1/41
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
1. Wat is het belang van de axiale periode voor de geschiedenis van de Mensheid?
De axiale periode (800-300 v.Chr.) is een scharniermoment.
Wereldwijde, gelijktijdige verandering: Er ontstonden, grotendeels onafhankelijk van elkaar, nieuwe religieuze, morele en filosofische systemen (o.a. in China, India, het Midden-Oosten en Griekenland).
Overgang naar kritisch denken: Het markeert de overgang van mythisch naar kritisch, reflexief en universeel denken. Bestaande tradities en politieke ordes werden in vraag gesteld.
Voorwaarden: Deze doorbraak was mogelijk door een zekere beschavingsgraad (schriftcultuur, landbouwoverschot, steden).
Westerse invloed: Voor het Westen is vooral het ontstaan van de filosofie in Griekenland cruciaal, waar de rede (en niet religieuze openbaring) centraal kwam te staan.
2. Welke vernieuwing brengen de eerste Griekse filosofen in de Griekse cultuur? Leg uit aan de hand van 2 Pre-socratische filosofen.
De presocratici brachten een radicale vernieuwing: de overgang van mythos naar logos. Ze zochten niet naar goddelijke interventies, maar naar een rationeel principe, de archè (oergrond), om de werkelijkheid te verklaren.
Thales van Milete: Stelde dat water de oerstof was. Hij verklaarde de natuur vanuit één natuurlijk principe, niet via godenverhalen. De kosmos werd een bezielde en rationeel begrijpbare harmonie.
Anaximander: Ging verder in abstractie met het apeiron (het onbepaalde) als archè. Hij zag de natuur als een dynamisch proces van tegengestelde krachten en had een vroege vorm van evolutionair denken.
3. Vergelijk de ontologie (zijnsleer) van Herakleitos en Parmenides. Wat is de betekenis van hun filosofie voor de filosofie van Plato en Aristoteles?
Herakleitos: De kern van de werkelijkheid is het worden. Alles stroomt (panta rhei). De kosmos is een dynamisch proces van voortdurende verandering, gedreven door tegenstelling en strijd (polemos).
Parmenides: De kern van de werkelijkheid is het zijn. Het ware zijn is eeuwig, onveranderlijk en ondeelbaar. Verandering is schijn (doxa). Denken, zijn en waarheid vallen samen.
Betekenis voor Plato en Aristoteles:
Plato verzoent beide door de onveranderlijke Ideeënwereld (van Parmenides) te stellen tegenover de veranderlijke zintuiglijke wereld (van Herakleitos). Ware kennis is alleen van de Ideeën.
Aristoteles verwerpt de strenge scheiding. Hij neemt de substantie van Parmenides over, maar begrijpt wording als een overgang van potentie naar act, waarmee verandering rationeel verklaarbaar wordt.
4. Hoe ziet Plato de indeling van de ideale staat? Waarom is de filosofie hier zo belangrijk?
De ideale staat in de Politeia is opgebouwd uit drie standen, die elk een specifieke deugd belichamen:
Boeren en werklieden (materiële behoeften) – Deugd: Gematigdheid.
Wachters (bescherming van de staat) – Deugd: Moed.
Leiders/Bestuurders (regeren) – Deugd: Wijsheid.
Als elke stand zijn eigen taak vervult, ontstaat de overkoepelende deugd: Rechtvaardigheid.
Belang van filosofie: Alleen de filosoof heeft kennis van de Idee van het Goede. Politiek mag niet door retoriek of populisme gestuurd worden, maar door inzicht in wat werkelijk goed is. Daarom moeten de besten regeren als koning-filosofen.
5. Leg uit: Plato's mythe van de wagenmenner. Wat leert ons dit over zijn visie op de rol van de rede en de filosofie in het menselijk bestaan?
In de Phaedrus stelt Plato de ziel voor als een strijdwagen, getrokken door twee paarden en bestuurd door een menner:
Goede paard: Het omhoogstrevende deel (thumos), gericht op waarheid.
Slechte paard: De neerwaartse krachten, begeerte en genot.
Menner: De rede (logistikon), die de teugels in handen moet nemen om balans te houden en de ziel naar het goede te leiden.
Wat het ons leert: Filosofie en rede zijn essentieel om de passies te beteugelen, het karakter te vormen en een deugdzaam leven te leiden. Alleen zo wordt iemand rechtvaardig en, voor Plato, geschikt voor leiding in de staat.
6. Wat is de kern van Plato's allegorie van de Grot?
De allegorie illustreert Plato's dualisme en visie op kennis:
Leven in de grot (materiële wereld): De gevangenen zien alleen schaduwen op de rotswand en nemen die voor de werkelijkheid. Hun kennis is doksa (mening), gebaseerd op bedrieglijke zintuiglijke ervaring.
Buiten de grot (wereld van de ideeën): Hier kan de ziel via de rede (logos) ware kennis (epistèmè) verwerven van de eeuwige, onveranderlijke ideeën, met het Goede als hoogste (voorgesteld door de zon).
Filosofie als weg: Filosofie is de weg van de illusie naar de waarheid. Het is een oefening in rede die de ziel in contact brengt met de ware werkelijkheid.
7. Leg uit: het Platoons dualisme.
Het Platoonse dualisme is de opvatting dat de werkelijkheid uit twee fundamenteel verschillende niveaus bestaat:
Materiële wereld (lichamelijk): Veranderlijk, vergankelijk, gekend via de zintuigen. Kennis hierover is doksa (onzeker).
Ideeënwereld (geestelijk): Eeuwig, onveranderlijk, rationeel en perfect. Gekend via de rede en filosofische kennis (epistèmè).
Dit dualisme geldt ook voor de mens: het sterfelijke, chaotische lichaam versus de eeuwige, naar de goede strevende ziel (psuchè). Filosofie helpt de ziel zich te verheffen boven de illusie van het zintuiglijke.
8. Welke staatsvormen onderscheidt Plato en wat is volgens hem de beste staatsvorm?
Plato onderscheidt vijf staatsvormen:
Aristocratie: (Beste) Regeerders zijn de koning-filosofen. Rechtvaardig, gebaseerd op wijsheid.
Timocratie: Gedreven door eer en ambitie.
Oligarchie: Macht ligt bij de rijken, hebzucht overheerst.
Democratie: Vrijheid en gelijkheid, maar leidt tot chaos en populisme.
Tirannie: (Slechtste) Macht van een alleenheerser uit eigenbelang, leidt tot onderdrukking.
Beste staatsvorm: De aristocratie. Alleen een staat geleid door filosofen met inzicht in het Goede kan rechtvaardigheid en harmonie realiseren.
9. Welke kritiek had Popper op de politieke filosofie van Plato?
Karl Popper bekritiseert Plato omdat hij de staat door een geprivilegieerde elite (de koning-filosoof) wil laten leiden die de waarheid in pacht heeft. Popper ziet dit als een voedingsbodem voor totalitarisme en een gevaarlijk anti-democratisch elitisme.
10. Waarom is filosofie zo'n essentieel onderdeel van de opvoeding van de wachters in de Politeia?
Filosofie is essentieel voor de wachters omdat het hen in staat stelt:
Karaktervorming: De filosofie brengt de ziel in harmonie en maakt hen bewust van de eeuwige orde van de ideeënwereld.
Beteugeling van passies: Het helpt hen om neerwaartse krachten (lust, eerzucht) te overwinnen.
Morele training: Het leert hen liefde voor het Goede en rechtvaardigheid.
Competentie: Pas door filosofische training kunnen zij het algemeen belang boven persoonlijke belangen stellen en wijs en rechtvaardig regeren.
11. Waarom kun je de filosofie van Plato een 'metafysica van het Goede' noemen?
De filosofie van Plato is een 'metafysica van het Goede' omdat hij het hoogste doel van de werkelijkheid en de mens verbindt met de eeuwige, onveranderlijke orde van de Ideeën, waarin het Goede de hoogste en meest fundamentele idee is. Het Goede is de bron en grond van alle andere ideeën (zoals rechtvaardigheid, schoonheid, moed). De menselijke ziel kan via de filosofie dit hogere Goede aanschouwen, waardoor ze inzicht krijgt in de eeuwige waarheid en het hoogste doel van het menselijk leven.
12. Leg uit: er is een mystieke dimensie in Plato's filosofie.
Er is een mystieke dimensie in Plato's filosofie omdat hij uitgaat van een hogere, eeuwige werkelijkheid (de ideeënwereld) die voorbij de zintuiglijke ervaring ligt. Deze werkelijkheid kan niet volledig worden gevat door het aardse verstand; het Goede is een transcendente, bijna "onkenbare" realiteit. Het proces van verlichting of wederherinnering (anamnese) is een innerlijke reis van de ziel naar haar oorsprong, waarbij de ziel een bijna transcendente eenheid met het Goede kan ervaren. Filosofie wordt zo een spirituele oefening die de mens dichter bij zijn hoogste bestemming brengt.
13. Welke kritiek heeft Aristoteles op de Platoonse ideeënleer?
Aristoteles' kritiek is empirisch en metafysisch realistisch:
Onderwaardering van de zintuiglijke wereld: Kennis begint bij de concrete ervaring, niet bij een aparte ideeënwereld.
Verwerping van transcendentie: Vorm en materie zijn onlosmakelijk verbonden in concrete substanties. De essentie van een ding is immanent, niet transcendentaal.
Pluriform Goede: Het Goede is niet één absoluut idee, maar manifesteert zich in de verwerkelijking van het eigen doel (telos) van verschillende dingen.
Te speculatief: De filosofie moet eerst de concrete werkelijkheid onderzoeken via waarneming en inductie.
14. Op welke wijze is de 4-oorzakenleer van invloed op het mensbeeld van Aristoteles?
De vier-oorzakenleer bepaalt hoe Aristoteles de mens als substantie ziet:
Materiële oorzaak: Het lichaam, de stoffelijke basis.
Vormoorzaak (de ziel): De ziel is de vorm van het lichaam, ze verleent identiteit en functies. De mens is een hylomorfische eenheid (lichaam en ziel).
Efficiënte oorzaak: De mens ontstaat via natuurlijke voortplanting.
Finale oorzaak (telos): De mens is gericht op een doel: het verwerkelijken van zichzelf als een rationeel wezen. Het goede leven is het realiseren van deze natuurlijke bestemming.
15. Leg uit: de Polis is volgens Aristoteles essentieel voor het bereiken van de Eudaimonia.
De polis is essentieel omdat de mens van nature een sociaal en politiek wezen (zoōn politikon) is.
Morele vorming: Deugden zoals rechtvaardigheid en moed kunnen alleen tot volle ontwikkeling komen binnen een sociale context. Wetten en opvoeding in de polis vormen het karakter.
Vriendschap (philia): Ware vriendschap, een essentieel onderdeel van het goede leven, is alleen mogelijk in een gemeenschap.
Bonum commune: De polis is gericht op het gemeenschappelijk goed, dat het particuliere belang overstijgt en de voorwaarden schept voor culturele en morele bloei. Eudaimonia is onmogelijk in isolement.
16. Wat verstaat Aristoteles onder de phronèsis? Welke rol spelen respectievelijk de phronèsis en de emoties in het morele leven?
Phronèsis: Dit is praktische wijsheid of oordeelsvermogen. Het is een intellectuele deugd die de mens in staat stelt om in concrete situaties te oordelen wat goed en gepast is om te doen. Het helpt om het juiste midden te vinden tussen extremen.
Rol in morele leven:
Phronèsis: Geeft richting aan de karakterdeugden. Ze maakt moreel inzicht effectief in de praktijk.
Emoties: Emoties zijn voor Aristoteles geen irrationele krachten, maar onmisbaar voor een goed leven. Een deugdzaam mens heeft de "juiste" emoties. De phronèsis leert ons welke emoties passend zijn en in welke mate. Emoties en rede werken samen.
17. Welke staatsvormen onderscheidt Aristoteles en op basis van welk criterium onderscheidt hij goede van geperverteerde staatsvormen?
Aristoteles onderscheidt drie goede staatsvormen (gericht op het gemeenschappelijk goed):
Monarchie (een heerser)
Aristocratie (een groep besten)
Politeia (gemengde vorm, gematigde volksdeelname)
De geperverteerde tegenhangers (gericht op eigenbelang):
Tirannie (van monarchie)
Oligarchie (van aristocratie)
Democratie (van politeia)
Criterium: Het bonum commune (gemeenschappelijk goed). Een staatsvorm is goed wanneer ze het algemeen welzijn nastreeft; geperverteerd wanneer ze particuliere belangen dient.
18. Welke vormen van rechtvaardigheid onderkent Aristoteles?
Aristoteles onderkent drie vormen van rechtvaardigheid:
Distributieve rechtvaardigheid: De eerlijke verdeling van goederen, rijkdom en eer naar verhouding van ieders bijdrage.
Commutatieve rechtvaardigheid: De rechtvaardigheid in ruilverhoudingen (handel, contracten), gebaseerd op strikte gelijkheid.
Retributieve rechtvaardigheid: Het herstellen van onrecht, waarbij straf of compensatie in verhouding moet staan tot de begane fout.
19. Vergelijk de visie van Aristoteles op de verhouding ziel/lichaam met die van Plato.
Plato (Dualistisch):
De ziel is een zelfstandige, onstoffelijke substantie die los van het lichaam bestaat.
Het lichaam is een gevangenis van de ziel.
De ziel is onsterfelijk. Het doel is bevrijding van het lichaam.
Aristoteles (Hylomorfisch):
Ziel en lichaam vormen een wezenlijke eenheid. De ziel is de vorm van het lichaam.
Zonder lichaam is er geen menselijke ziel, zonder ziel geen levend lichaam.
De ziel is niet onsterfelijk; zij stopt te bestaan bij de dood. De mens is een natuurlijke, organische eenheid.
23. Welke rol kent het scepticisme toe aan de filosofie? Vergelijk met Plato.
Scepticisme: Zekere kennis is onmogelijk omdat de rede feilbaar is. De filosoof beoefent de épochè (het opschorten van oordeel). Het doel van de filosofie is niet kennis, maar ataraxia (innerlijke rust) en tolerantie.
Vergelijking met Plato:
Plato: De rede is de sleutel tot ware kennis van de Ideeënwereld, wat leidt tot een deugdzaam leven. Filosofie leidt tot objectieve waarheid.
Scepticisme: De rede is onbetrouwbaar. Filosofie is geen zoektocht naar waarheid, maar een middel tot levenskunst, gericht op het vermijden van dogmatisch lijden door twijfel te cultiveren.
20. In zijn Ethica Nicomachea ontwerpt Aristoteles een teleologische ethiek. Leg uit.
Aristoteles' ethiek is teleologisch omdat ze vertrekt van het doel (telos) waarnaar de mens streeft.
Hoogste doel: Het hoogste doel is eudaimonia, waarachtig geluk. Dit is geen subjectief gevoel, maar een duurzame toestand van geslaagd leven.
Menselijke natuur: Eudaimonia bestaat in het uitoefenen van de rede en het leven overeenkomstig de rede, omdat de mens een rationeel wezen (animal rationale) is.
Deugden: Het bereiken van eudaimonia gebeurt door het ontwikkelen van deugden (karaktereigenschappen) die de mens afstemmen op zijn natuurlijke doel. Goed handelen is handelen dat bijdraagt aan dit doel.
21. Leg de band tussen wereldbeeld en levenskunst in het epicurisme uit.
Wereldbeeld (Materialistisch Atomisme): De werkelijkheid bestaat uit materie in beweging. De mens is een sterfelijk, lichamelijk deel van de natuur, zonder transcendente bestemming.
Levenskunst: Omdat de mens sterfelijk is, ligt het hoogste goed in genot en het vermijden van pijn. Dit is geen ongebreideld hedonisme, maar een verfijnd genot dat leidt tot ataraxia (innerlijke rust).
Band: Inzicht in de natuur (wereldbeeld) leidt tot praktische regels voor een gelukkig leven (levenskunst). Omdat de dood bijvoorbeeld het einde is, hoeven we er niet bang voor te zijn.
22. Wat is de kern van de stoïcijnse ethiek?
Wereldbeeld: Het universum is een geordend, deterministisch geheel, bestuurd door goddelijke voorzienigheid.
Ethiek: Geluk ligt in zelfbeheersing en het accepteren van het lot (amor fati). De mens kan gebeurtenissen niet veranderen, maar wel zijn reacties en passies beheersen.
Doel: Het ontwikkelen van innerlijke vrijheid en rust door de rede te volgen en zich niet te laten meeslepen door emoties.
24. Het christendom beantwoordde aan een spirituele behoefte waaraan de Griekse en Hellenistische filosofie niet kon beantwoorden. Leg uit.
Griekse filosofie: Was intellectualistisch en rationeel, gericht op een intellectuele elite. Ze bood geen bevredigend antwoord op het probleem van lijden en kwaad en had een statisch, cyclisch wereldbeeld.
Christendom:
Persoonlijke God: Een liefhebbende, lijdende God die een verbond aangaat met de mens.
Zin in lijden: Lijden krijgt betekenis binnen een heilsgeschiedenis.
Universele toegang: Het heil staat open voor alle mensen, niet alleen voor een elite.
Dynamisch wereldbeeld: De geschiedenis is lineair en heeft een einddoel (eschatologie).
Persoonlijke relatie: Een directe relatie met God gebaseerd op geloof, niet op scholing.
25. Waarom was volgens Augustinus het manicheïsme niet in overeenstemming met de kern van het christendom?
Augustinus verwierp het manicheïsme omdat het een dualismus predikte: een eeuwige strijd tussen twee gelijkwaardige, metafysische principes (goed en kwaad). Dit is onverenigbaar met het christelijk monotheïsme:
Het ondermijnt Gods almacht en goedheid.
Het kwaad wordt een zelfstandige macht, terwijl Augustinus het opvat als een privatio boni (een tekort aan het goede), een gevolg van de vrije wil van de mens.
Het ondermijnt de christelijke heilsleer, waarin het goede uiteindelijk definitief overwint.
26. Wat leert ons de leer van de erfzonde over de menselijke wil? Illustreer aan de hand van Augustinus' mensbeeld.
De leer van de erfzonde leert dat de menselijke wil vrij, maar fundamenteel verzwakt is.
Augustinus' mensbeeld: De mens is innerlijk gespleten. Hij wil vaak wel het goede, maar kan het niet consequent doen (Confessiones). De wil is wispelturig en verscheurd tussen verlangen naar God en aardse genoegens.
Consequentie: De mens is verantwoordelijk voor zijn zonden, maar kan zichzelf niet redden. Verlossing is alleen mogelijk door Gods genade. De menselijke wil kan alleen door Gods hulp weer op het goede worden gericht.
27. Welke centrale idee verdedigt Augustinus in De Stad Gods (De Civitate Dei) over de rol van de Kerk in de wereld?
In De Civitate Dei verdedigt Augustinus dat de Kerk in de wereld geen wereldlijke macht is, maar een pelgrimerende gemeenschap die vooruitwijst naar de Stad Gods.
Twee steden: Er is een fundamenteel onderscheid tussen het aardse rijk (liefde tot zichzelf, Babylon) en de Stad Gods (liefde tot God).
Rol van de Kerk: De Kerk is een afspiegeling van de Stad Gods op aarde, maar valt er niet mee samen. Ze is een gemeenschap van gelovigen die onderweg zijn naar hun uiteindelijke bestemming.
Politieke implicatie: Geen enkel politiek rijk kan aanspraak maken op goddelijke volmaaktheid. De mens moet niet vertrouwen op menselijke macht voor verlossing.
28. De menselijke wil en rede zijn volgens Augustinus gespleten. Wat bedoelt hij daarmee?
De gespletenheid betekent een innerlijke verdeeldheid en spanning in de mens.
Wil: De wil is verdeeld. De mens wil het goede, maar doet het kwade. Hij ervaart "twee willen" in één ziel, een halfslachtigheid.
Rede: De rede kent de waarheid, maar ervaart haar eigen beperking. Ware kennis is alleen mogelijk door Gods verlichting (illuminatieleer). Wie alleen op de rede vertrouwt, vervalt in hoogmoed.
Betekenis: Deze breuk is het gevolg van de erfzonde en verklaart de fundamentele onrust van de mens: "Mijn hart is onrustig tot het rust vindt in U."
29. Leg uit: voor Augustinus helpt de filosofie het geloof beter te begrijpen.
Voor Augustinus is filosofie een dienares van het geloof.
Rol van de filosofie: Ze traint het verstand om rekenschap te geven van wat men gelooft. Filosofische concepten worden gebruikt om christelijke ideeën te verhelderen (bijv. het kwaad als privatio boni).
Grenzen van de filosofie: De rede kan alleen verhelderen, niet vervangen. Ze toont haar eigen grenzen en bereidt zo de geest voor op het geloof, dat de waarheid schenkt.
30. 'De Bijbel bevat een eschatologische visie op de geschiedenis'. Hoe komt dit tot uiting in de filosofie van Augustinus?
In de filosofie van Augustinus komt dit tot uiting in zijn visie op de geschiedenis als een lineair heilsverhaal.
Twee steden in de geschiedenis: De geschiedenis is het toneel van de strijd tussen de aardse stad en de Stad Gods.
Einddoel: De geschiedenis is gericht op een voltooiing. De Stad Gods wordt pas ten volle gerealiseerd aan het einde der tijden (eschaton), na het Laatste Oordeel.
Betekenis van politiek: Aardse rijken zijn ondergeschikt en vergankelijk. Ze maken deel uit van Gods heilsplan, maar zijn niet het doel.
31. Op welke wijze illustreren Augustinus' Belijdenissen de kern van het christendom?
De Belijdenissen tonen de kern van het christendom existentieel en persoonlijk:
Christelijk mensbeeld: De innerlijke strijd en onrust illustreren de leer van de erfzonde.
Genade: Augustinus' bekering wordt niet getoond als een triomf van de wil, maar als een gave van Gods genade.
Persoonlijke relatie: Het hele werk is een gebed, een directe relatie tot God.
Innerlijke weg: Ware waarheid is niet abstract, maar samenvalt met bekering van het hart.
32. Hoe ziet Thomas van Aquino de verhouding tussen geloof en rede?
Thomas ziet geloof en rede als complementair.
Rede: De rede, gesteund door een innerlijk goddelijk licht (lumen naturale), kan de wereld begrijpen en biedt een rationele basis voor het geloof (bijv. in Godsbewijzen).
Geloof: Het geloof opent de transcendente dimensie die de rede niet volledig kan omvatten, zoals het ultieme fundament van het bestaan (God).
Samenwerking: De rede bereidt voor en verheldert; het geloof voltooit het rationele inzicht. Rede en geloof werken samen in een hiërarchische verhouding.
33. Wat is de kern van Thomas' 'vijf wegen' argument?
De "vijf wegen" zijn a posteriori argumenten die vanuit de waarneming van de wereld redeneren naar het bestaan van God:
Beweging: Er moet een onbewogen beweger zijn.
Causale keten: Er moet een eerste oorzaak zijn.
Contingentie: Er moet een noodzakelijk zijnde zijn.
Graden van volmaaktheid: Er moet een volmaakte standaard bestaan.
Doelgerichtheid: Er moet een ultiem doel zijn.
Conclusie: Deze wijzen naar één ultieme werkelijkheid: God.
34. Waarom kende het Thomisme een heropleving in de 19de eeuw?
Het Thomisme kende een heropleving, met name door de encycliek Aeterni Patris (1879) van paus Leo XIII.
Reactie op moderniteit: De Kerk zocht een filosofisch kader om te reageren op de opkomst van atheïsme, sciëntisme en marxisme.
Synthese: Thomas' synthese van geloof en rede bood een rationeel verantwoorde basis tegen deze trends en maakte de Kerk intellectueel respectabel.
35. Waarom onderscheidt Thomas van Aquino 'ego' en 'anima'?
Thomas onderscheidt 'ego' en 'anima' om twee dimensies van de mens te verzoenen:
Ego: Het concrete, sterfelijke individu, ingebed in het lichaam en de sociale context.
Anima (ziel): De onstoffelijke, rationele kern van de mens die gericht is op God en in principe los van het lichaam kan bestaan.
Doel: Het onderscheid maakt het mogelijk om het empirische, sterfelijke leven (ego) te verzoenen met de christelijke idee van de onsterfelijkheid en spirituele bestemming van de ziel (anima).
36. In welke zin is de scheppingsidee bij Thomas radicaal verschillend van de kosmologie van Aristoteles?
Aristoteles: De kosmos is eeuwig. Materie bestaat altijd. De Eerste Oorzaak is een contemplatief principe, niet scheppend.
Thomas: Er is een schepping uit het niets (creatio ex nihilo). Alle eindige wezens zijn contingent en worden door God tot bestaan gebracht. Alleen God is zuiver act en noodzakelijk. Thomas introduceert contingentie en absolute afhankelijkheid van God als fundamentele eigenschappen van de werkelijkheid.
37. Wat zijn de drie goddelijke deugden volgens Thomas? Wat leert dit over zijn ethiek?
De drie goddelijke deugden zijn:
Geloof (fides)
Hoop (spes)
Liefde (caritas)
Wat dit leert over zijn ethiek: Thomas' ethiek is een deugdethiek, maar aangevuld met een theologische dimensie. Naast natuurlijke en intellectuele deugden zijn deze goddelijke deugden nodig om het ultieme doel van de mens te bereiken: de eenwording met God (beatitudo). Het handelen wordt niet alleen door rede, maar ook door genade gestuurd.
38. Kan de mens volgens Thomas autonoom tot volkomen geluk komen? Waarom wel of waarom niet?
Nee, de mens kan niet autonoom tot volkomen geluk (beatitudo) komen.
Argumentatie:
Natuurlijk verlangen: Het ultieme geluk is de eenwording met God, wat de menselijke mogelijkheden overstijgt.
Beperkingen: De menselijke rede en wil zijn eindig en geneigd tot het kwaad (erfzonde).
Genade: Het volmaakte geluk vereist Gods genade.
Theologische deugden: Deze deugden zijn noodzakelijk en kunnen niet autonoom worden ontwikkeld.
Conclusie: De mens kan moreel veel bereiken, maar het volkomen geluk is een gave die hij niet uit eigen kracht kan realiseren.
39. Leg het verschil uit tussen de Natuurwet en de positieve wet bij Thomas van Aquino.
Natuurwet: De morele wet die God in het menselijk intellect heeft geplaatst. Het is een ingeboren, universeel inzicht in goed en kwaad, de basis voor moraal en politiek.
Positieve wet: Door mensen opgestelde wetten om het samenleven te ordenen. Ze kunnen variëren per staat en ontlenen hun legitimiteit aan de mate waarin ze in overeenstemming zijn met de Natuurwet en het bonum commune bevorderen.
40. Leg het verband tussen erfzonde en genade uit in het christendom.
Erfzonde: De erfzonde betekent dat de mens geneigd is tot het kwaad. Zijn natuurlijke neiging tot deugd is verstoord.
Genade: Genade is nodig om deze neiging te overwinnen en een God welgevallig leven te leiden. Door genade, sacramenten en geloof kan de mens zijn rede en wil afstemmen op het goede.
Verband: De erfzonde creëert een permanente behoefte aan Gods genade. Zonder genade kan de mens zijn spirituele bestemming, het volkomen geluk, niet realiseren.
41. Kan volgens Willem van Ockham het bestaan van God worden bewezen?
Nee, volgens Ockham kan het bestaan van God niet door de rede worden bewezen.
Breuk met de rede: Hij breekt met het vertrouwen in de rede dat bij Thomas nog aanwezig was.
Verval van de natuurlijke theologie: Natuurlijke theologie verliest haar status.
Voluntarisme: Gods Wil is ondoorgrondelijk en Zijn goedheid is niet rationeel te bewijzen.
Scepticisme: Zijn nominalisme creëert een kloof tussen de geest en de wereld, wat het vertrouwen in de rede ondermijnt.
Conclusie: Het bestaan van God is een kwestie van geloof, niet van rationeel bewijs.
42. Wat is de betekenis van het nominalisme van Ockham?
Ockhams nominalisme heeft een drievoudige betekenis:
Ontologisch (Het scheermes): Universele begrippen hebben geen zelfstandig bestaan; het zijn slechts namen (nomina) voor concrete individuen. Alleen individuele entiteiten bestaan werkelijk (Entia non sunt multiplicanda praeter necessitate).
Kennistheoretisch: Taal fungeert als een filter tussen de geest en de werkelijkheid. Dit creëert een kloof en leidt tot scepticisme over de vraag wat de werkelijkheid op zich is.
Historisch: Ockham is een breukfiguur die afstand neemt van zowel Plato's idealisme als het Aristoteliaans-Thomistisch realisme. Hij opent de weg naar het moderne denken (via moderna) door de basis te leggen voor een meer empirische en sceptische benadering.