1/99
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
‘S Avonds doe ik mijn ring af. Ik leg mijn ring altijd…
onder het bed / in de kast
Aaliyah pakt eerst een kopje koffie. Daarna gaat ze…
naar haar werk / werken
Aaron gaat donderdag op reis. Hij vindt dat…
spannend / leuk
Aaron is dokter. Hij werkt…
in het ziekenhuis
5. Aaron is schilder. Hij schildert meestal…
portretten
6. Abdul stuurt zijn familie elke week een e-mail. Hij schrijft dan over…
zijn dagen / zijn werk
7. Abel is op school. Hij heeft…
examen
8. Achmed is klaar met school. Hij gaat…
werken
9. Adam is aan het koken. Hij maakt…
soep
10. Ahmed brengt zijn zoon naar het vliegveld. Zijn zoon gaat…
naar Rusland / op vakantie
11. Aiden is bij de bakker. Hij wil…
brood eten
12. Alex gaat naar school. Hij wil graag…
Nederlands leren / boeken lezen
13. Alex gaat altijd met de trein. Ik ga graag met…
de auto
14. Alex is ziek. Hij heeft pijn aan…
zijn tanden / zijn hoofd
15. Alex wil nieuwe schoenen. Hij gaat naar…
de winkel
16. Ali kan niet goed lopen. Hij heeft pijn aan zijn…
voet / knie
17. Ali werkt in een fabriek. Hij wil…
zijn salaris
18. Alice werkt in een ziekenhuis. Zij is daar…
dokter
19. Amel sport graag. Sporten is…
gezond
20. Ana is niet blij met haar huis. Ze vindt haar huis…
niet mooi
21. Ananda is aan het koken. Ze maakt…
pasta
22. Andres werkt op het land. Het werk is…
vermoeiend
23. Anisa maakt huiswerk op de computer. Ze doet dat…
elke dag
24. Anna is bij de dokter. Ze krijgt…
medicijnen
25. Anna’s huis is te klein. Ze wil snel…
verhuizen
26. Arif wacht op de bus. De bus komt…
te laat
27. Arjun moet elke dag reizen naar zijn werk. Hij werkt in…
de stad
28. Arnold is schoonmaker. Hij werkt in…
de fabriek
29. Ayla eet haar ontbijt snel op. Ze heeft…
honger
30. Aziz loopt elke dag. Hij loopt naar…
het park / zijn werk
31. Barry is geslaagd voor zijn examen. Hij krijgt…
een diploma
32. Bart gaat bijna elke dag met de auto. Hij rijdt dan naar…
zijn werk
33. Berat geeft les. Hij vertelt over…
politiek
34. Bilal gaat naar de bioscoop. Hij gaat met zijn…
vriendin / vrouw
35. Bob houdt niet van zwemmen. Hij gaat liever…
tennissen / lopen
36. Brenda doet een opleiding.
Ze moet iedere avond…
studeren
37. Cai werkt met hout. Hij maakt…
een stoel / de vloer
38. Carla drinkt een glas water. Ze doet dat…
elke dag
39. Carlos gaat vroeg slapen. Hij is…
moe
40. Carlos is vrij. Hij gaat…
naar huis
41. Carlos maakt muziek. Hij doet dat…
voor de lol / altijd
42. Carmen eet elke dag een banaan. Soms eet ze ook…
een mango / een appel
43. Caro gaat vaak met de bus naar school. Soms gaat ze…
met de trein / met de fiets
44. Chen verkoopt bloemen. Ze doet dat…
elke dag
45. Chris heeft een computer. Hij gebruikt de computer om te…
studeren
46. Chris neemt zijn pillen. Hij heeft pijn in zijn…
been / hoofd
47. Christina belt met haar moeder. Ze praten over…
familie
48. Christo heeft dorst.
Hij drinkt een glas…
thee / water
49. Claire kijkt uit het raam. Ze kijkt naar…
buiten
50. Claire leert Nederlands. Ze vindt Nederlands…
moeilijk
51. Dael heeft veel geld. Hij werkt…
altijd
52. Dafne kan goed zingen. Ze kan ook goed…
dansen
53. Daniel heeft pijn aan zijn kies. Hij gaat naar…
de tandarts
54. Danielle gaat studeren. Ze pakt haar…
boeken
55. Dany heeft hoofdpijn. Ze wil…
naar bed
56. Dario zit op school. Hij maakt een…
test
57. Dave is niet blij met zijn haar. Zijn haar is…
lelijk
58. Dave lust geen koffie. Hij drinkt liever…
bier / thee
59. Dave werkt in een café. Hij moet daar…
koffie maken
60. David en Maria rijden naar de stad. Ze zoeken…
een parkeerplaats
61. David heeft een boot. Hij gebruikt de boot om te…
varen
62. David is dik. Hij eet elke dag…
vlees / pasta
63. David werkt in een ziekenhuis. Hij is…
dokter
64. De auto van Leah is kapot. Ze brengt de auto naar…
de monteur / de garage
65. De baas van Patrick is boos. Patrick vindt dat…
niet leuk
66. De broer van Souad heeft een baby gekregen. Souad is…
blij
67. De bus is vaak te laat. Paul vindt dat…
niet leuk
68. De bus rijdt langzaam. Lia wil…
sneller
69. De dochter van Sophia kijkt veel tv. Ze kan beter gaan…
sporten / slapen
70. De dokter praat met Sofia. De dokter geeft Sofia…
medicijnen
71. De familie Wang woont in een leuke straat. Zij wonen naast…
een kerk / mij
72. De kinderen lezen samen. In het boek staat…
een verhaal
73. De klas is leeg. Iedereen is…
naar huis
74. De koning is op het nieuws. Hij vertelt over…
de prinses / de economie
75. De les begint om 11 uur. Hetty gaat…
naar school
76. De les is afgelopen. We willen nu…
op vakantie / naar huis
77. De man belt in de auto. Dat is…
dom / niet goed
78. De stoel is kapot. Jaimy gaat de stoel…
repareren
79. De trein is vol. Hanna moet…
staan
80. De zoon van Samira gaat naar school. Samira vindt dat…
goed
81. Debra zit op school. Ze maakt veel…
huiswerk
82. Die sinaasappel is oud. Je moet de sinaasappel…
weggooien
83. Diego houdt van koken. Hij kookt graag voor…
zijn partner / zijn vrouw
84. Dimitri werkt in een garage. Hij maakt…
auto’s
85. Dunya gaat naar een feest. Het feest is van haar…
tante / broer
86. Dylan is bij de tandarts. Dat is…
niet leuk
87. Edgar en Joko koken samen. Ze doen dat…
altijd / elke dag
88. Een mug heeft mij geprikt. Nu krijg ik…
jeuk
89. Ella bakt koekjes. Ze bakt de koekjes voor…
het kind / haar man
90. Emma doet een opleiding. Dat is…
moeilijk
91. Emma schrijft alles op. Daarna gaat ze…
slapen / naar huis
92. Emma wast haar handen. Ze gaat…
koken
93. Er is ingebroken bij Ben. Hij belt naar…
de politie
94. Er komen nieuwe huizen in onze buurt. Ik vind dat…
mooi
95. Er ligt rommel op straat. Dat is…
vies
96. Esma wil lerares worden. Zij gaat…
studeren
97. Esra is ziek. Ze vindt dat…
niet leuk
98. Fanya is op de markt. Ze zoekt…
bananen / kleren
99. Farid is zanger. Hij moet vandaag…
zingen
100. Fausia stapt uit de boot. Ze loopt naar…
huis