MODY1: Thema 3.2

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/114

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:18 AM on 9/11/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

115 Terms

1
New cards

Waartegen zijn antibiotica in het algemeen gericht?

Tegen bacteriën.

2
New cards

Welke drie factoren bepalen samen het effect van antimicrobiële therapie?

Het antibioticum, het micro-organisme en de gastheer.

3
New cards

Wat beschrijft farmacodynamiek?

Wat het geneesmiddel met het lichaam/micro-organisme doet, dus het effect van de concentratie.

4
New cards

Wat beschrijft farmacokinetiek?

Wat het lichaam met het geneesmiddel doet, zoals absorptie, distributie, metabolisme en excretie.

5
New cards

Waarom speelt de gastheer ook een rol bij antibioticatherapie?

Antibiotica alleen zijn niet altijd voldoende. Ook de immuunrespons helpt de infectie elimineren.

6
New cards

Waarom zijn antibiotica die de celwand remmen minder effectief tegen metabool inactieve bacteriën?

Celwandsynthese vindt vooral plaats tijdens groei en deling.

7
New cards

Welke antibiotica remmen de celwandsynthese?

β-lactams, glycopeptiden

8
New cards

Welke antibiotica remmen de eiwitsynthese?

Aminoglycosiden, macroliden, tetracyclines, clindamycine

9
New cards

Welke antibiotica grijpen aan op DNA?

Quinolonen, metronidazol

10
New cards

Waar grijpen penicillines, cefalosporines en carbapenems op aan?

Op de celwandsynthese.

11
New cards

Waar grijpen aminoglycosiden op aan?

Op het ribosoom → remming/verstoring eiwitsynthese.

12
New cards

Waar grijpen tetracyclines op aan?

Op het ribosoom → remming eiwitsynthese.

13
New cards

Waar grijpen macroliden en clindamycine op aan?

Op het ribosoom → remming eiwitsynthese.

14
New cards

Waar grijpen quinolonen zoals ciprofloxacine op aan?

Op processen nodig voor bacterieel DNA.

15
New cards

Waar grijpt metronidazol op aan?

Het veroorzaakt DNA-schade, vooral bij anaerobe micro-organismen.

16
New cards

Waar grijpt daptomycine op aan?

Op het celmembraan.

17
New cards

Waar grijpt colistine op aan?

Op het celmembraan.

18
New cards

Hoe remmen β-lactamantibiotica de celwandsynthese?

Ze binden aan PBP's/transpeptidasen en remmen de cross-linking van peptidoglycaan.

19
New cards

Wat gebeurt er met de bacteriële celwand wanneer transpeptidase wordt geremd?

Er ontstaat onvoldoende cross-linking, waardoor de celwand instabiel wordt.

20
New cards

Welke belangrijke groepen behoren tot de β-lactams?

Penicillines, cefalosporines en carbapenems.

21
New cards

Noem voorbeelden van penicillines.

Penicilline G/benzylpenicilline, flucloxacilline en amoxicilline.

22
New cards

Hoe werken glycopeptiden anders dan β-lactams?

Ze binden aan het terminale uiteinde van peptidoglycaanprecursoren waardoor verdere celwandopbouw wordt verhinderd.

23
New cards

Welk belangrijk glycopeptide moet je kennen?

Vancomycine.

24
New cards

Tegen welke bacteriën werken glycopeptiden zoals vancomycine vooral?

Gram-positieve bacteriën.

25
New cards

Waarom werkt vancomycine niet goed tegen Gram-negatieve bacteriën?

Het molecuul kan de buitenmembraan van Gram-negatieven niet goed passeren.

26
New cards

Wat doet β-lactamase?

Het breekt de β-lactamring af, waardoor het antibioticum zijn werking verliest.

27
New cards

Wat doet clavulaanzuur?

Het remt β-lactamasen en beschermt zo bijvoorbeeld amoxicilline tegen afbraak.

28
New cards

Worden bacteriën bij de MIC per definitie gedood?

Nee. Hun groei wordt geremd.

29
New cards

Wat betekent bacteriostatisch?

Het antibioticum remt de groei/vermenigvuldiging van bacteriën.

30
New cards

Wat betekent bactericide?

Het antibioticum doodt bacteriën.

31
New cards

Noem twee vaak bacteriostatische antibioticaklassen.

Macroliden en tetracyclines.

32
New cards

Noem belangrijke bactericide groepen.

Onder andere β-lactams, aminoglycosiden en quinolonen.

33
New cards

Wanneer zijn bactericide antibiotica extra belangrijk?

Bij ernstige infecties zoals sepsis, endocarditis, infecties van het CZS en bij sterk verminderde afweer.

34
New cards

Waarom kunnen bacteriostatische antibiotica nuttig zijn bij exotoxine-gemedieerde ziekte?

Remming van eiwitsynthese kan ook de productie van bacteriële exotoxinen verminderen.

35
New cards

Welk antibioticum kies je bij voorkeur als de verwekker bekend is?

Een zo smal/specifiek mogelijk antibioticum.

36
New cards

Waarom heeft een smalspectrumantibioticum de voorkeur?

Minder verstoring van normale flora en minder selectiedruk voor resistentie.

37
New cards

Wanneer gebruik je aanvankelijk vaak breedspectrumantibiotica?

Wanneer de specifieke verwekker nog niet bekend is en behandeling niet kan wachten.

38
New cards

Wat doe je zodra de verwekker en gevoeligheid bekend zijn?

Zo mogelijk versmallen/de-escaleren naar gerichte therapie.

39
New cards

Waarom werken celwandremmers slecht tegen niet-groeiende bacteriën?

Er vindt weinig celwandsynthese plaats.

40
New cards

Waarom kunnen antibiotica minder effectief zijn in een abces?

Slechte penetratie en lokale omstandigheden zoals lage pH, weinig zuurstof en necrose.

41
New cards

Waarom kan weefselnecrose antibioticatherapie bemoeilijken?

Het geïnfecteerde gebied heeft vaak een slechte doorbloeding, waardoor weinig antibioticum aankomt.

42
New cards

Waarom zijn infecties rond prothesen en katheters moeilijk te behandelen?

Bacteriën kunnen een biofilm vormen.

43
New cards

Wat is een biofilm?

Een georganiseerde bacteriële gemeenschap in een beschermende matrix, vaak op oppervlakken zoals katheters en prothesen.

44
New cards

Wat zijn persister cells?

Bacteriële cellen in een tijdelijk laag-metabole toestand die antibiotica kunnen overleven zonder genetisch resistent te zijn.

45
New cards

Wat is quorum sensing?

Communicatie tussen bacteriën op basis van signaalmoleculen, afhankelijk van de bacteriedichtheid.

46
New cards

Wat kan gebeuren wanneer antibiotica worden gestopt terwijl persisters aanwezig zijn?

De persisters kunnen weer actief worden en opnieuw gaan delen.

47
New cards

Jonge menstruerende vrouw + tampon + koorts + hypotensie/shock + diffuse roodheid: waar denk je aan?

Staphylococcal toxic shock syndrome.

48
New cards

Welke bacterie veroorzaakt klassiek tampon-geassocieerd toxic shock syndrome?

Staphylococcus aureus.

49
New cards

Welk soort toxine speelt bij klassiek tampon-geassocieerd toxic shock een belangrijke rol?

superantigeen

50
New cards

Wat doet een superantigeen?

Het activeert grote aantallen T-cellen niet-specifiek, waardoor massale cytokineproductie ontstaat.

51
New cards

Wat is een essentiële eerste stap in de behandeling van tampon-geassocieerd TSS?

Broncontrole, dus de tampon verwijderen.

52
New cards

Waarom kan clindamycine worden gebruikt bij toxic shock syndrome?

Het remt de bacteriële eiwitsynthese en daarmee toxineproductie.

53
New cards

Waarom kan IVIG worden gegeven bij ernstig toxic shock syndrome?

Antistoffen in IVIG kunnen bacteriële toxinen neutraliseren.

54
New cards

Welke vier processen bepalen de farmacokinetiek?

Absorptie, distributie, metabolisme en excretie (ADME).

55
New cards

Wat is absorptie?

Verplaatsing van een geneesmiddel van de toedieningsplaats naar de circulatie.

56
New cards

Wat is distributie?

Verdeling van het geneesmiddel vanuit het bloed over weefsels en lichaamsvloeistoffen.

57
New cards

Wat is metabolisme?

Chemische omzetting van het geneesmiddel, vaak in de lever.

58
New cards

Wat is excretie?

Verwijdering van het geneesmiddel uit het lichaam, vaak via de nieren.

59
New cards

Waarom bereiken sommige antibiotica het CZS moeilijk?

Door barrières zoals tight junctions van de bloed-hersenbarrière en actieve effluxtransporters.

60
New cards

Wat gebeurt er bij meningitis met de bloed-hersenbarrière?

Inflammatie kan de barrière permeabeler maken, waardoor sommige antibiotica gemakkelijker in de CSF komen.

61
New cards

Waarom is de vrije concentratie antibioticum belangrijk?

Vooral het ongebonden geneesmiddel is beschikbaar voor distributie en antimicrobiële werking.

62
New cards

Farmacokinetiek = ?

Concentratie van geneesmiddel tegen de tijd.

63
New cards

Farmacodynamiek = ?

Relatie tussen geneesmiddelconcentratie en effect.

64
New cards

Wat is Cmax?

De maximale plasmaconcentratie na een dosis.

65
New cards

Wat is Tmax?

De tijd waarop Cmax wordt bereikt.

66
New cards

Wat is AUC?

Area Under the Curve, de totale blootstelling aan het geneesmiddel over de tijd.

67
New cards

Wat betekent T > MIC?

Hoe lang de antibioticumconcentratie boven de MIC blijft.

68
New cards

Wat betekent Cmax/MIC?

Verhouding tussen de piekconcentratie en MIC.

69
New cards

Wat betekent AUC/MIC?

Verhouding tussen de totale blootstelling aan antibioticum en MIC.

70
New cards

Welke PK/PD-parameter is vooral belangrijk bij β-lactams?

T > MIC.

71
New cards

Zijn β-lactams tijd- of concentratieafhankelijk?

Vooral tijdafhankelijk.

72
New cards

Welke parameter is vooral belangrijk bij aminoglycosiden?

Cmax/MIC.

73
New cards

Zijn aminoglycosiden tijd- of concentratieafhankelijk?

Concentratieafhankelijk.

74
New cards

Welke parameter is belangrijk bij fluoroquinolonen?

Vooral AUC/MIC.

75
New cards

Wat is het post-antibiotische effect?

De bacteriegroei blijft nog een tijd onderdrukt nadat de antibioticumconcentratie is gedaald.

76
New cards

Wat zijn belangrijke mechanismen van antibioticaresistentie?

Efflux, enzymatische inactivatie/afbraak, verandering van target en verminderde permeabiliteit/porieverandering.

77
New cards

Wat doet een effluxpomp?

Pompt het antibioticum uit de bacteriële cel.

78
New cards

Hoe kan enzymatische degradatie resistentie veroorzaken?

Een bacterieel enzym breekt het antibioticum af.

79
New cards

Hoe veroorzaakt verandering van het target resistentie?

Het antibioticum kan niet meer goed aan zijn aangrijpingspunt binden.

80
New cards

Hoe kan verandering van poriën resistentie veroorzaken?

Er komt minder antibioticum de bacterie binnen.

81
New cards

Hoe ontstaat genetische antibioticaresistentie?

Door spontane mutaties en horizontale DNA-overdracht.

82
New cards

Veroorzaakt antibioticagebruik zelf doelgericht resistente mutaties?

Nee. Het antibioticum creëert vooral selectiedruk, waardoor reeds resistente varianten een voordeel krijgen.

83
New cards

Wat gebeurt er bij herhaald antibioticagebruik met een gemengde bacteriepopulatie?

Gevoelige bacteriën verdwijnen relatief meer, waardoor resistente bacteriën worden geselecteerd.

84
New cards

Bij welke bacteriën komen ESBL's vaak voor?

Vooral E. coli en Klebsiella pneumoniae.

85
New cards

Tegen welke antibiotica geven ESBL's vaak resistentie?

Veel penicillines en cefalosporines, waaronder veel derde-generatie cefalosporines.

86
New cards

Waarom zijn ESBL-producerende bacteriën klinisch belangrijk?

Ze beperken de behandelopties en kunnen moeilijk behandelbare infecties veroorzaken.

87
New cards

Waar kunnen mensen ESBL-producerende bacteriën dragen zonder ziek te zijn?

In de darmflora.

88
New cards

Wat is het doel van dosering van een geneesmiddel?

Een concentratie bereiken die effectief maar niet toxisch is.

89
New cards

Wat is het therapeutische venster?

Het concentratiegebied tussen onvoldoende effect en toxiciteit.

90
New cards

Wat betekent een brede therapeutische index?

Er is relatief veel ruimte tussen een effectieve en toxische dosis.

91
New cards

Wat betekent een nauwe therapeutische index?

De effectieve en toxische concentraties liggen dicht bij elkaar.

92
New cards

Welk antibioticum uit deze stof heeft een nauwe therapeutische index?

Gentamicine.

93
New cards

Wat is ED50?

Dosis die bij 50% van de populatie het gewenste therapeutische effect geeft.

94
New cards

Wat is LD50?

Dosis die bij 50% lethaal is in een experimentele populatie.

95
New cards

Hoe wordt de klassieke therapeutische index berekend?

LD50 / ED50.

96
New cards

Is een hoge of lage therapeutische index veiliger?

Een hoge therapeutische index.

97
New cards

Welke factoren beïnvloeden de absorptie van geneesmiddelen?

O.a. voedsel, GI-motiliteit, pH en geneesmiddelinteracties.

98
New cards

Wat kan voedsel doen met Cmax en Tmax?

Soms Cmax verlagen en Tmax verhogen doordat absorptie trager/minder wordt.

99
New cards

Waarom moet ciprofloxacine niet tegelijk met bepaalde zuivel/mineraalproducten worden ingenomen?

Het kan complexen vormen met Ca²⁺, Mg²⁺, Zn²⁺ en Fe²⁺/Fe³⁺, waardoor de absorptie vermindert.

100
New cards

Welke eigenschappen bepalen de distributie van een geneesmiddel?

Onder andere molecuulgrootte, lipofiliteit en binding aan eiwitten/weefsels.