1/31
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Ecologie
bestudeert de interacties van organismen met hun
biotische en abiotische omgeving, die de distributie en
abundantie van soorten bepalen.
Ecologische hierarchie
Organismes: Een individu (Van een bepaalde soort)
Populatie: Groep individuen van een bepaalde soort die samenleven in een bepaald gebied
gemeenschap: twee of meer populaties van verschillende soorten die leven en interageren in een bepaald gebied.
Ecosysteem: gemeenschap + niet levende omgeving → interageren
Biosfeer: alle ecosystemen op aarde
Bioom
een relatief homogeen gebied met grote geografische uitgestrektheid waartussen ecologen/biogeografen duidelijke verschillen opmerken in flora en daarmee samenhangende fauna. →Worden bepaald door het klimaat
Ecotones
Overgangszones tussen biomen
Biocenose
Levensgemeenschap, alle organismen in een bepaald gebied
Zoöcenose: Dierengemeenschap
Fytocenose: Plantengemeenschap
Microbiocenose Microbiële gemeenschap (o.a. bacteriën en fungi)
Autotrofen
Organismen die zelf de organische stoffen produceren die ze nodig hebben.
otoautotroof Organismen die zelf chemische energie kunnen opslaan in een proces waarbij (zon)licht de energiebron is, zonder hulp van andere organismen
Chemoautotroof Organismen die zelf chemische energie kunnen opslaan uit oxidatieprocessen van anorganische stoffen, zonder hulp van andere organismen
Heterotrofen
Afhankelijk van andere organismen om zich te voeden.
Herbivoren (planteneters), carnivoren (vleeseters), omnivoren (alleseters)
Saprovoor = Organisme dat zich voedt met DOM in opgeloste vorm
Detrivoor = Organisme dat zich voedt met DOM in vaste vorm
Meta-populatie
= een groep ruimtelijk gescheiden populaties die zijn verbonden door een uitwisseling van individuen (emigratie – immigratie)
Deme
= populatie die deel is van een metapopulatie
Ecotone
is een overgangszone tussen twee ecosystemen, een overgangshabitat
gilde
groep soorten die dezelfde hulpbronnen exploiteert, of die verschillende hulpbronnen exploiteren op eenzelfde manier.
Tolerantie
= het vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische factor te kunnen verdragen
eurytopisch
grote tolerantie- en optimumbreedte
stenotopisch
enge tolerantie- en optimumbreedte
Grinnelian niche
pre-interractief (potentiele niche), niche als habitat
Eltonian niche
Post interactieve niche (Gerealiseerde niche), Niche als plaats in de gemeenschap
Hutchinsonian niche
N- dimensionaal hypervolume waarbinnen de soort een leefbare populatie kan onderhouden. geen plaats maar een concept
Homeothermie
Constante lichaamstemperatuur
Poikilotherm
Wisselende lichaamstemperatuur
Endotherm
Maken zelf lichaamswarmte aan
Ectotherm
Hangen af van externe warmte
Unitair organisme
Zygote (individu) ontwikkelt, wordt geboren, groeit, wordt matuur, kent een vruchtbare periode, een periode van senescentie (= veroudering), en sterft. → Ontwikkeling is voorspelbaar
Modulair organisme
Ontwikkeling van de zygote (het individu) minder rechtlijnig, omdat er modules worden gevormd, en de organismen zijn opgebouwd uit een variabel aantal en eventueel verschillende types modules → Ontwikkeling modules is sterk afhankelijk van interactie met de omgeving → Ontwikkeling is on voorspelbaar
competitie
- -
De strijd binnen een populatie (intraspecifiek) of tussen twee populaties van verschillende soort (interspecifiek) om voedingsstoffen en water, om ruimte, of om licht, met gevolg dat de grootte van beide populaties negatief wordt beïnvloed (wederzijdse inhibitie).
Predatie
- +
Consumeren van individuen van een soort, door leden van, meestal, een andere soort, de predator
Epiparasieten
parasitaire planten die groeien op andere parasitaire planten van een andere soort.
halfparasiet of hemiparasiet
plantensoort die water en voedingsstoffen uit andere planten haalt, maar zelf ook aan fotosynthese doet
Holoparasiet
plantensoort die geen bladgroen maakt en volledig parasitair leeft op andere planten of schimmels
Mutualisme
+ +
Beide organismen halen voordeel uit de samenlevingsvorm en kunnen niet zonder elkaar
Commensalisme
Een individu heeft voordeel en het andere individu noch last, noch voordeel
Amensalisme
Het ene organisme ondervindt nadeel, terwijl de andere noch voor- noch nadeel ondervindt. (Juglon, walnootboom)
Proxies
Kenmerken die indirecte informatie geven over een ander kenmerk