecten aanschaffen als renderend object om hun vermogen te behouden of te vergroten
Verhandelbaarheidsfunctie op effecten
De mogelijkheid voor beleggers om effecten op de markt door te verkopen zonder tussenkomst van het uitgevende bedrijf
Spaarmarkt
Deelmarkt met veel aanbieders (huishoudens) en een beperkt aantal vragers (financiële instellingen zoals banken)
Spaarmarkt
Deelmarkt met veel vragers (bedrijven, overheid, particulieren) en een beperkt aantal aanbieders (banken en financiële instellingen)
Liquiditeitsverruiming
De hoeveelheid geld in handen van het publiek en de banken vergroot
Liquiditietsverkrappend
De hoeveelheid beschikbaar geld beperkt of de groei ervan afgeremd
Basis-herfinancieringstransacties
Reguliere wekelijkse transacties met een looptijd van één week om banken van liquiditeit te voorzien
Langlopende herfinancieringstransacties
Maandelijkse transacties bedoeld voor aanvullende herfinanciering op de langere termijn, meestal met een looptijd van drie maanden tegen de geldende marktrente
Finetuning-transacties
Ad hoc uitgevoerde transacties om onverwachte fluctuaties in de liquiditeitsverhoudingen op de markt te egaliseren
Structurele transacties
Transacties die worden ingezet om de structurele liquiditeitspositie van het eurosysteem ten opzichte van de financiële sector aan te passen
Bestemmingsvrijheid
Geld kan aan alle soorten goederen en diensten worden uitgegeven
Transportvrijheid
Geld kan op alle plekken worden uitgegeven
Opslagvrijheid
Geld kan op alle tijdstippen worden uitgegeven
Consumenten surplus
Het verschil tussen het bedrag dat de consumenten maximaal bereid zijn te betalen en wat ze daadwerkelijk betalen
Producenten surplus
Het verschil tussen de marginale kosten en de opbrengsten
Deadweight loss
Het verlies aan welvaart door een prijsverhoging. Hierin zitten mensen die het wel willen, maar niet kunnen betalen
Eerstegraads prijsdiscriminatie
De prijs wordt gebaseerd op wat de consument maximaal kan betalen
Tweedegraads prijsdiscriminatie
De prijs is afhankelijk van de hoeveelheid producten de consument koopt
Derdegraads prijsdiscriminatie
De prijs is afhankelijk van de consumentengroep
Fase 1 conjunctuurcyclus
Onderste omslagpunt/herstel
Fase 1-2 conjunctuurcyclus
Opleving
Fase 2-3 conjunctuurcyclus
Opgang/overspanning
Fase 3 conjunctuurcyclus
Bovenste omslagpunt/crisis
Fase 3-4 conjunctuurcyclus
crisis/neergang
fase 4-1 conjunctuurcyclus
Neergang, recessie
Kosteninflatie
Bedrijven verhogen hun prijzen richting consumenten vanwege hogere kosten
Bestedingsinflatie
Mensen hebben veel geld te besteden, dus gaan de prijzen omhoog
Monetaire inflatie
Er komt te veel geld in de economie
Begrotingssaldo
Het verschil tussen de overheidsinkomsten en uitgaven
Financieringssaldo
Het begrotingssaldo zonder staatsschuld aflossingen