1/105
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
cognitieve functies
maken het mogelijk om informatie uit de wereld om ons heen te verwerken, te begrijpen en erop te reageren.
hersendisfunctie
een beschadiging van een hersenstructuur, vaak niet aantoonbaar op een hersenscan, die kan leiden tot cognitieve functiestoornissen.
apperceptie
het object wordt waargenomen en ontleed. een stoornis in deze fase leidt tot een onvermogen om afzonderlijke elementen samen te voegen tot een geheel.
associatie
deze kenmerken worden gekoppeld aan kennis- of betekenisinformatie (concept). een verstoring in deze fase leidt tot het wel kunnen natekenen maar niet kunnen herkennen van het object.
Dissociatie
dat een bepaalde hersenbeschadiging leidt tot een specifiek functieverlies. terwijl andere cognitieve functies intact blijven. dit suggereert dat verschillende hersengebieden verantwoordelijk zijn voor verschillende functies.
dubbele dissociatie
hier worden twee patiënten met elkaar vergeleken, waarbij de ene patient een probleem heeft met functie A maar niet met functie B, en de andere patiënt juist een probleem heeft met functie B maar niet met functie A
empirische cyclus
observatie
inductie
deductie
toetsen
evaluatie
type - I fout
het onterecht verwerpen van de nulhypothese (foutpositief)
type-II fout
het onterecht accepteren van de nulhypothese (foutnegatief)
fundamentele vraagstelling
zijn erop gericht om kennis te vergroten en hoeven geen direct maatschappelijk nut te hebben. in de klinische neuropsychologie richten deze zich op het vergroten van kennis iver de werking van cognitieve processen, de relatie tussen cognitieve processen en hersenstructuren en de samenhang tussen cognitieve stoornissen en onderliggende hersenaandoeningen.
toegepaste vraagstellingen
hebben een direct en concreet nut bv voor de klinische praktijk. in de klinische neuropsychologie richten deze zich op het vergroten van kennis over een neurologische/psychiatrisch ziektebeeld, het verbeteren van de diagnostiek of het verbeteren van de behandeling.
Verklaring van Helsinki (1964)
beschrijft de ethische principes voor medisch-wetenschappelijk onderzoek waar proefpersonen aan meedoen. het belangrijkste principe hier is het respect voor het individu.
Wet Medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO)
al het medisch-wetenschappelijk onderzoek waar mensen aan deelnemen moet door medisch-ethisch toetsingscommissie (METC) getoetst worden.
Algemene verordering gegevensbescherming (AVG)
onderzoekers moeten zich aan deze privacywet houden waarbij gegevens van proefpersonen vertrouwelijk moeten worden behandeld en alleen worden verzameld als dit noodzakelijk is voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. herleidbare gegevens worden niet gekoppeld aan de onderzoeksgegevens en proefpersonen hebben het recht om gegevens in te kijken of terug te trekken.
ratioscore
geeft aan hoe de complexe conditie zich verhoudt tot de simpele conditie
observatielijsten
hiermee kan gedrag worden geobserveerd in een dagelijkse, en daarmee ecologische valide omgeving. een nadeel is dat de situatie waarin geobserveerd wordt niet gestandaardiseerd is.
virtual reality en augmented reality
kunnen gebruikt worden om gedrag te observeren in een omgeving die zowel ecologisch valide als gestandaardiseerd en veilig is. kan ook ingezet worden voor manipulaties die in het dagelijks leven niet mogelijk zijn.
leereffecten
het optreden van verbetering in prestaties bij herhaling van taken. men moet voorzichtig zijn bij het herhaaldelijk aanbieden van neuropsychologische taken → een geobserveerde verbetering kan mogelijk toegeschreven worden aan een hertesteffect en niet zozeer aan een daadwerkelijk verbeterde onderliggende functie.
beschrijvend/observationeel onderzoek
gaat over de observatie van een populatie of proefpersoon, er worden geen variabelen gecontroleerd of gemanipuleerd. is vooral nuttig om eigenschappen en aantallen in kaart te brengen
correlationeel onderzoek:
er worden groepen met elkaar vergeleken zonder het manipuleren van variabelen/condities → er wordt gekeken naar de samenhang tussen factoren. betreft ook de samenhang tussen factoren. betreft ook onderzoek naar de samenhang tussen gedragn en verschillen die ze ondergaan hebben, maar die niet ten behoeve van het onderzoek zijn gemanipuleerd. is soms de enige manier om verbanden te onderzoeken omdat het niet altijd ethisch is om gedragsmanipulaties op te leggen. een nadeel is dat er nooit een causaal verband aangetoond kan worden met dit type onderzoek
experimenteel onderzoek
hier wordt een onafhankelijk variabele gemanipuleerd om vervolgens verschillen in de afhankelijke variabele te meten. deze studies vinden vaak plaats in een laboratorium, hierdoor kan er beter gecontroleerd worden voor externe invloeden
quasi-experimenteel onderzoek
verwijst naar veldstudies waar de manipulaties wordt toegepast in het dagelijks leven. heeft als voordeel dat resultaten beter generaliseerbaar zijn.
kwalitatieve data
niet-numerieke data die in woorden kunnen worden uitgedrukt, waarbij observaties en interviews de meest gebruikte onderzoeksmethode zijn
kwantitatieve data
numerieke data die worden geanalyseerd met parametrische en non-parametrische statistische analysemethoden.
literatuuronderzoek
hier wordt een onderzoeksvraag beantwoord door het samenvatten van eerdere bevindingen
systematische reviews
hier worden van tevoren criteria opgesteld over welke onderzoeken zullen worden meegenomen in de review. de studies worden beoordeeld op betrouwbaarheid van de bevindingen waarna de conclusies worden beschreven en samengevat.m
meta-analyse
hier wordt data van eerdere onderzoeken samengevoegd en met daartoe ontwikkelde analysesoftware kan statistisch getoetst worden of de verschillende bevindingen met elkaar overeenkomen of met elkaar tegenspreken → meer power en daarmee meer betrouwbare conclusies.
randomized controlled trials (RCT)
proefpersonen worden willekeurig toegewezen aan 1 van de condities → hierdoor kan onderscheid worden gemaakt tussen effecten van de behandeling, spontane herstelprocessen, mogelijke conpensatiestrategieën en/of placebo-effecten. willekeur toewijzen zorgt ervoor dat er geen selectiebias onstaat en groepen zo vergelijkbaar mogelijk zijn.
cross-over
proefpersonen krijgen meerdere interventies en het effect van de interventie wordt vergeleken binnen de proefpersonen. heeft als voordeel dat er minder proefpersonen nodig zijn en de proefpersonen hun eigen controles vormen. de nadelen zijn dat dit type trial alleen geschikt zijn voor stabiele aandoeningen en indien de wash-out periode niet lang genoeg is kunnen effecten van de 1e behandeling doorwerken over tijd. tevens duurt de looptijd van de trial langer en zijn statistische analyses complexer
multiple baseline
er worden meerdere voormetingen gedaan om vast te stellen wat de baseline is en/of hoe eventueel herstel verloopt → eventuele verbeteringen kunnen eenduidiger worden toegeschreven aan het effcet van de behandeling.
longitudinaal
wordt gebruikt om gedragingen over herhaalde metingen in een korte of lange tijdsperiode te onderzoeken. binnen dit design heeft men altijd te maken met test-hertesteffect.
cohort studie
een longitudinaal onderzoek waarbij een specifieke groep mensen (cohort) voor een langere periode wordt gevolgd.
cross-sectioneel
ook wel dwarsdoorsnede onderzoek genoemd, hier worden metingen op 1 punt in de tijd gedaan → om bv de prevalentie van een bepaald ziektebeeld in kaart te brengen of mensen te onderzoeken die op verschillende momentenin het ziekteproces zit.
case-control
hier wordt een groep mensen met een bepaalde aandoening vergeleken met een groep mensen zonder deze eigenschappen (controles) → er wordt retrospectief gekeken hoe vaak bepaalde risicofactoren voorkomen in beide groepen om inzicht te krijgen in de relatie tussen de risicofactoren en de aandoening. valt onder beschrijvend onderzoek omdat variabelen niet gecontroleerd of gemanipuleerd worden.
gevalsstudies
prestaties van 1 of meerdere personen worden vergeleken met die van een bestaande normgroep of nieuwe controlegroep → het doel is dat a te verzamelen over unieke personen of groepen, deze data kan betekenis geven aan bestaande dat of leiden tot nieuwe hypothesen.
dubbelblind
idealiter is het onderzoek … (zowel behandelaar als proefpersoon weten niet welke behandeling wordt aangeboden) maar dit is in de klinische neuropsychologie vrijwel onmodelijk. het blinderen is belangrijk om (onbewuste) invloeden op de uitkomsten uit te sluiten. patiënten kunnen wel in het ongewisse worden gelaten over welke behandeling naar verwachting het meest werkzaam zal zijn. de onderzoekers die de uitkomstmetingen doen kunnen meestal wel geblindeerd worden.
pre-protocolanalyse
in de …..worden alle patienten die de studie niet volgens protocol doorlopen weggelaten uit de analyse
heterogeniteit
wetenschap gaat over het vinden van verbanden die generaliseerbaar zijn → houden stand buiten de exacte omstandigheden van het onderzoek (setting/onderzoeksgroep). dit is lastig omdat mensen zo van elkaar verschillen waarbij de variatie tussen mensen nog groter is als het gaat over patienten met hersenaandoeningen (verschillen in: fysieke en mentale ziekteaspecten, slaapkwaliteit en medicatie). het hangt van de onderzoeksvraag af welke mate van heterogeniteit gewenst is
reproduceerbaarheid
of een andere onderzoeker met dezelfde dataset tot dezelfde resultaten zou komen als de oorspronkelijke bevinding
repliceerbaarheid
of de bevindingen van een onderzoek opnieuw gevonden zullen worden wanneer het onderzoek nogmaals wordt uitgevoerd met nieuw verzamelde data
Fair-principes
findable (vindtbaarheid)
accesible (toegankelijkheid)
interoperable (uitwisselbaarheid)
reusable (herbruikbaar)
citatiebias
de neiging van onderzoekers om nul bevindingen minder vaak te citeren dan studies waarin hypotheses bevestigd worden
preregistratie
een middel om de transparantie in de wetenschap te verhogen. voorafgaand aan de dataverzameling en/of analyse wordt vastgelegd wat de onderzoeksvragen, hypothese en geplande analysemethoden zijn.
registered reports
de toezegging van een wetenschappelijk tijdschrift om, los van de uitkomst, de bevindingen te publiceren → draagt bij aan het verminderen van publicaties omdat resultaten ook bij nulbevindingen worden gepubliceerd.
valorisatie
het omzetten van kennis naar product, dienst of proces
implementatie
het invoeren van dat proces
PICO-methode
een methode die wetenschappers kunnen gebruiken om antwoorden te zoeken in wetenschappelijke literatuur → biedt een handleiding om gericht en gestructureerd een weg te vinden in de grote hoeveelheid literatuur. PICO staat voor populatie, interventiel, controle en outcome. deze methode dwingt onderzoekers ook om helder te formuleren waar men naar opzoek is.
Test-hertestbetrouwbaarheid
geeft aan in welke mate een test tot eenzelfde resultaat komt als hij op verschillende momenten bij eenzelfde persoon wordt afgenomen.
intebeoordelaarsbetrouwbaarheid
verschillende onderzoekers zouden tot eenzelfde oordeel moeten komen wanneer een test onder vergelijkbare omstandigheden wordt afgenomen.
validiteit
de mate waarin een test meet wat deze beoogt te meten.
face validity
de mate waarin een test op het eerste gezicht meet wat hij behoort te meten
inhoudsvaliditeit
richt zich op de vraag of de rest representatief is voor het onderwerp dat men wil metenb
begripsvaliditeit
ook constructvaliditeit genoemd verwijst naar de mate waarin het resultaat van de test ook echt een indicatie is van de cognitieve functue waar len een uitspraak over wil doen.
categoraal ziekenhuis
ziekenhuis dat zich richt op een bepaalde doelgroep. bv epilepsie
academisch ziekenhuis
de zorg is nauw verweven met wetenschappelijk onderzoek en er is een directe samenwerking met een universiteit.
forensische zorg
de neuropqycholoog ziet patienten die qtrafbaar gedrag hebben laten zien al dan niet i.c.m een psychische stoornis/eerder verworven hersenletsel. behandeling kan vrijwilig of gedwongen zijn en vinden vaak plaats in de forenische instelling binnen een juridisch kader.
criteriumvaliditeit
de mate waarin een test de prestatie van een patiënt kan voorspellen op een extern criterium.
predicitieve validiteit
hoe goed voorspelt een test het daadwerkelijke gedrag?
concurrerende validiteit
vergelijking tussen een neuropsychologische test en een ander instrument dat hetzelfde criterium beoogt.
ecologische validiteit
in welke mate de test voorspelt hoe een patient functioneert in zijn of haar omgeving → veel direct verwantschap met specifieke alledaagse taken.
stoorfactoren
een element dat een testprestatie beïnvloedt, maar dat niet binnen de meetprestatie van de test valt. dit kunnen visuele beperkingen of gehoorproblemen zijn maar ook vermoeidheid, pijnklachten, spanning of onzekerheid.
ontbrekend ziektebesef (anosognosie)
patient is zich niet bewust van een aandoening/bijhorende beperkingen
aangedaan ziektebesef
de patient heeft geen inzicht in de gevolgen van de ziekte voor het dagelijks functioneren
ingebouwde validiteitsindicatoren
hierbij wordt gekeken naar onwaarschijnlijke prestaties binnen reguliere tests.
prestatievaliditeitstaken
worden gepresenteerd als moeilijke (geheugen) taken maar zijn in werkelijkheid niet moeilijk en zou goed te doen moeten zijn voor alle patientgroepen → minimaal 2 van deze tests.
richtlijnen
wetenschappelijke kennis wordt vertaald naar aanbevelingen in de praktijk, zijn gebaseerd op de op dat moment geldende wetenschappelijke consensus en biedt handvaten bij het opstellen van een kernset van tests en vragenlijsten? Er worden ook suggesties gedaan voor vragen die gesteld kunnen worden tijdens de anamnese/heteroanamnese en wordt uiteengezet hoe resultaten van het NPO met de patient nabesproken kunnen worden.
neuropsychologisch expertiseonderzoek
een NPO in het kader van een juridische context → bv letselschadezaken of vragen omtrent toerekeningsvatbaarheid. bij dit soort onderzoeken is het van belang om de patient voorafgaand uitgebreide uitleg te geven over de procedure en hem te wijzen op hun rechten. het onderzoek naar prestatie- en symptoomvaliditeit is een belangrijk onderdeel van dit soort onderzoeken.
crossculturele aspecten
allerlei factoren kunnen ervoor zorgen dat reguliere test moeilijk afneembaar zijn bij niet-westerse populatie, bv andere moedertaal, minder bekendheid, testsituaties, laag opleidingsniveau of analfabetisme. het is belangrijk om hier tijdens het diagnostische proces rekening mee te houden en testmateriaal aan te bieden dat geschikt is voor mensen met een diverse achtergrond, taal, mate van geletterdheid of opleidingsniveau.
secundaire cognitieve klachten
er is een groot scala aan ziektebeelden, neurologisch en niet-neurologisch waarbij er minder of slechts beperkte aanwijzingen zijn voor directe hersenschade, maar waarbij een groot deel van patienten toch cognitieve klachten ervaart.
diabetes mellitus type 2
kan gepaard gaan met lichte cogniteive stoornissen, ernstige cognitieve achteruitgang en een verhoogd risico op dementieh
hersenschudding
hier kunnen aanhoudende klachten worden ervaren zonder dat afwijkingen kunnen worden vastgesteld d.m.v. een NPO of hersenscans
ziekte van lyme
ook hier worden veel langdurige klachten gerapporteerd op het gebied van vermoeidheid, cognitieve klachten en pijn
psycho-educatie
een belangrijk onderdeel van de neuropsychologische behandeling. patienten krijgen voorlichting en er worden adviezen gegeven. deze informatie is tevens belangrijk voor naasten.
structurele beeldvorming van de hersenen (neuro-imaging)
deze technieken kijken naar de anatomie. Magnetic resonance imaging (MRI) en CT zijn hoofdzakelijk structurele technieken maar kunnen ook functionele processen afbeelden. deze technieken kijken naar de anatomie
functionele beeldvorming van de hersenen (neuro-imaging)
geven onderliggende processen weer zoals beweging van water/bloedstroming. positronemissietomografie (PET), single photon emission computed tomography (SPECT), elector-encefalogram (EEG) en magneto-encefalografie (MEG) zijn vooral functionele beelvormende technieken
temporele resolutie
onderscheidingsvermogen in tijd
spatiele resolutie
onderscheidingsvermogen in ruimte
structurele radiologische beeldvorming
van belang om pathologie in de hersenen zichtbaar te maken en hebben vaak een hoge spatiele resolutie
computertomografie
maakt het mogelijk om hersenweefsel in relatief korte tijd gedetailleerd in beeld te brengen d.m.v. röntgenstalen. tijdens een scan worden verschillende bundels rontgenstralen vanuit verschillende hoeken door het hoofd van de patient gestuurd. elke hoek geeft een beeld van een dun ‘plakje’ van de hersenen.
magnetische resonantie
tegenwoordig de belangrijkste techniek in het onderzoek naar de opbouw en werking van en naar stoornissen in de hersenen. De MRI-scanner bestaat uit een ronde buis met een zeer sterke magneet → produceert een homogeen magnetisch veld uitgedrukt in Tesla (meeste scanner hebben 1.5 of 3 Tesla). een sterkere magneet resulteert in betere signaal-ruisverhouding maar meestal is de 1.5 Tesla scanner gedetailleerd genoeg voor klinische doeleinden. … heeft een hoge spatiele resolutie → hierdoor kan men nauwkeurig kijken naar de opbouw en functie van kleine hersengebieden. doordat het veilig is kan dit ook gebruikt worden bij jonge kinderen of voor herhaardelijk gebruik.
T2*
is een variant van T2-gewogen MRI, maar extra gevoelig voor variaties in het magnetisch veld. dit maakt het geschikt voor het opsporen van: bloedingen (vooral oude bloedingen met ijzerhoudende afbraakproducten, zoals hemosiderine), microbloedingen bij aandoeningne zoals traumatisch hersenletsel of kleine vaatziekten en ijzerafzettingen bij neurodegeneratieve aandoeningen (bv parkinson, alzheimer). deze structuren, bloed, ijzer en calcium geven een sneller signaalverlies, waardoor ze donkerder (hypointens) op de scan verschijnen.
susceptibility weighted imaging
is een geavanceerde versie van T2* die nog gevoeliger is voor kleine bloedingen en ijzerafzettingen. gebruikt fase-informatie van het MRI-signaal om magnetische verstoringen beter zichtbaar te maken. hierdoor kunnen zeer kleine bloedingen, veneuze bloedvaten en ijzerafzettingen gedetailleerd worden weergegeven. bloedingen en ijzerafzettingen worder donkerder en scherper afgetekend dan bij T2*. kleine venen en vaatstructuren worden duidelijk zichtbaar, wat helpt bij vasculaire aandoeningen.
quantitative susceptibility mapping
is een geavanceerde MRI-techniek die de magnetische eigenschappen van weefsel in de hersenen kwalitatief meet. het wordt vooral gebruikt om ijzerafzettingen, bloedafbraakproducten en kalk nauwkeuri in beeld te brengen.
functionele radiologische beeldvorming
brengen de neurobiologische processen van de hersenen in beeld → bv inschatten waar een herseninfarct heeft plaatsgevonden of voor het beoordelen van een kwaadaardige tumor. wordt in wetenschappelijk onderzoek toegepast om de betrokkenheid va hersennetwerken bij hersenfuncties en pathologie te onderzoeken.
diffusie-gewogen MRI
is een speciale MRI-techniek die de beweging van watermoleculen in weefsel meet. dit is vooral nuttig bij het vroegtijdig opsporen van beroertes, tumoren en andere neurologische aandoeningen. … is de willekeurige beweging van watermoleculen in het lichaam. in gezond weefsel kunnen watermoleculen relatief vrij bewegen. in beschadigd of ziek weefsel kan deze beweging beperkt zijn door cel zwelling of veranderingen in de structuur.
ADC (apparent diffusion coefficient)
naast de gewone DWI-beelden wordt vaak een …-kaart gemaakt. een lage …-waarde = beperkte diffusie (bij een acute beroerte). een hoge …-waarde = vrije diffusie (bv in normaal hersenvocht)
diffusion tension imaging (DTI)
hiermee kan de richting van de diffusie worden gemeten. het daarna uitrekenen van hoe deze wittestof-banen wordt ook wel tractografie genoemd. tevens kan met DTI worden onderzocht of de integriteit van de wittestof-banen is veranderd bij een bepaalde hersenziekte of aandoening
perfusie MRI
is een functionele MRI-sequentie waarbij vaak gebruikgemaakt wordt van speciale contrastmiddelen (kan ook zonder). Wordt toegepast in een breed scala aan klinische toepassingen bv bij de classificatie en follow-up van hersentumoren, identificatie van beroertegebieden en differentiatie van hersenweefsel.
magnetische-resonantie-spectroscopie
de moleculaire samenstelling in de hersenen wordt in vivo bestudeerd en biochemische veranderingen kunnen gemeten worden m.n. bij tumoren. vergelijkt de chemische samenstelling van normaal weefsel met afwijkend weefsel. vooral toegepast bij kinderen voor het aantonen van metabole stoornissen en bij beroertes en epilepsie
fMRI
is een speciale techniek waarbij de activiteit van de hersenen d.m.v de MRI-scanner zichtbaar wordt. hersencellen (neuronen) hebben zuurstof nodig om te werken. actieve hersengebieden vragen dus om meer zuurstofrijk bloed. dit veroorzaakt veranderingen in de verhouding tussen zuurstofrijk (oxyhemoglobine) en zuurstofarm bloed (deoxyhemoglobine). de scanner kan deze veranderingen detecteren, omdat de magnetische eigenschappen van oxy- en deoxyhemoglobine verschillen → zuurstofrijk bloed is diagmagnetisch (hoog signaal) en zuurstof arm bloed is paramagnetisch (laag signaal). de scanner detecteert deze verschillen m.b.v. het BOLD-signaal (blood oxygen level dependent)
BOLD (blood oxygen level dependent)
geeft de verhouding weer tussen zuurstofrijk en zuurstof arm bloed en stelt ons in staat om te identificeren welke hersengebieden het meest actief zijn. hoge neurale niveau’s → hogere niveau’s van zuurstof rijk bloed. zo is men in staat om activiteit in bepaalde hersengebieden te koppelen aan de taak die op het moment van de scan werd uitgevoerd.
positronemissiiontomografie (PET)
is een nucleaire beeldvormende techniek die de functionele processen van de hersenen in kaart brengt. (stofwisselingsprocessen/neurotransmitter integriteit). worden veelal gebruikt om verstoringen in de hersenfysiologie in een vroeg stadium in kaart te brengen. pet maakt gebruik van radio-isotopen. tracers (radio-isotopen) worden via een intraveneuze injectie toegediend.
resting state MRI
is een methode om de functionele connectiviteit van de hersenen te bestuderen → geeft een correlatie weer tussen activatie van verschillende hersengebieden. men meet de spontane/intrinsieke hersenactiviteit gemeten van een individu in urst. is er een correlatie dan wordt samengevoegd tot een netwerk, waarbij de veronderstelling is dat gelijktijdige communicatie betekent dat deze gebieden met elkaar verbonden zijn. wordt alleen toegepast voor wetenschappelijke doeleinden.
default mode network (DMN)
een functioneel basisnetwerk dat actiever is tijdens rust
frontoparientale netwerk (FPN)
taakgerelateerd netwerk en is actief zowel tijdens rust als tijdens motorische en cognitieve taken die een beroep doen op saccades en ruimtelijke aandacht, mentale rotatie en werkgeheugen
saliency-netwerk
is betrokken bij verschillende complexe hersenfuncties waaronder communicatie, sociaal gedrag en zelfbewustzijn
single photon emission computed tomography
een nucleaire beeldvormende techniek voor het meten van functionele hersenprocessen, ook hier wordt gebruik gemaakt van radio-isotopen (tracers). deze zenden gamma-straling in de vorm van 1 enkele foto uit. deze straling wordt gedetecteerd door een SPECT-camera, waarna een 3D beeld van de activiteit verdeling wordt gereconstrueerd.
Tc-HMPAO
toegepast om de doorbloeding van de hersenen te bestuderen. het middel wordt direct opgenomen in het hersenweefsel in hoeveelheden die evenredig zijn met de mate van doorbloeding waardoor perfusiestoornissen zoals dementie/CVA gevisualiseerd kunnen worden
FP-CIT (dopamine transporter scan)
parkinson kenmerkt zich door het verlies van dopaminerge neuronen. m.b.v ….. kunnen deze neuronen gevisualiseerd worde en gekwanitficeerd → hierdoor kan diagnose/ernst van ziekte worden vastgesteld.
201 Thallium
hiermee wordt het metabolisme van hersentumoren afgebeeld. … wordt niet opgenomen door gezond hersenweefsel, maar wel door maligne hersencellen → vroegtijdige tumorrecidieven worden opgespoord.