1/88
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
mēnsa
mēns-ae, v.
de tafel
nāvis
nāv-is, v.
het schip
cupidus
-a, -um
vol verlangen naar
mīrus
-a, -um
wonderlijk
nūllus
-a, -um
geen
paucī
-ae, -a
weinig; enkele
agere
ag-ō
(voort)drijven; doen
bibere
bib-ō
drinken
cognōscere
cognōsc-ō
leren kennen; vernemen
dēsinere
dēsin-ō
ophouden
dīcere
dīc-ō
zeggen; spreken; noemen
emere
em-ō
kopen
intellegere
intelleg-ō
begrijpen
legere
leg-ō
lezen; kiezen; verzamelen
ostendere
ostend-ō
tonen
quaerere
quaer-ō
zoeken; vragen
sūmere
sūm-ō
nemen
vendere
vend-ō
verkopen
vīvere
vīv-ō
leven
hospes
hospit-is, m.
de gast; de gastheer
pōns
pont-is, m.
de brug
aestās
aestāt-is, v.
de zomer
audēre
aude-ō
durven
docēre
doce-ō
onderwijzen
tegere
teg-ō
bedekken; beschermen
metuere
metu-ō
vrezen
cōnsīdere
cōnsīd-ō
gaan zitten
dēpōnere
dēpōn-ō
neerleggen
discere
disc-ō
studeren
dūcere
dūc-ō
leiden
lūdere
lūd-ō
spelen; bespotten
mittere
mitt-ō
zenden; laten gaan
pōnere
pōn-ō
plaatsen; neerleggen
relinquere
relinqu-ō
achterlaten; verlaten
vertere
vert-ō
omkeren; veranderen in
vincere
vinc-ō
overwinnen; overtreffen
vīsere
vīs-ō
bezoeken
recipere
recipi-ō
ontvangen
hīc
bijwoord
hier
īra
īr-ae, v.
de woede
poena
poen-ae, v.
de boete; de straf
studium
studi-ī, o.
de studie; de sympathie; de ijver
famēs
fam-is, v.
de honger
fraus
fraud-is, v.
het bedrog
iubēre
iube-ō
bevelen
surgere
surg-ō
opstaan
sentīre
senti-ō
voelen; merken; menen
audācia
audāci-ae, v.
de moed
cōnstantia
cōnstanti-ae, v.
de volharding
silentium
silenti-ī, o.
de stilte
hiems
hiem-is, v.
de winter
virtūs
virtūt-is, v.
de kwaliteit; de dapperheid
angustus
-a, -um
smal
tūtus
-a, -um
veilig
cadere
cad-ō
vallen
currere
curr-ō
lopen
petere
pet-ō
gaan naar; vragen
poscere
posc-ō
eisen
errāre
err-ō
zwerven; zich vergissen
flēre
fle-ō
wenen (om)
canere
can-ō
zingen; bezingen
fingere
fing-ō
vormen; verzinnen
fluere
flu-ō
vloeien
ubi?
bijwoord
waar?
ad
+ acc.
naar; (tot) bij
ante
+ acc.
vóór
apud
+ acc.
bij
inter
+ acc.
tussen; tijdens
per
+ acc.
door; gedurende
post
+ acc.
achter; na
praeter
+ acc.
voorbij; behalve
cum
+ abl.
met
dē
+ abl.
van; over
ē of ex
+ abl.
uit; vanaf
sine
+ abl.
zonder
sub
+ abl.
onder; omstreeks
in + acc.
+ acc.
naar; tegen
in + abl.
+ abl.
in; op
saxum
sax-ī, o.
rotsblok
celeritās
celeritāt-is, v.
de snelheid
hūmānus
-a, -um
menselijk; beschaafd
līberāre
līber-ō
bevrijden
volāre
vol-ō
vliegen
caedere
caed-ō
hakken; doden
dēscendere
dēscend-ō
afdalen
haurīre
hauri-ō
uitscheppen; opslokken
dēicere
dēici-ō
naar beneden werpen; verdrijven
sē
persoonlijk voornaamwoord
zich
ūnā
bijwoord
samen