Studietaak 2.2. Moderne kijk op persoonlijkheid en The Five-factor model of personality consensus and controversy - Ankikaartjes
0.0(0)
Studied by 0 people
Call Kai
Learn
Practice Test
Spaced Repetition
Match
Flashcards
Knowt Play
Card Sorting
1/29
There's no tags or description
Looks like no tags are added yet.
Last updated 1:06 PM on 8/9/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
30 Terms
1
New cards
Wat is het Vijffactorenmodel / de Big Five?
Een psycholexicaal persoonlijkheidsmodel waarin persoonlijkheidsbeschrijvende woorden worden geordend in vijf brede factoren: Extraversie, Vriendelijkheid, Zorgvuldigheid, Emotionele Stabiliteit en Intellect. Het model is vooral een taxonomie: het ordent persoonlijkheidstrekken, maar verklaart gedrag niet volledig.
2
New cards
Wat is het Five-Factor Model?
Een vragenlijstgebaseerd model van Costa en McCrae met vijf domeinen: Neuroticisme, Extraversie, Openheid voor Ervaringen, Vriendelijkheid en Consciëntieusheid. Het FFM lijkt op de Big Five, maar heeft een andere oorsprong: vragenlijstonderzoek in plaats van rechtstreeks psycholexicaal onderzoek.
3
New cards
Wat houdt de lexicale hypothese in?
De hypothese dat belangrijke en sociaal relevante individuele verschillen tussen mensen uiteindelijk in taal worden vastgelegd. De zwakke versie ziet taal als nuttige bron; de sterke versie stelt problematisch genoeg dat taalstructuur gelijk is aan persoonlijkheidsstructuur.
4
New cards
Wat is factoranalyse?
Een statistische techniek waarmee samenhang tussen variabelen wordt teruggebracht tot een kleiner aantal onderliggende factoren. In persoonlijkheidsonderzoek clustert factoranalyse eigenschappen die sterk positief of negatief met elkaar samenhangen.
5
New cards
Wat is een facet?
Een smallere trek onder een brede factor. Facetten laten zien dat mensen met dezelfde domeinscore toch verschillend kunnen zijn, bijvoorbeeld sociaal maar niet assertief, of assertief maar niet sociaal.
6
New cards
Wat zijn nuances?
Zeer smalle trekken onder facetniveau, vaak zichtbaar in afzonderlijke items. Nuances kunnen unieke variantie hebben die stabiel, erfelijk en door observatoren herkenbaar is.
7
New cards
Iemand is sociaal, assertief, energiek en opgewekt. Welke Big-Five-factor herken je?
Extraversie. De kern is sociale gerichtheid, assertiviteit, energie, activiteit en positieve emotionaliteit.
Zorgvuldigheid / Consciëntieusheid. Deze factor voorspelt onder meer werkprestaties en hangt samen met zelfdiscipline, orde en volharding.
9
New cards
Een factor bevat woorden als corrupt, jaloers, duivels en onaangenaam. Welk alternatief model past hierbij?
De Big Seven, specifiek Negatieve Valentie. Deze factor ontstaat vooral wanneer evaluatieve woorden worden meegenomen in psycholexicaal onderzoek.
10
New cards
Een model voegt Eerlijkheid-Bescheidenheid toe als extra factor. Welk model is dit?
Het Big-Six- of HEXACO-model. Belangrijk: hierdoor wordt Vriendelijkheid smaller, omdat eerlijkheid en bescheidenheid deels worden afgesplitst.
11
New cards
In een cultuurstudie blijken nationale stereotypen betrouwbaar gedeeld, maar niet accuraat. Welk begrip hoort hierbij?
Consensueel nationaal stereotype. Betrouwbaarheid betekent hier dat mensen het eens zijn over het stereotype; dat betekent niet dat het stereotype overeenkomt met gemeten geaggregeerde persoonlijkheid.
12
New cards
Een schaal lijkt een nieuwe factor te meten, maar na controle voor instemmend antwoorden laadt zij vooral op Openheid. Welk voorbeeld hoort hierbij?
Spiritualiteit / Zelftranscendentie. Dit laat zien dat een schijnbare extra factor een methodeartefact kan zijn.
13
New cards
Wat is het belangrijkste verschil tussen Big Five en FFM?
De Big Five komt uit psycholexicaal onderzoek naar persoonlijkheidswoorden; het FFM komt uit vragenlijstonderzoek van Costa en McCrae. Inhoudelijk lijken ze sterk op elkaar, maar de oorsprong, terminologie en meettraditie verschillen.
14
New cards
Vergelijk Big Five, Big Six, Big Seven en Big Eight in één kernzin.
Big Five ordent in vijf brede factoren; Big Six voegt Eerlijkheid-Bescheidenheid toe; Big Seven voegt Positieve en Negatieve Valentie toe door evaluatieve termen mee te nemen; Big Eight gebruikt alle woordklassen en bevat onder andere Hedonisme.
15
New cards
Wat is het verschil tussen universaliteit volgens vragenlijstonderzoek en volgens psycholexicaal onderzoek?
Vragenlijstonderzoek ondersteunt de wereldwijde herkenbaarheid van het FFM sterk. Psycholexicaal onderzoek laat meer variatie zien, vooral in de vijfde factor. Daarom is de conclusie genuanceerd: het model is robuust, maar niet volledig universeel.
16
New cards
Vergelijk Eysencks PEN-model met de Big Five.
Het PEN-model heeft drie biologisch verklaarde supereigenschappen: Psychoticisme, Extraversie en Neuroticisme. De Big Five heeft vijf factoren en is vooral taxonomisch en psycholexicaal. Eysenck bekritiseerde de Big Five als atheoretisch.
17
New cards
Wat is het verschil tussen alfa/bèta en Dynamiek/Affiliatie?
Alfa en bèta zijn hogere-ordefactoren boven de Big Five, maar hun interpretatie is omstreden vanwege mogelijke evaluatieve vertekening. Dynamiek en Affiliatie zijn panculturele abstracte factoren die in twee- en driefactorstructuren terugkomen.
18
New cards
Wat is het verschil tussen nationaal karakter en geaggregeerde persoonlijkheid?
Nationaal karakter verwijst naar gedeelde stereotypen over het typische lid van een natie. Geaggregeerde persoonlijkheid verwijst naar gemeten gemiddelde persoonlijkheidsscores van groepen of landen. Stereotypen zijn vaak betrouwbaar gedeeld, maar meestal niet accuraat.
19
New cards
Een onderzoeker vertaalt de NEO-PI-R naar veel talen en vindt vergelijkbare factorstructuren. Welke conclusie mag je trekken?
Dat vragenlijstonderzoek sterke steun biedt voor de crossculturele herkenbaarheid van het FFM. Je mag niet automatisch concluderen dat psycholexicale structuren in alle talen identiek zijn.
20
New cards
Een onderzoeker vindt in het Hongaars geen Intellect-factor, maar Integriteit. Wat laat dit zien?
Dat vooral de vijfde factor cultureel instabiel is. Het ondersteunt de kritiek dat de Big Five niet volledig universeel zijn in psycholexicaal onderzoek.
21
New cards
Een sollicitant scoort hoog op Consciëntieusheid. Welke voorspelling past het best bij de tekst?
Consciëntieusheid hangt samen met goede werkprestaties. Dit is een van de praktische redenen waarom het FFM nuttig is in selectie- en organisatiecontexten.
22
New cards
Een schaal met uitsluitend positief geformuleerde items vormt een extra factor. Welke valkuil moet je controleren?
Instemmend antwoorden. De extra factor kan een methodeartefact zijn in plaats van een echte persoonlijkheidsfactor.
23
New cards
Iemand is sociaal, maar niet assertief. Wat laat dit zien over de hiërarchie van persoonlijkheid?
Dat brede domeinen uit facetten bestaan. Extraversie kan bijvoorbeeld sociabiliteit én assertiviteit bevatten, maar die facetten hoeven bij één persoon niet even sterk aanwezig te zijn.
24
New cards
Een onderzoeker concludeert dat Nederlanders rebellerender zijn dan Amerikanen omdat de Nederlandse vijfde factor progressieve woorden bevat. Wat is het probleem?
De onderzoeker verwart taalstructuur met persoonlijkheidsstructuur. Psycholexicale verschillen tonen dat woorden en factorbetekenissen per taal verschillen, niet automatisch dat mensen psychologisch zo verschillen.
25
New cards
Valkuil: “De Big Five en het FFM zijn precies hetzelfde.” Wat is correct?
Ze lijken inhoudelijk sterk op elkaar, maar zijn niet precies hetzelfde. De Big Five komt uit psycholexicaal onderzoek; het FFM uit vragenlijstonderzoek. Ook Intellect en Openheid voor Ervaringen zijn niet volledig identiek.
26
New cards
Valkuil: “Als een factor in veel talen terugkomt, is hij automatisch universeel.” Wat is correct?
Universaliteit vereist nuance. Interpretatieve gelijkenis is niet genoeg; statistische vergelijking, zoals congruentiecoëfficiënten, en meetequivalentie zijn belangrijk.
27
New cards
Valkuil: “Meer factoren betekent automatisch een beter model.” Wat is correct?
Meer factoren geven meer detail, maar kunnen ook smaller, minder stabiel of methodeafhankelijk zijn. Modelkwaliteit hangt af van theoretische betekenis, robuustheid, bruikbaarheid en crossculturele houdbaarheid.
28
New cards
Valkuil: “Hogere-ordefactoren zoals alfa en bèta zijn bewezen echte persoonlijkheidskenmerken.” Wat is correct?
Ze bestaan statistisch, maar hun interpretatie is omstreden. Ze kunnen echte abstracte trekken zijn, maar ook artefacten van evaluatieve vertekening.
29
New cards
Valkuil: “Zelfrapportage is waardeloos vanwege bias.” Wat is correct?
Zelfrapportage is gevoelig voor vertekening, maar blijft bruikbaar. De validiteit wordt sterker wanneer dezelfde factoren ook verschijnen in informantbeoordelingen, Q-sortmethoden en zinsaanvultests.
30
New cards
Valkuil: “Nationale stereotypen zijn betrouwbaar, dus accuraat.” Wat is correct?
Betrouwbaarheid betekent dat mensen het stereotype delen. Accuraatheid betekent dat het overeenkomt met gemeten geaggregeerde persoonlijkheid. Volgens de tekst zijn nationale stereotypen vaak betrouwbaar, maar grotendeels onnauwkeurig.