Spaans Taalbeheersing 3: Aula internacional plus 3 - Unidad 9
El aburrimiento/estar aburrido
De verveling/verveeld zijn
La alegría/estar alegre
De vreugde/blij zijn
El asco
De walging
La ansiedad/tener ansiedad
De angst/angst (/bezorgdheid) hebben
Los celos/estar celoso
De jaloezie/jaloers zijn
El enfado/estar enfadado
De boosheid/boos zijn
La ilusión/estar ilusionado
De verheugdheid/verheugd zijn (voor iets in de toekomst)
El miedo/tener miedo
De angst/bang zijn
Los nervios/el nerviosismo/estar nervioso
De zenuwen/de zenuwachtigheid/zenuwachtig zijn
La rabia
De woede
La pena
De zonde (jammer)
La pereza/ser perezoso
De luiheid/lui zijn
La tranquilidad/tranquilizarse
De kalmte/kalmeren of De rust/tot rust komen
La tristeza/estar triste
Het verdriet/verdrietig zijn
La sorpresa/estar sorprendido
De verassing/verrast zijn
Dar miedo
Beangstigend zijn
Dar rabia
Woedend zijn
Dar asco
Walgen
Dar ansiedad
Angst/bezorgdheid geven
Dar pereza
Te lui zijn om
Dar vergüenza
Zich schamen
Dar pánico
Paniek hebben
Dar pena
Zielig vinden
ponerse nervioso/a
Nerveus/zenuwachtig worden
Ponerse triste
Verdrietig worden
Ponerse contento/a
Blij worden
Ponerse celoso/a
Jaloers worden
Sentar bien
Zich goed voelen (over/door iets)
Sentar mal
Zich slecht voelen (over/door iets)
Sentar fatal
Zich verschrikkelijk voelen (over/door iets)
Sentirse bien
Zich goed voelen
Sentirse mal
Zich slecht voelen
Sentirse triste
Zich verdrietig voelen
Qué pena me da!
Wat jammer!
Qué rabia!
Wat een woede!
Qué rollo!
Wat vervelend!
Qué alegría!
Wat een geluk/vreugde!
Qué harto/a estoy!
Wat ben ik het beu!
Qué mal me siento!
Wat slecht dat ik me voel!