1/145
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
les moyens de transport
vervoersmiddelen
voyager (en/à)
reizen (…)
en train
met de trein
en voiture
met de wagen
en avion
met het vliegtuig
en bateau
met de boot
en bus
met de bus (lijnbus)
en (auto)car
met de bus (reisbus)
à pied
te voet
à vélo/ à bicyclette
met de fiets
à scooter
met de scooter
à trottinette (électrique)
met de (elektrische) step
prendre les transports en commun
het openbaar vervoer nemen
prendre le bus
de bus nemenpr
prendre le tram
de tram nemen
prendre le train
de trein nemen
prendre le métro
de metro nemen
prendre un taxi
een taxi nemen
détendu(e)
ontspannen
confortable
comfortabel, gemakkelijk
l’avantage (m)
het voordeel
le désavantage
het nadeel
économique/ avantageux, avantageuse
voordelig
le départ en masse/ massif
het massale vertrek
une aire de repos
een rustplaats
le long de la route
langs de weg
faire du stop
liften
le trajet
het traject
le gps
de gps
entrer la destination dans le gps
de bestemming invoeren in de gps
demander au gps de calculer l’itinéraire
de gps de route laten berekenen
le gps nous a mal orientés
de gps heeft ons verkeerd gestuurd
les heures (f.pl.) de pointe
het spitsuur
aux heures de pointe
tijdens het spitsuur
le covoiturage
het carpoolen
faire du covoiturage
carpoolen
emporter (+ chose)
meenemen
transporter
vervoeren
transporter des passagers
passagiers vervoeren
protéger
beschermen
protéger contre le mauvais temps
tegen het slechte weer beschermen
gêner
hinderen
le stationnement
het stilstaan/ het parkeren
la station-service
het tankstation
le carburant
de brandstof
gonfler les pneus
de banden oppompen
l’autoroute (f)
de autosnelweg
la vitesse maximale
de maximumsnelheid
La circulation est dense.
Er is druk verkeer.
Il y a un trafic très chargé.
Er is zeer druk verkeer.
Le trafic est perturbé.
Het verkeer is moeizaam.
conduire lentement
traag rijden
conduire (trop) vite
(te) snel rijden
l’embouteillage (m)/ le bouton
de file
un bouchon en accordéon
een accordeonfile
des bouchons dans les deux sens
files in de twee richtingen
des travaux
werken
le chantier mobile
de mobiele werkplaats
la déviation
de omleiding, de wegomlegging
un accident de la route
een verkeersongeval
être impliqué dans un accident
bij een ongeval betrokken zijn
signaler un accident
een ongeval melden
se produire (un accident)
zich voordoen (een ongeval)
le/ la témoin
de getuige
doubler une voiture
een auto inhalen
un camion, un poids-lourd
een vrachtwagen
une voie
een rijstrook
un véhicule en panne
een voertuig met pech
l’échangeur (m), la jonction
de verkeerswisselaar, het knooppunt
la bande d’arrêt d’urgence
de pechstrook
la bretelle de l’autoroute
de oprit van de autosnelweg
la sortie de l’autoroute
de afrit van de autosnelweg
le Ring
de Ring
le boulevard périphérique (BP)
de ring rond Parijs
Soyez vigilant.
Wees waakzaam./ Kijk uit.
Soyez prudent.
Wees voorzichtig.
Adaptez votre vitesse.
Pas uw snelheid aan.
Gardez vos distances.
Hou afstand.
la gare du Nord
het Noordstation
se renseigner sur quelque chose
naar iets informeren
le guichet
het loket
au guichet
aan het loket
le guichet automatique
de automaat
l’horaire (m)
de dienstregeling
une réservation
de reservatie
le billet (de train)
het (trein)ticket
acheter des billets
kaartjes kopen
l’aller (m) simple
de enkele reis
l’aller-retour (m)
het retourtje (heen en terug)
la carte de réduction
de verminderingskaart
à tarif réduit
tegen verminderde prijs/ tarief
à demi-tarif
tegen halve prijs
la première/ deuxième classe
eerste/ tweede klasse
voyager en première classe
in eerste klasse reizen
Vous êtes combien?
Met hoeveel zijn jullie?
rembourser
terugbetalen
la voiture (de train)
de (trein)wagon
le service de restauration à bord
de cateringservice aan boord
changer
overstappen
la correspondance pour
de aansluiting naar