1/31
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Empirische cyclus
Observatie
Inductie (hypothesevorming)
Deductie (voorspellingen afleiden)
Toetsen
Evaluatie
Belangrijk te onthouden dat het een cyclisch proces is → leidt tot nieuwe vragen en kan daarmee opnieuw herhaald worden. Ook voor fouten zoals type I en type II fouten
Observatie (empirische cyclus)
Waarneming uit de praktijk, literatuur of onderzoek. Leidt tot een onderzoeksvraag. bv. “Zijn gezichtsherkenning en het herkennen van emotionele gezichtsuitdrukkingen twee verschillende processen die van elkaar te onderscheiden zijn?”
Inductie (hypothese vorming)
Van specifieke observatie naar algemene theorie, hypothese= voorlopig antwoord op de vraag. bv. “Stoornissen in de gezichtsherkenning staan los van stoornissen in het herkennen van emotionele gezichtsuitdrukkingen”
Deductie (voorspellingen afleiden)
Conrete, toetsbare voorspellingen fomuleren (van algemeen naar specifiek) operationalisatie (wat ga je meten/manipuleren?)T
Toetsen
Data verzamelen (experimenteel of literatuur), statistische analyse
Evaluatie
Interpretatie van resultaten, hypothese kan bevestigd worden (voorlopig aannemen) of niet bevestigd (herzien)
Type I-fout
Onterecht verwerpen van de nullhypothese (foutpositief)
Type II-fout
Onterecht accepteren van de nullhypothese (foutnegatief)
Wat voor type vraagstellingen zijn er in de neuropsychologie (2)
Fundamentele vraagstellingen
Toegepaste vraagstellingen
Fundamentele vraagstellingen
Gericht op kennisvermeerdering (hoeft dus niet perse gelijk een maatschappelijk nut te hebben). Gaat meer over het begrijpen van cognitieve processen (geheugen, taal ect.) en de relatie tussen dingen bv. cognitie en de hersennen of stoornissen en de hersenstructuren. Vaak experimenteel. bv. “Hoe werkt gezichtsherkenning?”
Toegepaste vraagstellingen
Gericht op praktisch nut zoals, diagnostiek verbeteren, behandeling ontwikkelen of inzicht in ziektebeelden. bv “Welke therapie helpt bij prosopagnosie?”
Dissociatie
Selectieve uitval van cognitieve functies; laat zien dat deelprocessen onafhankelijk van elkaar kunnen zijn
Enkelvoudige dissociatie
Taak A = intact, Taak B = gestoord. Probleem: Kan komen door verschil in moeilijkheidsgraad, niet door aparte systemen, dus bewijst niet perse onafhankelijkheid (zwak bewijs)
Dubbele dissociatie
Patient 1: A gestoord, B intact
Patient 2: B gesootrd, A intact
Sterk bewijs dat functies onafhankelijk zijn (twee min of meer onafhankelijke cognitieve processen). Belangrijke nuance wel dat statistische toetsing vereist is, dissociatie mag niet alleen op basis van ruwe scores worden vastgesteld.
Type onderzoek: Beschrijvend (observationeel)
De observatie van populaties of een enkele proefpersoon, is goed voor eigenschappen en aantallen in kaart te brengen. Bevat geen manipulatie, Doel: kenmerken beschrijven
Type onderzoek: Correlationeel
Vergelijkt groepen met elkaar zonder manipulatie van variabelen of condities, onderzoekt hier mee verbanden tussen variabelen maar kan geen causaliteit onderzoeken (groot nadeel van coorelationeel onderzoek) Je kunt dus wel zeggen dat variabelen samen veranderen maar niet dat de een door het ander wordt veroorzaakt.
Type onderzoek: Experimenteel
Manipulatie van de onafhankelijke variabele, waardoor causale conclusies mogelijk zijn (bv. variabele A veroorzaakt variabele B)
Type onderzoek: Quasi-experimenteel
Manipulatie in natuurlijke setting (veldstudies)
Type onderzoeksdesigns: Review & meta-analyses
Eerdere bevindingen samengevat hebben een grotere betrouwbaarheid dan een los experiment
In Literatuuronderzoek wordt een onderzoeksvraag beantwoord door het samenvatten van eerdere bevindingen
Bij een systematisch review worden de van te voren criteria opgesteld over welke onderzoeken zullen worden meegenomen in de review en wordt het onderzoek dat voldoet aan deze criteria meegenomen(gestructureerd overzicht van de literatuur
Bij een meta-analyse worden de data van meerdere onderzoeken samengevoegd, statistisch getoetst of de verschillende bevindingen met elkaar overeen komen of elkaar tegenspreken. (nummerieke resultaten losse studies samen voegen voor een krachtige, gezamelijke uitkomst)
Gebruik van PRISMA-richtlijnen
PRISMA-richtlijnen
Ontwikkeld om bij het schrijven van een systematisch review of meta-analyse genoeg informatie te geven om de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bevindingen te kunnen beoordelen
Type onderzoeksdesigns: RCT (Randomized Controlled Trail)
Random toewijzing van de proefpersonenen; een groep krijgt een experimentele behandeling, andere groep een standaard klinische zorg of placebobehandeling (controle vs. experimentele groep) → Minimaliseert selectiebias → want willekeurig toegewezen proefpersonen, liefst blinderen (dubbelblind → zowel proefpersoon als behandelaar weet niet welke behandeling wordt aangeboden). Dit type onderzoeksdesign noemen we vooral experimenteel, omdat men hier een variabele of conditie manipuleert
Analyse: Intention-to-treat heeft de voorkeur ipv per-protocol
Intention-to-treat
Houdt in dat patiënten geanalyseerd worden in de groep waar ze oorspronkelijk waren toegewezen, ongeacht of ze het behandelplan hebben voltooid of gevolgd. → patiënten vallen vaak niet maar zo uit, waardevolle informatie
(bv. wel of niet medicatie hebben ingenomen, vroegtijdijg zijn gestopt, of naar andere groep overgestapt. weerspiegeld beter de werkelijkheid.)
Onderzoeksdesigns: Cross-over design
Een type RCT maar dezelfde proefpersonen krijgen meerdere behandelingen; proefpersonen worden opgedeeld in twee groepen. Ene groep eerst behandeling A , na een zogenaamde wash-out-periode waarin wordt verondersteld dat het effect van behandeling A wegebt, krijgen diezelfde proefpersonen behandeling B
Voordeel: proefpersonen vormen hun eigen controle. minder proefpersonen nodig
Nadeel: Alleen geschikt voor aandoeningen die stabiel zijn, hoe lang wash-out-periode nodig verschilt, plus minimaal 2 behandelingen dus looptijd onderzoek langer en statistische analyses complexer.
Onderzoeksdesigns: Longitudinaal
Metingen over tijd, ontwikkelingen/verloop
Nadeel: binnen dit design heeft men te maken met test-hertesteffecten → wordt gezien als stoorfactor, daarom zuinig met metingen om gaan
Onderzoeksdesigns: Cross-sectioneel
Één meetmoment, hier kan bijvoorbeeld worden gekeken naar mensen van verschillende leeftijden of mensen in verschillende fasen van een ziekteproces. Causaliteit niet mogelijk want correlationeel, en het is hiermee niet mogelijk om een causale relatie te onderzoeken omdat er geen observaties over langere tijd worden gedaan.
Onderzoeksdesigns: Case-control
Patienten vs controles (mensen met de aandoening VS zonder; controle groep keuze belangrijk, bv. het liefst ook beschadiging parietaal kwab maar geen visuele agnosie → tegenover die wel visuele agnosie hebben).
Retrospectief gekeken naar hoe vaak bepaalde risicofactoren voorkomen in beide groepen om inzicht te krijgen in de relatie tussen risicofactoren en de aandoening.
Er worden geen variabelen gecontroleerd of gemanipuleerd.O
Onderzoeksdesigns: Gevalsstudies
Wordt een persoon (single-case-study) of enkele personen (case-series) grondig bestudeerd. Prestaties worden vergeleken met een bestaande normgroep of een nieuwe controle groep. (enkelvoudige en dubbele dissociatie → zie stukje terug uitleg)
Doel: niet direct achterhalen van generaliseerbare feiten, maar het verzamelen van data over unieke personen/groepen (kwalitatieve data). → daarom is dit type onderzoek vooral bijschrijvend. Deze data kunnen betekenis geven aan bestaande bevindingen of leiden tot nieuwe hypotheses, waarna generalisatie van individueel niveau naar groepsniveau mogelijk wordt. Historisch gezien tot belangrijke doorbraken in neuropsychologie geleid
Heterogeniteit (kwaliteit van studies)
Dat de deelnemers, de meetmethoden of de resultaten onderling sterk van elkaar verschillen (leeftijd, geslacht, cultuur, ziekteaspecten, medicatie ect.) . Wetenschap zoekt generaliseerbare verbanden. In groepsstudies in heterogeniteit een probleem → streef naar een zo homogeen mogelijk groep (tenzij de doelgroep zelf heterogeen is, zoals bij behandeleffectiviteit). Bij case-series is heterogeniteit juist waardevol → laat zien welke factoren bepalen waarom de ene patiënt wel/geen stoornis ontwikkeld
Ethische aspecten (kwaliteit van studies)
Verklaring van Helsinki: ethische aspecten voor medisch-wetenschappelijk onderzoek waar proefpersonen aan meedoen (basisprincipe = respect voor het individu)
Vrijwilligheid: van mee doen aan onderzoek erg belangrijk, op basis van→)
Informed consent: goed geïnformeerde beslissing of ze wel of niet mee willen doen aan het onderzoek. vereist een duidelijke voorlichtingen over het doel en de procedures van het onderzoek (!Let op eventuele verminderde wilsbekwaamheid en/of ziekte-inzicht)
Misleiding: alleen toegestaan als dit noodzakelijk is voor het onderzoek
Proefpersonen mogen te alle tijden stoppen met het onderzoek als dit consequenties voor hen geeft. Het belang individu prevaleert altijd voor het belang van het onderzoek)
Efficient onderzoek: grootte steekproef? → poweranalyse
Privacy (AVG)
Toetsing via METC: voor al het medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO)
Informed consent
Goed geïnformeerde beslissing of ze wel of niet mee willen doen aan het onderzoek. vereist een duidelijke voorlichtingen over het doel en de procedures van het onderzoek (!Let op eventuele verminderde wilsbekwaamheid en/of ziekte-inzicht)