1/62
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
gevolg v veranderingen aan genetisch materiaal
= genetische afwijkingen in geslachtscellen: genetische patholgoie: mutaties
type mutaties
cytogenetische technieken: bestuderen chromosomen op structureel en numeriek niveau
moleculair-genetische technieken: analyseren genetisch materiaal (DNA/RNA) op moleculair niveau
in situ hybridisatie
= techniek gebruikt om specifieke nucleïnezuursequenties (DNA of RNA) in weefsels, cellen of chromosomen te detecteren. dit doen we door gebruik van een speciaal gemarkeerd stukje (DNA of RNA), de probe.
In 4 stappen:
Gelabelde probe:
kort stuk enkelstrengig DNA of RNA dat complementair is aan de te detecteren sequentie
probe wordt gelabeld met marker om hybridisatie zichtbaar te maken. mogelijke labels:
Radioactieve isotopen (bij klassieke ISH)
Fluorescente stoffen (bij FISH)
Enzymatische labels (bv. digoxigenine of biotine)
Denaturatie van DNA
zowel target-DNA als probe worden verhif of chemisch behandeld om dubbelstreng te scheiden in enkelstrengen
probe kan binden (hybridiseren) aan de complementaire sequentie
Hybridisatie
gelabelde probe wordt aangebracht op het preparaat (DNA of RNA) en hybridiseert (bindt) specifiek aan de complementaire DNA- of RNA- sequentie
onder stringente omstandigheden om te zorgen voor specifieke bindingen en om niet specifieke bindingen te minimaliseren
Visualisatie van de probe
afhv type label v probe worden verschillende methode gebruikt:
Fluorescentie (bij FISH): Directe waarneming onder een fluorescentiemicroscoop.
Enzymatische detectie: Een enzym (bv. alkaline fosfatase) reageert met een substraat en produceert een gekleurde reactie zichtbaar onder een lichtmicroscoop.
Autoradiografie: Bij radioactieve probes wordt de straling vastgelegd op een fotografische film.
karyogram: genoommutaties
Euploïd = cellen of organismen met een volledig aantal chromosomensets, dat exact veelvoud is vh aantal haploïde aantal (n)
Diploïd = 2 sets chromosomen 2n = normale lichaamscellen bij de mens
Haploïd = 1 set chromosomen n = geslachtscellen bij de mens
Polyploïde aantal chromosomen = meer dan 2 sets chromosomen
Aneuploïde toestand = Aantal chromosomen niet regelmatig veelvoud van haploïd aantal = te veel/weinig chromosomen aanwezig (geneische afwijking)
trisomie: 2n + 1: 1 extra chromosoom (SVD)
monosomie: 2n-1: 1 chromosoom te weinig
genoommutaties
= veranderingen in het totale aantal chromosomen v/e cel
kan leiden tot:
polyploidie = hebben van meer dan 2 volledige sets chomosomen.
ontstaat door fout tijdens celdeling (mitose, meiose)
geslachtscellen (gameten):
abnormale celdeling kan polyploïde gameten veroorzaken = ernstige genetische afwijking bij bevruchting — leidt meestal tot spontane abortus
lichaamscellen (somatische cellen):
adaptatie aan verhoogde functionele belasting kan leiden tot vormen van reuscellen
aneuploïde toestand = afwijking in aantal chromosomen: één of meerdere chromosomen te veel (trisomie) of te weinig (monosomie) zijn.
ontstaan: non-disjunctie = fout tijdens celdeling waarbij chromosomen of chromatiden niet correct uit elkaar trekken
meiose I
meiose II
mitose
waar: autosome cellen of geslachtschromosomen
gevolg:
geslachtscellen: foetale ontwikkelingsstoornissen
in lichaamscellen: neoplasie
genoommutaties schema
autosomale genoommutaties
= afwijking in aantal autosomen (mens nrml 22 paar, 44 in totaal) — mutaties meestal door non disjunctie tijdens meiose
Monosomie (2n-1: 45 chromosomen)
zeldzaam
niet levensvatbaar: spontane abortus
multipele ernstige congenitale afwijkingen ⇨ vroege sterfte
Trisomie (2n + 1: 47 chromosomen)
trisomie 21: Syndroom van Down
trisomie 18: Syndroom van Edwards
trisomie 13: Syndroom van Patau
gevolg autosomale genoommutaties
10-20% van alle zwangerschappen eindigt in een spontane abortus, vaak in het eerste trimester (de eerste 12 weken).
Uit onderzoek blijkt dat 50-70% van deze spontane abortussen veroorzaakt wordt door chromosomale afwijkingen.
autosomale genoommutatie: trisomie 13: syndroom van patau (1/20 000)
Ernstige neurologische en hartafwijkingen.
Gespleten lip en gehemelte.
Polydactylie (extra vingers of tenen).
Levensverwachting is meestal minder dan een jaar.
autosomale genoommutatie: trisomie 18: syndroom van edwards (1/5 000 - 10 000)
Ernstige groeivertraging en misvormingen.
Overlappende vingers en klompvoeten.
Hart- en nierafwijkingen.
Meeste kinderen overlijden binnen het eerste levensjaar.
syndroom van down
Trisomie 21
Incidentie 1/800-1000
Autosomaal:
# mannen = # vrouwen
Risicofactoren:
Leeftijd moeder bij geboorte
Familiaal
turner syndroom
45, X0
Korte lengte
Brede nek
Onvruchtbaarheid
Hartafwijkingen
turner syndroom (45, X0)
klinefelter syndroom (47,XXY)
Tange lichaamslengte
Kleine testikels
Vaak verminderd testosterone
overzicht genoommutaties geslachtschromosomen
Afwezigheid van X chromosoom (YO): niet levensvatbaar
Monosomie X (X0): Syndroom van Turner (1/2500)
Polysomie X
met mannelijk fenotype (XYXn): Syndroom van Klinefelter (1/1000)
met vrouwelijk fenotype (XXXn): Trisomie X (1/1000)
Polysomie Y (XYYn)
Jacob syndroom (47,XYY)
1/1000
geen kenmerkend fenotype, weinig afwijkingen (80-85% asymptomatisch)
(grote gestalte, acne, leeerproblemen, ..)
XXYY syndroom (48,XXYY)
1/40.000
gelijkaardig aan Klinefelter syndroom, + tremor & tandafwijkingen
chromosoommutaties
= afwijkende vorm genotype
chromosoombreuk: verkeerde splitsing bij disjunctie
abnormale chromosoomvormen tgv herstelproces na breuk:
deletie
insertie
duplicatie
inversie
translocatie
cri du chat syndroom
fragiel-X-syndroom
niet-kleurend gebied op lange arm van X-chromosoom
abnormale herhaling van repetitieve trinucleotidesekwentie
toename in opeenvolgende generaties
afwijking FMR-I gen
vooral mannen (1/4000)
klinisch syndroom
grote testis
lang gezicht,
grote oren
mentale retardatie,
autisme
hybridisatie en blotting
= specifieke DNA-, RNA- of eiwitfragmenten te detecteren en analyseren.
hybridisatie
= complementaire nucleïnezuurstrengen (DNA of RNA) aan elkaar binden via waterstofbruggen. Dit wordt gebruikt om een specifiek genetisch fragment te herkennen en te identificeren.
Principe:
Denaturatie: Dubbelstrengs DNA wordt door verhitting of chemische stoffen gescheiden in twee enkelstrengs moleculen.
Hybridisatie: Een gelabelde probe (een kort, complementair DNA- of RNA-fragment) bindt specifiek aan de doelsequentie via complementaire baseparing (A-T en G-C).
Detectie: De probe is gemerkt met een radioactieve, fluorescente of chemische stof, zodat de gebonden sequentie kan worden opgespoord.
Toepassingen:
Identificeren van specifieke genen in een DNA-monster.
Detecteren van mutaties of ziekteveroorzakende genen.
Onderzoeken van genexpressie via RNA-hybridisatie.
blotting
= groep technieken waarmee je DNA, RNA of eiwitten van een gel op een membraan overbrengt en vervolgens onderzoekt met behulp van hybridisatie.
= gebruikt bij DNA onderzoek (misdaad)
Polymerasekettingreactie (PCR)
= laboratoriumtechniek waarmee kleine hoeveelheden DNA exponentieel worden vermeerderd.
Denaturatie (94-98 °C, 20-30 sec):
Het dubbelstrengs DNA wordt door verhitting gescheiden in twee enkelstrengs moleculen door het breken van waterstofbruggen tussen complementaire basen
Annealing (50-65 °C, 20-40 sec):
De primers binden zich specifiek aan de complementaire sequenties op het enkelstrengs DNA matrijs
temperatuur vd stap is afhv lengte en nucleotide-samenstelling vd primers
Elongatie (72 °C, 30 sec - 1 min):
Taq-polymerase hecht zich aan de primers en bouwt een nieuwe DNA-streng op door nucleotiden toe te voegen. = verlengt de DNA streng. voegt nucleotide dNTP’s toe van 5’ naar 3’ = maakt complementaire kopie vh oorspronkelijke DNA
taq-DNA-polymerase = hittebestendig enzym
DNA-sequencering
= proces waarbij de exacte volgorde van nucleotiden (A, T, C, G) in een DNA-molecuul wordt bepaald.
3 belangrijke methoden:
human genome project
= internationaal wetenschappelijk onderzoeksproject. Het belangrijkste doel was om het volledige menselijke genoom (de totale genetische informatie in menselijke cellen) te identificeren en te analyseren.
doelen:
Gene-mapping (genetische kaart maken)
Identificeren van de locatie van genen op de chromosomen.
Vaststellen welke genen verantwoordelijk zijn voor bepaalde erfelijke eigenschappen en aandoeningen.
2⃣ Gene-sequencing (DNA-volgorde bepalen)
Bepalen van de exacte volgorde van de nucleotiden (A, T, C, G) in het menselijke DNA.
Het menselijke genoom bestaat uit ongeveer 3 miljard basenparen verdeeld over 23 paar chromosomen.
genmutaties
= permanente verandering in de DNA-sequentie van een gen. Deze mutaties kunnen het functioneren van een gen beïnvloeden en leiden tot genetische aandoeningen of variatie binnen een populatie.
Puntmutaties
Een puntmutatie is een verandering van één enkel nucleotide (A, T, C of G) in de DNA-sequentie.
Soorten puntmutaties:
Silent mutatie
Beschrijving: De mutatie verandert een codon, maar hetzelfde aminozuur wordt ingebouwd.
Gevolg: Geen effect op het eiwit.
Missense mutatie
Beschrijving: De mutatie leidt tot de vervanging van één aminozuur door een ander.
Gevolg: Verandering in het eiwit, wat kan leiden tot functieverlies of -verandering.
Nonsense mutatie
Beschrijving: De mutatie verandert een codon in een stopcodon (UAA, UAG, UGA).
Gevolg: Vroegtijdige beëindiging van de eiwitsynthese, wat leidt tot een verkort en meestal niet-functioneel eiwit.
Run-on mutatie (read-through mutatie)
Beschrijving: Een normaal stopcodon wordt veranderd in een aminozuur-coderend codon.
Gevolg: Het eiwit wordt langer dan normaal.
📌 2. Frameshift mutaties
Een frameshift mutatie ontstaat door invoeging (insertie) of verwijdering (deletie) van nucleotiden in het DNA, die niet een veelvoud van drie zijn. Dit verschuift het leesraam en verandert alle volgende codons.
👉 Soorten frameshift mutaties:
Insertie
Beschrijving: Eén of meerdere nucleotiden worden toegevoegd aan de DNA-sequentie.
Gevolg: Verschuiving van het leesraam → abnormaal of niet-functioneel eiwit.
Deletie
Beschrijving: Eén of meerdere nucleotiden worden verwijderd uit de DNA-sequentie.
Gevolg: Leesraamverschuiving → verkort of niet-functioneel eiwit.
Inversie
Beschrijving: Een stukje DNA wordt omgekeerd in de sequentie.
Gevolg: Kan het leesraam verstoren of genexpressie beïnvloeden.
genmutatie overerving
Monogene overerving betekent dat een enkel gen verantwoordelijk is voor het bepalen van een bepaald kenmerk of ziekte. Dit kan zowel dominante als recessieve overerving betreffen.
Dominante overerving: Bij dominante genen is het voldoende dat een nakomeling één exemplaar van het dominante gen van één ouder erft om het kenmerk of de ziekte tot uiting te brengen. Bijvoorbeeld, bij de ziekte van Huntington is het enige dominante gen dat wordt geërfd verantwoordelijk voor het krijgen van de ziekte.
Recessieve overerving: Bij recessieve genen moet de nakomeling twee exemplaren van het recessieve gen erfen (één van elke ouder) om het kenmerk of de ziekte tot uiting te laten komen. Bijvoorbeeld, cystic fibrosis is een recessieve aandoening.
Polygenie:
Polygenie verwijst naar een situatie waarbij meerdere genen samen bijdragen aan het fenotype (uiterlijke kenmerken) of de kans op een bepaalde aandoening. Vaak gaat het om complexe kenmerken zoals huidskleur, lengte, of intelligentie, waarbij elke gen slechts een klein effect heeft en de gezamenlijke effecten bepalend zijn.
Epistase en hypostase:
Epistase is het fenomeen waarbij het effect van één gen de expressie van een ander gen beïnvloedt. Het "epistatische" gen kan de werking van een ander gen onderdrukken of versterken. Een voorbeeld hiervan is het effect van het gen voor albinisme op andere genen die de pigmentatie bepalen.
Hypostase verwijst naar het gen dat wordt onderdrukt of gemoduleerd door het epistatische gen. Het hypostatische gen is dus afhankelijk van het epistatische gen voor de uitdrukking van zijn eigen fenotype.
Genetische heterogeniteit en pleiotropie:
Genetische heterogeniteit betekent dat verschillende genetische mutaties in verschillende genen dezelfde ziekte of aandoening kunnen veroorzaken. Bijvoorbeeld, zowel mutaties in het gen voor dystrofine als in het gen voor andere eiwitten kunnen leiden tot spierdystrofie.
Pleiotropie verwijst naar het verschijnsel waarbij één gen meerdere, ogenschijnlijk niet-gerelateerde effecten op verschillende kenmerken of systemen heeft. Een voorbeeld is het Marfan-syndroom, waar een mutatie in één gen (FBN1) verschillende lichaamskenmerken zoals lange ledematen, hartproblemen en oogafwijkingen veroorzaakt.
Penetrantie en expressiviteit:
Penetrantie verwijst naar de mate waarin een genetische mutatie tot uiting komt in een individu. Als een gen voor een bepaalde aandoening 100% penetrantie heeft, betekent dit dat alle mensen die dit gen dragen de aandoening zullen ontwikkelen. Bij minder dan 100% penetrantie kan het voorkomen dat een persoon met de genetische mutatie de aandoening niet ontwikkelt.
Expressiviteit betreft de mate van ernst of de variatie in de symptomen die een genetische aandoening tot uiting brengt. Twee mensen met hetzelfde gen kunnen de aandoening in verschillende vormen of ernst ervaren. Bijvoorbeeld, twee mensen met het gen voor de ziekte van Huntington kunnen verschillende symptomen ervaren, zelfs als ze dezelfde genetische mutatie hebben.
dominantie vs recessiviteit
De termen dominant en recessief hebben betrekking op het fenotype, dit is een erfelijke eigenschap of ziektebeeld.
Dominant:
er is dus slechts 1 afwijkend gen noodzakelijk (heterozygote toestand), dat zijn informatie heeft doorgedrukt
Gemuteerde allele komt tot expressie ondanks aanwezigheid van normaal allele op alternatieve locus
Recessief
Er zijn 2 afwijkende genen nodig om de afwijking te zien verschijnen
Beide allelen van gen moeten afwijkend zijn om ziekteverschijnselen tot expressie te laten komen
dominante en recessieve lichaams kenmerken
geslachtschromosomaal gebonden aandoeningen door genmutatie
Door X-chromosomale mutaties dominante overerving
mannen niet levensvatbaar
vrouwen: Rett syndroom (1/10000)
Door X-chromosomale mutaties recessieve overerving
expressie vooral bij mannen
zelden bij vrouwen
Geslachtschromosomaal gebonden recessieve aandoeningen (X, recessief)
Geslachtschromosomaal gebonden recessieve aandoeningen (X, recessief)
autosomaal recessieve aandoeningen
sikkelcelanemie
= erfelijke bloedziekte waarbij rode bloedcennen een abnormale, sikkelvormige structuur aannemen: pijnlijke crises of bloedarmoede
autosomaal dominante aandoeningen
familiale hypercholesterolemie
marfan syndroom
= erfelijk bindweefselaandoening
mutatie in het FBN1-gen op chromosoom 15
lange ledematen, flexibele gewrichten, ernstige risico’s voor hart en aorta
syndroom van ehlers-danlos
= erfelijke bindweefselaandoeningen: verstoorde collageenproductie
Extreem elastische of rekbare huid
Dunne, kwetsbare huid die snel blauwe plekken vertoont
Atrofische littekens (brede, dunne littekens)
Gewrichtsproblemen:
Hypermobiliteit (overstrekbare gewrichten)
Gewrichtsontwrichtingen en subluxaties (gedeeltelijke ontwrichting)
Chronische gewrichtspijn en vermoeidheid
Vasculaire complicaties (bij vasculaire EDS):
Scheuren van bloedvaten of organen (zoals darmen of baarmoeder)
Levensbedreigende interne bloedingen
Overige symptomen:
Chronische vermoeidheid en spierzwakte
Problemen met bindweefsel in hart, darmen en longen
Scoliose (kromming van de wervelkolom)
osteogenesis imperfecta
= ‘broze botziekte’ = erfelijke bindweefselaandoening
Botgerelateerde symptomen:
Frequent voorkomende fracturen (zelfs bij klein trauma).
Misvormingen van botten (bijv. gebogen benen, scoliose).
Vertraagde groei of kleine lichaamslengte.
2. Bindweefselafwijkingen:
Blauwe sclerae (blauw doorschijnend oogwit, vooral bij Type I).
Hyperlaxiteit van gewrichten (overstrekbare gewrichten).
Broze tanden (dentinogenesis imperfecta).
3. Andere symptomen:
Gehoorverlies (meestal vanaf adolescentie of volwassenheid).
Ademhalingsproblemen door misvormde ribbenkast bij ernstige vormen.
codominantie
= heterozygoot fenotype resulteert uit expressie v beide allele
vb: ABO bloedgroepen
ABO gen codeert voor cel oppervlakte eiwit
IA allele produceert A eiwit
IB allele produceert B eiwit
i (IO) allele heeft geen oppervlakte eiwit
Allelen IA & IB zijn codominant, en beide zijn dominant tov i
polygenie
= invloed v meerdere genen op expressie van 1 kenmerk of eigenschap (tegengestelde van monogene overerving)
verschillende genen op verschillende loci
cumulatieve polygenie: effect van meerdere genen additief: hoe meer "actieve" of "bijdragende" allelen aanwezig zijn, hoe sterker de uiting van de eigenschap. Elk gen draagt in kleine mate bij aan het uiteindelijke fenotype.
Hoe meer "bijdragende" allelen, hoe sterker de expressie.
Continue variatie: Eigenschappen vertonen een geleidelijke overgang zonder duidelijke categorieën.
Hoe meer genen betrokken zijn, hoe groter de variatie in het fenotype.
vb:
Lengte: Hoe meer genen bijdragen aan groei, hoe langer iemand is.
Huidskleur: Afhankelijk van het aantal actieve pigmentgenen.
Intelligentie: Beïnvloed door meerdere genen en omgevingsfactoren.
drempelpolygenie: bepaald aantal bijdragende allelen (de drempel) nodig voordat de eigenschap zich manifesteert. Totdat die drempel is bereikt, is er geen zichtbaar effect.
Discontinue variatie: Eigenschap is aanwezig of afwezig.
Zodra de genetische drempelwaarde is overschreden, verschijnt het fenotype.
Vaak geassocieerd met multifactoriële aandoeningen waarbij zowel genetische als omgevingsfactoren een rol spelen.
epistase en hypostase
epistase = gen dat expressei v ander gen onderdrukt
hypostase = gen dat wordt beïnvloed of gemaskeerd door epistatische genen
= Modificerende genen onderdrukken fenotypische uiting van bepaald gen
genetische heterogeniteit en pleiotropie
Genetische heterogeniteit : verschillende genafwijkingen (in zelfde of verschillende allelenparen) veroorzaken éénzelfde effect
allelische heterogeniteit = dezelfde aandoening veroorzaakt door verschillende mutaties in hetzelfde gen
locusheterogeniteit = dezelfde aandoening veroorzaakt door mutaties in verschillende genen
Pleiotrofie: 1 genencombinatie leidt tot uiteenlopende symptomen (‘syndroom’)
penetrantie en expressiviteit
= beschrijven hoe genetische mutaties zich uiten bij individuen
Penetrantie
mate waarin afwijkende gen (= mutatie) de ziekteverschijnselen induceert (= daadwerkelijk tot ziekteverschijnselen lijdt)
Expressie
ernst ziekteverschijnselen per getroffen individu
Variabele expressie: De ziekte kan zich bij sommige mensen mild uiten en bij anderen ernstig.
Expressie kan beïnvloed worden door:
Omgevingsfactoren (zoals dieet of leefstijl).
Modificerende genen (andere genen die de mutatie beïnvloeden).
Cystische Fibrose of mucoviscidose
= monogenetische, autosomaal recessieve aandoening
Monogenetisch
Betekenis: Cystische fibrose wordt veroorzaakt door een mutatie in één enkel gen: het CFTR-gen.
Het CFTR-gen codeert voor het Cystic Fibrosis Transmembrane Conductance Regulator-eiwit, dat zorgt voor het transport van chloride-ionen door celmembranen.
👉 2. Chromosomale Locatie
Chromosoom: 7q32 (lange arm van chromosoom 7).
👉 3. Autosomaal Recessief
Overervingspatroon: Beide ouders moeten drager zijn van een gemuteerd CFTR-allel om de ziekte door te geven.
Kans op overerving:
25%: Aangetast kind (twee gemuteerde allelen).
50%: Drager zonder symptomen (één gemuteerd allel).
25%: Gezond (geen gemuteerde allelen).
👉 4. Allelische Heterogeniteit
Betekenis: Verschillende mutaties in hetzelfde CFTR-gen kunnen cystische fibrose veroorzaken.
>2000 verschillende mutaties zijn geïdentificeerd, variërend in ernst.
werking/fout bij Cystische Fibrose of mucoviscidose
wisselende expressie bij CF
Pleiotroop ziektebeeld van Cystische Fibrose
1. Longpathologie
CF-patiënten ontwikkelen ernstige longproblemen door ophoping van taai slijm, wat infecties bevordert.
Sinusitis (90%): Chronische ontsteking van de neusbijholten door verstopt slijm, wat leidt tot hoofdpijn, neusverstopping en geurverlies.
Polyposis (6-32%): Vorming van neuspoliepen (zachte gezwellen) door chronische ontsteking, die ademhalingsmoeilijkheden veroorzaken.
Allergie: Overgevoeligheidsreacties die ademhalingsklachten kunnen verergeren.
💧 2. "Salt loss" syndroom
CF veroorzaakt een verstoorde ionenbalans door defecte chloridekanalen. Dit leidt tot:
Overmatig verlies van zout (natrium en chloride) via zweet.
Risico op uitdroging, vooral bij warm weer of fysieke inspanning.
🩸 3. CF-geassocieerde gewrichtsproblemen
CF-artropathie: Gewrichtspijn en -zwelling door chronische ontsteking.
CF-artritis: Specifieke vorm van ontsteking in de gewrichten, intermitterend van aard.
🦴 4. Osteoporose
25% van de CF-patiënten ontwikkelt osteoporose door:
Slechte opname van vitamine D (door pancreasinsufficiëntie).
Chronische ontsteking en gebruik van corticosteroïden.
Gevolg: verhoogd risico op botbreuken.
5. Vasculitis
Ontsteking van bloedvaten, die leidt tot:
Pijn, huiduitslag en soms orgaanschade.
Geassocieerd met het immuunsysteem dat overactief reageert.
🩺 6. Lever- en galproblemen
Levercirrose (25%): Beschadiging en verlittekening van de lever door ophoping van dik gal, wat leidt tot leverfalen.
Cholelithiasis (15-24%): Vorming van galstenen door stroperig gal.
Leversteatose: Ophoping van vet in de lever, vaak een vroeg teken van leverschade.
🧬 7. Urolithiasis
Vorming van nierstenen door:
Verstoorde calcium- en oxalaatstofwisseling.
Chronische uitdroging.
🍽 8. Pancreatische insufficiëntie
Exocriene disfunctie (85-90%): Onvoldoende enzymproductie, wat leidt tot slechte vet- en eiwitvertering. Symptomen: vettige diarree, gewichtsverlies.
Endocriene disfunctie (10-30%): Verstoring van insulineproductie, wat CF-gerelateerde diabetes kan veroorzaken.
🫃 9. Gastro-intestinale problemen
Gastro-oesofageale reflux (GOR) (30%): Terugvloeien van maagzuur naar de slokdarm, wat brandend maagzuur veroorzaakt.
DIOS (7-15%): Distal Intestinal Obstructive Syndrome – verstopping van de darm door dik slijm en voedselresten.
🧬 10. Obstructieve azoöspermie (98%)
Bijna alle mannelijke CF-patiënten zijn onvruchtbaar door:
Afwezigheid of verstopping van de zaadleider (congenitale bilaterale vas deferens agenese, CBAVD).
diagnose Cystische Fibrose: DNA mutatie
vaststellen vh monogenetisch defect op chromosoom 7q32
Allelische heterogeneïteit van CF gen (>2000 mutations)
'beperkte' sensitiviteit of genetic testing (<95%)
screening voor 70 mutaties
5% v mensen met aandoening, worden niet opgemerkt bij de screening
test is op zoek naar specifieke 70 verschillende genetische veranderingen
Mitochondriaal DNA (mtDNA)
= genetisch materiaal dat zich bevindt in de mitochondriën, de energiecentrales van de cel. In tegenstelling tot het DNA in de celkern (nucleair DNA), wordt mitochondriaal DNA geërfd van de moeder (via de eicel) en heeft het een aantal unieke eigenschappen.
circulair
klein aantal genen
menselijk DNA: 16.500 basenparen: bevat 37 genen die essentieel zijn voor productie v ATP in mitochondriën
afwijking mitochondriaal DNA
enkel doorgegeven via eicel = maternale overerving
maternale overerving = genetisch materiaal/eigenschappen v moeder worden doorgegeven aan nageslacht
stoornis treft vooral zuurstof-afhankelijke weefsels: hart,
skeletspieren, hersenweefsel:
mitochondriale myopathie = spieren worden aangetast door disfunctie (= te weinig energie) van de mitochondriën. Dit leidt tot spierzwakte, spierpijn, en vermoeidheid, vooral bij fysieke inspanning.
optische neuropathie = schade aan de oogzenuw, wat leidt tot verminderd gezichtsvermogen en in sommige gevallen tot blindheid.
myoclonische epilepsie = neurologische aandoening die wordt gekarakteriseerd door onwillekeurige spiercontracties (myoclonus) en epileptische aanvallen. Het kan samen gaan met andere symptomen zoals ataxie (coördinatieproblemen) en spierzwakte.
stoornis pas te voorschijn op oudere leeftijd
kearns-sayre syndroom
= progressieve spierzwakte, oogproblemen en hartafwijkingen tgv afwijkingen in mitochondriaal DNA
= heteroplasmie = aanwezigheid van meer dan één type mitochondriaal DNA (mtDNA) in een cel of weefsel.
preventie mitochondriale disfunctie
Ooplasmic transfer
cytoplasma v gezonde eicel v andere vrouw wordt overgebracht naar eicel = bevat gezonde mitochondriën
hoe detecteren v genetische ziekten: indicatie
Individueel: vermoeden genetische aandoening
onverklaarde mentale retardatie
ambigu geslacht, abnormale geslachtsontwikkeling
vermoeden spierziekten, neuromusculaire aandoening
familiaal voorkomen genetische aandoening
herhaalde miskramen, (onverklaarde) doodgeboorte
inteelt
screening naar dragerschap
X-gebonden pathologie, autosomaal recessieve pathologie, presymptomatische diagnostiek (bij dominante pathologie)
Bevolkingsonderzoek
enkel nuttig bij frekwent voorkomende mutatie en beschikbaarheid van goedkope betrouwbare test
"genetische check-up" nog niet mogelijk op grote schaal op dit moment
hoe detecteren v genetische ziekten: methodiek
aanvullende diagnostiek: beperkt tot 400-tal aandoeningen
verzamelen van familiegegevens, stamboomanalyse
klinisch onderzoek, evtl post-mortem onderzoek
opsporen van eiwitdefect: biochemische analyse
indirect aantonen enzymedeficiëntie of tekort structureel eiwit
afhankelijk van activatie eiwit:
in elk celtype → sampling van serum of urine
in bepaald celtype afkomstig van orgaan met ziekteverschijnselen → sampling van specifiek celmateriaal
opsporen van DNA-defect: moleculaire genetica
aantonen direct DNA defect dmv specifieke probes
in alle celtypes (ook niet-delende cellen)
aard mutatie soms zeer heterogeen → minder geschikt voor screening
opsporen van chromosomaal defect: cytogenetica
enkel microscopisch zichtbare afwijkingen
cellen/weefsel dat instaat is te delen (witte bloedcellen, huidcellen, ..)
karyogram
Prenatale en pre-implantatie diagnostiek
indicatie
zwangeren > 36 jr
genetische pathologie bij vorige ZWS
abnl. onderzoek van foetus
ouder(s) drager van genetische pathologie
familaal voorkomen genetische pathologie
behandeling tijdens ZWS met mogelijk nadelig effect
technieken
Bloed (NIPT) of weefselstaal
pre-implantatie genetische diagnostiek bij IVF
tijdens ZWS
beeldvorming: echografie foetus
amniocentese (vruchtwateronderzoek)
chorionvillusbiopsie (vlokkentest)
cordocentese (navelstrengpunctie)
bij pasgeborene
amniocentese
= medische procedure waarbij kleine hoeveelheid vruchtwater wordt afgenomen uit de amniotische zak die de baby in de baarmoeder omhult. Het vruchtwater bevat cellen van de baby, en de procedure wordt vaak uitgevoerd om genetische aandoeningen of andere medische problemen bij de baby te diagnosticeren. Amniocentese wordt meestal uitgevoerd tussen de 15e en 20e week van de zwangerschap.
doel test amniocentese
tijdig ontdekken van:
Chromosomale afwijkingen: Amniocentese wordt vaak gebruikt om te testen op chromosomale aandoeningen zoals Downsyndroom (trisomie 21), trisomie 18, of trisomie 13.
Genetische aandoeningen: Het kan ook worden gebruikt om te testen op genetische aandoeningen zoals cystische fibrose, spinale spieratrofie, en sikkelcelanemie.
Mitochondriale ziekten: In sommige gevallen kan amniocentese ook worden gebruikt om mitochondriale ziekten te onderzoeken, afhankelijk van de voorgeschiedenis van de familie.
Infecties:
Amniocentese kan helpen bij het detecteren van bepaalde infecties die de baby kunnen beïnvloeden, zoals toxoplasmose of bacteriële infecties.
Lungrijping:
In sommige gevallen kan amniocentese worden uitgevoerd om te testen op de rijpheid van de longen van de baby, vooral als er zorgen zijn over de mogelijkheid van een vroeggeboorte. Het testen van het vruchtwater kan helpen te bepalen of de longen van de baby voldoende ontwikkeld zijn voor de geboorte.
Zwangere complicaties:
Amniocentese kan ook worden gebruikt om complicaties zoals polyhydramnion (teveel vruchtwater) of oligohydramnion (te weinig vruchtwater) te onderzoeken, die verband kunnen houden met de gezondheid van de baby of de placenta.
chorionvillusbiopsie
= prenatale diagnostische test, waarbij weefselmonsters vd chorionvlokken (= deel placenta) worden genomen en genetische testen worden op uitgevoerd
genetische afwijkingen/ziekten identificeren
cordocentese
= prenatale diagnostische procedure waarbij bloedmonsters worden afgenomen uit de navelstreng van de baby om genetische aandoeningen of bloedziekten te testen.
detecteren van infecties, bloedziekten, andere genetische afwijkingen
waaruit bestaat genetische therapie?
genetische manipulatie van cellen of dieren
gericht op genetisch profiel individu
cell-gebaseerde technieken
reproductief klonen
therapeutisch klonen
gentherapie
DNA-rekombinant technologie
= genetisch materiaal van organismen kunnen manipuleren, combineren, en modificeren. Deze technologie maakt het mogelijk om nieuw genetisch materiaal te creëren door delen van DNA uit verschillende bronnen samen te voegen.
wordt gedaan door isolatie, knippen, verbinden van DNA en overdracht naar cel, selectie en expressie
gentherapie
germline gentherapie (van geslachtscellen)
CRISPR-Cas9 technologie = technologie om genen te bewerken
genetische modificatie v geslachtscellen of embryo’s = verandering van DNA + overerfbaar naar toekomstige generaties
gentherapie van somatische cellen = behandeling/aanpassingen in gen zijn niet overerfbaar
methodologie: vaak toegepast in cellen zoals bloedcellen, spiercellen, huidcellen of longcellen, afhankelijk van de aandoening.
uitvoering
in situ gentherapie = rechtstreeks toendienen v genetisch materiaal (DNA, RNA, genen) op plaats vd ziekte in het lichaam
doel: direct in doelcellen v lichaam therapeutische gen inbrengen
ex vivo gentherapie = cellen uit lichaam v P gehaald, genetisch gemodificeerd, terug in lichaam geïntroduceerd (vb: bloedziekte)
in vivo gentherapie = direct inbrengen v genetisch materiaal in lichaamscellen v P zonder cellen uit lichaam P verwijderen
problemen van veiligheid en efficiëntie
immuunrespons
onbedoelde genetische veranderingen
landurige effecten v therapie zijn vaak onbekend
efficiëntieproblemen
levering genetisch materiaal naar juiste cellen
kosten
beperking in doelwitcellen = sommige cellen moeilijker te behandelen
transgene dieren
= dieren die genetisch zijn gemodificeerd door het inbrengen van foreign DNA (vreemd DNA) in hun genoom, meestal om specifieke eigenschappen of genen van interesse te onderzoeken of te verbeteren. Deze genetische modificatie kan bestaan uit het toevoegen van nieuwe genen, het uitschakelen van bestaande genen, of het veranderen van de werking van bepaalde genen in het dier.
therapeutisch klonen
genetisch identieke cellen of weefsels te creëren, meestal met als doel het behandelen of genezen van ziekten, zonder dat de gekloonde cellen tot een volledig organisme worden ontwikkeld. Het doel van therapeutisch klonen is het produceren van embryonale stamcellen die genetisch identiek zijn aan die van een patiënt, zodat deze cellen gebruikt kunnen worden voor medische behandelingen, zoals regeneratie van weefsels of organen, of het behandelen van bepaalde ziektes. (bv diabetes)