Biologie H6.1 Basis eukaryoten: ontstaan, structuur en werking

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/71

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:30 AM on 8/15/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

72 Terms

1
New cards
Wat is het belangrijkste verschil tussen een eukaryote en prokaryote cel? (2)
Eukaryoten hebben interne membranen en mitochondriën.
2
New cards
Wat hebben plantaardige en dierlijke cellen gemeenschappelijk? (3)
Een celkern met membraan, membraan-omgeven organellen en mitochondriën.
3
New cards
Wat is typisch voor een eukaryote cel?
Een echte celkern en interne membranen.
4
New cards
Waarvoor zorgen mitochondriën?
Efficiënte energieproductie.
5
New cards
Wat betekenen LUCA, FECA en LECA? (3)
Last Universal Common Ancestor, First Eukaryotic Common Ancestor en Last Eukaryotic Common Ancestor.
6
New cards
Weten we zeker of eerst de celkern of mitochondriën ontstonden?
Nee.
7
New cards
Hoe konden interne membranen zoals kernmembraan en ER ontstaan?
Door instulpingen van het celmembraan.
8
New cards
Wat is fagocytose?
Opname van vaste deeltjes door ze met het celmembraan te omsluiten.
9
New cards
Wat gebeurt er na opname van een deeltje bij fagocytose?
Het opgenomen blaasje versmelt met een lysosoom en wordt afgebroken.
10
New cards
Wat gebeurt er met onbruikbare resten na fagocytose?
Ze worden via exocytose uitgescheiden.
11
New cards
Wat is pinocytose?
Opname van vloeibare stoffen.
12
New cards
Wat is receptor-gemedieerde endocytose?
Specifieke stoffen binden aan receptoren en worden daarna opgenomen.
13
New cards
Welke 3 vormen van endocytose moet je kennen? (3)
Fagocytose, pinocytose en receptor-gemedieerde endocytose.
14
New cards
Hoe ontstonden mitochondriën volgens de endosymbiosehypothese?
Een voorouderlijke cel nam een aerobe bacterie op die uiteindelijk een mitochondrium werd.
15
New cards
Welke bacterie ligt aan de oorsprong van mitochondriën?
Een aerobe alfaproteobacterie.
16
New cards
Wat was het voordeel van het ontstaan van mitochondriën?
Efficiënte energieproductie via oxidatieve fosforylatie.
17
New cards
Welke 5 argumenten ondersteunen de endosymbiosehypothese voor mitochondriën? (5)
Eigen circulair DNA, DNA zonder histonen, eigen prokaryootachtige ribosomen, binaire fissie en gelijkaardige membraaneiwitten.
18
New cards
Hoe delen mitochondriën?
Door binaire fissie.
19
New cards
Delen mitochondriën volledig volgens de celcyclus van de gastheercel?
Nee, ze kunnen onafhankelijk repliceren.
20
New cards
Wat is primaire endosymbiose bij plastiden?
Een eukaryote cel neemt een cyanobacterie op die een plastide wordt.
21
New cards
Welke bacterie ligt aan de oorsprong van plastiden?
Een cyanobacterie.
22
New cards
Wat kon de cyanobacterie die werd opgenomen bij primaire endosymbiose?
Fotosynthese uitvoeren en zuurstof produceren.
23
New cards
Wat kan een heterotrofe eukaryoot worden na opname van een fotosynthetische cel?
Mixotroof of autotroof.
24
New cards
Wat is secundaire endosymbiose?
Een eukaryote cel neemt een fotosynthetische eukaryoot, zoals een alg, op.
25
New cards
Wat is het belangrijkste verschil tussen primaire en secundaire endosymbiose?
Primair neemt een eukaryoot een bacterie op; secundair neemt een eukaryoot een andere eukaryoot op.
26
New cards
Waarom hebben plastiden uit secundaire endosymbiose extra membranen?
Omdat een volledige fotosynthetische eukaryote cel werd opgenomen.
27
New cards
Wat is een nucleomorf?
Een restant van de kern van de opgenomen alg bij secundaire endosymbiose.
28
New cards
Wat zijn protisten?
Eukaryoten die geen dier, plant of schimmel zijn.
29
New cards
Wat zijn protozoa?
Dierachtige eencellige eukaryoten.
30
New cards
Welke voedingswijze hebben de meeste protozoa?
Heterotroof.
31
New cards
Wat betekent heterotroof?
Organische stoffen gebruiken als voedsel.
32
New cards
Wat betekent autotroof?
Zelf organische stoffen maken, bijvoorbeeld via fotosynthese.
33
New cards
Wat betekent mixotroof?
Zowel autotroof als heterotroof kunnen leven.
34
New cards
Wat betekent holozoïsch?
Vaste voedseldeeltjes opnemen, vooral via fagocytose.
35
New cards
Wat betekent saprozoïsch?
Voedingsstoffen uit vloeistof opnemen.
36
New cards
Wat zijn undulipodia?
Flagellen en ciliën.
37
New cards
Wat is een flagel?
Een zweepvormige structuur voor voortbeweging.
38
New cards
Wat is een cilium?
Een korte haarachtige structuur voor beweging.
39
New cards
Wat is een axoneem?
De interne structuur van een flagel of cilium.
40
New cards
Hoe is een axoneem opgebouwd?
9 paren microtubuli rond 2 centrale microtubuli.
41
New cards
Wat is een kinetosoom of basaallichaam?
De structuur aan de basis van een flagel of cilium.
42
New cards
Wat zijn pseudopodia?
Tijdelijke of semipermanente uitstulpingen van de cel.
43
New cards
Waarvoor dienen pseudopodia?
Voor amoeboïde voortbeweging en opname van voedsel.
44
New cards
Wat is amoeboïde voortbeweging?
Voortbewegen met pseudopodia.
45
New cards
Welke 4 soorten pseudopodia worden onderscheiden? (4)
Lobopodiën, filopodiën, reticulopodiën en axopodiën.
46
New cards
Waarop zijn lobopodiën vooral gebaseerd?
Actine.
47
New cards
Hoe zien filopodiën eruit?
Dun en vingervormig.
48
New cards
Hoe zien reticulopodiën eruit?
Als een netwerk.
49
New cards
Waarop zijn axopodiën gebaseerd?
Microtubuli.
50
New cards
Wat is aseksuele reproductie?
Voortplanting zonder versmelting van gameten.
51
New cards
Welke 3 vormen van aseksuele reproductie moet je kennen? (3)
Tweedeling, meerdeling of schizogonie en budding.
52
New cards
Wat gebeurt er bij tweedeling?
DNA wordt verdubbeld en de cel splitst in twee.
53
New cards
Wat gebeurt er bij meerdeling of schizogonie?
DNA wordt meerdere keren verdubbeld waarna meerdere dochtercellen ontstaan.
54
New cards
Wat is budding?
Een kleinere dochtercel ontstaat als uitstulping van de moedercel.
55
New cards
Via welke deling verloopt aseksuele reproductie?
Mitose.
56
New cards
Hoe zijn dochtercellen na aseksuele reproductie genetisch?
Genetisch identiek.
57
New cards
Wat is syngamie?
Bevruchting door versmelting van gameten.
58
New cards
Wat is autogamie volgens de slides?
Uitwisseling van kernen of gameetnuclei.
59
New cards
Wat gebeurt er tijdens meiose?
Een diploïde cel vormt haploïde kernen met genetische variatie.
60
New cards
Welke 2 kernen heeft een ciliaat? (2)
Micronucleus en macronucleus.
61
New cards
Wat is de functie van de micronucleus?
Opslag en overdracht van genetisch materiaal.
62
New cards
Wat is de functie van de macronucleus?
Transcriptie en normale celactiviteit.
63
New cards
Is de micronucleus diploïd of polyploïd?
Diploïd.
64
New cards
Is de macronucleus diploïd of polyploïd?
Polyploïd.
65
New cards
Wat gebeurt eerst met de micronucleus bij conjugatie?
Hij ondergaat meiose en vormt 4 haploïde micronuclei.
66
New cards
Wat gebeurt met de 4 micronuclei na meiose?
3 verdwijnen en 1 blijft over.
67
New cards
Wat gebeurt met de overblijvende micronucleus?
Hij deelt door mitose.
68
New cards
Wat wisselen twee compatibele organismen tijdens conjugatie uit?
Een haploïde micronucleus.
69
New cards
Wat gebeurt na de uitwisseling van micronuclei?
De twee haploïde micronuclei fuseren tot een diploïde kern.
70
New cards
Wat gebeurt uiteindelijk met de oude macronucleus bij conjugatie?
Die wordt afgebroken.
71
New cards
Wat is het resultaat van conjugatie?
Genetische uitwisseling en nieuwe micro- en macronuclei.
72
New cards
Wat zijn sporangiosporen?
Aseksuele sporen die gevormd worden in een sporangium.