1/63
Deze flashcards behandelen de belangrijkste terminologie uit de lessen over sociaal werk, variërend van communicatiemodellen en methodisch handelen tot wetgeving en psychische aandoeningen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Communicatie
Het proces waarbij een zender met een bepaald doel een boodschap overdraagt aan een ontvanger, die hier betekenis aan geeft en op reageert.
Interactie
Ontstaat wanneer mensen met elkaar communiceren en elkaar beïnvloeden; het gedrag van de één roept gedrag op bij de ander.
Referentiekader
Het geheel van persoonlijke ervaringen, normen, waarden, opvoeding, cultuur, interesses en gewoonten die beïnvloeden hoe iemand boodschappen verstuurt en interpreteert.
Para-verbaal
De manier waarop iets wordt gezegd, waaronder intonatie, spreektempo, toonhoogte en stemvolume.
Peri-verbaal
De invloed van tijd en ruimte op de communicatie, zoals het verschil in gedrag tussen een wachtkamer en een festival.
Infra-verbaal
De onbewuste invloed van kleuren, vormen en geuren op communicatie en gevoelens.
Supra-verbaal
Hoe men zichzelf presenteert via kleding, verzorging en uiterlijk.
Schulz von Thun (vier aspecten)
Een model dat stelt dat iedere boodschap een zakelijk, relationeel, expressief en appellerend aspect heeft.
Semantische ruis
Een vorm van interne ruis die ontstaat doordat de ontvanger de taal, woorden of lichaamstaal van de zender niet begrijpt.
Metacommunicatie
Het communiceren over de communicatie zelf, bijvoorbeeld bespreken waarom een gesprek stroef verloopt.
Social talk
Een kort, informeel praatje over alledaagse onderwerpen in de aanloopfase van een gesprek om vertrouwen op te bouwen.
SMART
Een methode om doelen of afspraken concreet te maken: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden.
Actief luisteren
Met volledige aandacht luisteren naar woorden, gevoelens en behoeften achter een boodschap om de ander te begrijpen.
LSD-techniek
Een gespreksmethode die staat voor Luisteren, Samenvatten en Doorvragen.
NIVEA
Een ezelsbruggetje dat staat voor: Niet Invullen Voor Een Ander.
OMA
Een ezelsbruggetje dat staat voor: Oordelen, Meningen en Adviezen (die men bij actief luisteren thuis moet laten).
ANNA
Een ezelsbruggetje dat staat voor: Altijd Navragen, Nooit Aannemen.
Wondervraag
Een reflectievraag waarbij de cliënt nadenkt over een situatie waarin zijn probleem plotseling door een wonder is opgelost.
Halo-effect
Het verschijnsel waarbij men op basis van één positieve eigenschap iemand direct als volledig positief beoordeelt.
Horn-effect
Het verschijnsel waarbij men iemand op basis van één negatieve eigenschap direct volledig negatief beoordeelt.
Parafraseren
Het in eigen woorden herhalen van een deel van het verhaal van de ander om begrip te controleren.
Attributie
Het toeschrijven van een oorzaak aan het gedrag van jezelf (interne attributie) of anderen (externe attributie).
Johari-matrix
Een hulpmiddel om communicatie te begrijpen via vier gebieden: open ruimte, blinde vlek, verborgen gebied en onbekend gebied.
Interculturele communicatie
Communicatie tussen mensen met verschillende culturele achtergronden waarbij normen en waarden een grote rol spelen.
Lage-contextcultuur
Een cultuur waarin woorden het belangrijkst zijn en men direct communiceert wat men bedoelt (bijv. Nederland).
Hoge-contextcultuur
Een cultuur waarin non-verbale communicatie en de context belangrijker zijn dan de gesproken woorden (bijv. Japan).
Etnocentrisme
Het beoordelen van andere culturen vanuit de normen en waarden van de eigen cultuur, die men als superieur beschouwt.
Cultuurrelativisme
Het principe waarbij alle culturen als gelijkwaardig worden gezien en begrepen vanuit hun eigen achtergrond.
TOPOI-model
Een analysemethode voor (interculturele) communicatie: Taal, Ordening, Personen, Organisatie en Inzet.
Methodisch werken
Het werken volgens een vaste werkwijze die doelgericht, systematisch, procesmatig en bewust is.
Methodiek
Een samenhangende verzameling van verschillende methoden binnen een vakgebied.
SWOT-analyse
Een analyse van Sterktes (Strengths), Zwaktes (Weaknesses), Kansen (Opportunities) en Bedreigingen (Threats).
PES-methode
Een manier om een ondersteuningsvraag te formuleren: Probleem, Etiologie (oorzaak) en Symptomen.
RUMBA
Een alternatief voor SMART: Relevant, Understandable, Measurable, Behavioral en Attainable.
Participerend observeren
Een vorm van observatie waarbij de observator zelf deelneemt aan de activiteit die hij observeert.
Selffulfilling prophecy
Een vooroordeel dat werkelijkheid wordt doordat men zich naar dat vooroordeel gaat gedragen.
AVG
Algemene Verordening Gegevensbescherming; de wet die de privacy en verwerking van persoonsgegevens regelt.
Draagkracht vs. Draaglast
Het balansmodel waarbij draagkracht de steun en veerkracht is, en draaglast de stressoren en problemen zijn.
BOB-methode
Een besluitvormingsproces voor vergaderingen: Beeldvorming, Oordeelsvorming en Besluitvorming.
Multidisciplinair overleg (MDO)
Een overleg waarbij verschillende professionals vanuit hun eigen vakgebied samenwerken rondom één cliënt.
Huiselijk geweld
Lichamelijk, psychisch of seksueel geweld gepleegd door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer.
Meldcode Huiselijk Geweld
Een wettelijk verplicht stappenplan (5 stappen) voor professionals bij vermoedens van mishandeling of misbruik.
Veilig Thuis
Het landelijke advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling.
Grooming
Een proces waarbij een pleger stapsgewijs het vertrouwen van een slachtoffer wint met als doel seksueel misbruik.
Mensenhandel
Het ronselen, vervoeren of huisvesten van mensen met als doel hen uit te buiten via dwang of geweld.
Loverboy
Iemand die een slachtoffer verleidt en emotioneel afhankelijk maakt om deze vervolgens seksueel uit te buiten.
Participatiewet
Wet die gemeenten verantwoordelijk maakt om zoveel mogelijk mensen aan werk te helpen, inclusief mensen met een arbeidsbeperking.
Wmo
Wet maatschappelijke ondersteuning; wet die inwoners helpt om zo lang mogelijk zelfstandig te wonen en te participeren.
Wlz
Wet langdurige zorg; voor mensen die blijvend 24-uurs intensieve zorg of toezicht nodig hebben.
Wvggz
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; regelt de rechten bij verplichte zorg wegens een psychische stoornis.
Wzd
Wet zorg en dwang; regelt onvrijwillige zorg voor mensen met een verstandelijke beperking of psychogeriatrische aandoening.
Naturalisatie
De juridische procedure waarbij een vreemdeling de Nederlandse nationaliteit aanvraagt.
Ondertoezichtstelling (OTS)
Een kinderbeschermingsmaatregel waarbij een jeugdbeschermer toezicht houdt op de opvoeding.
Arbowet
Wet die regels bevat voor de veiligheid, gezondheid en het welzijn van werknemers op de werkplek.
Psychopathologie
Het vakgebied dat psychische stoornissen, afwijkend denken en gedrag bestudeert.
DSM-5
Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders; het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen.
Bipolaire stoornis
Een stemmingsstoornis waarbij depressieve perioden worden afgewisseld met manische perioden.
PTSS
Posttraumatische stressstoornis; psychische klachten die langer dan één maand aanhouden na een traumatische gebeurtenis.
ABC-schema
Een gedragsanalysemethode: Antecedenten (voorafgaand), Gedrag (Behavior) en Consequenties (gevolgen).
Laaggeletterdheid
Situatie waarin iemand wel kan lezen en schrijven, maar onvoldoende vaardig is om volledig deel te nemen aan de samenleving.
Anorexia nervosa
Een eetstoornis gekenmerkt door een intensieve angst om dik te worden en extreem weinig eten.
Narcolepsie
Een chronische slaapstoornis waarbij iemand overdag plotseling en oncontroleerbaar in slaap valt.
Dissociatieve identiteitsstoornis (DIS)
Een stoornis waarbij iemand twee of meer verschillende identiteiten of persoonlijkheden heeft.
Parafiele stoornis
Een seksuele voorkeur die afwijkt van de maatschappelijke norm en lijden of problemen veroorzaakt.