Kaarten: ethologie | Quizlet

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/99

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 3:51 PM on 5/10/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

100 Terms

1
New cards

Triune brain theorie van MacLean

Vergelijkende functionele neuro-anatomie van het CZS doorheen de evolutie.

2
New cards

Reptiliaanse hersenen

de hersenstam

3
New cards

Regulatorische processen

Gedrag wordt beïnvloedt door alle niveaus van het organisme en door tal van aspecten uit het milieu.

4
New cards

Gedrag

De waarneembare reactie van een dier op externe of interne prikkels, beïnvloed door fysiologie, omgeving en evolutie.

5
New cards

Ethologie

De biologische studie van gedrag, met focus op observatie, evolutie en causaliteit.

6
New cards

Fylogenie

Evolutionaire oorsprong en ontwikkeling van gedrag over generaties heen.

7
New cards

Ontogenie

Ontwikkeling van gedrag binnen het leven van één individu, vaak tijdens jeugd of gevoelige periodes.

8
New cards

Functie

De bijdrage van gedrag aan overleving of reproductie.

9
New cards

Causaliteit

Oorzaken van gedrag, waaronder stimuli, fysiologie en hormonale toestand.

10
New cards

4 vragen van Tinbergen

· 2 ultimate vragen: waarom

Functie: wat is de functie of overlevingswaarde van het gedrag

Evolutie: hoe is een gedrag ontstaan doorheen de evolutie en heeft het zich genetisch vastgelegd

· 2 proximate vragen: waardoor, hoe

Veroorzaking of causaliteit: welke oorzaken doen het beschreven gedrag optreden?

Ontwikkeling: hoe heeft het gedrag zich ontwikkeld in de loop van het leven van een individu? (vanaf conceptie tot volwassenheid)

11
New cards

causaliteit van het gedrag

12
New cards

Reflexen

Automatische, aangeboren reacties op specifieke prikkels.

13
New cards

Soorten stimuli

Releasing stimuli lokken direct gedrag uit; priming stimuli bereiden het dier voor op gedrag.

14
New cards

Onderscheidingsvermogen

De gevoeligheid van de zintuigen via gedragsproeven onderzoeken.

15
New cards

Sleutelprikkels

Specifieke stimuli die een vast gedragspatroon activeren, vaak essentieel voor overleving.

16
New cards

Interoceptoren

Zintuigen die inwendige lichaamstoestanden waarnemen zoals honger of bloeddruk.

17
New cards

Priming stimuli

Prikkels die een dier gevoelig maken voor toekomstige reacties.

18
New cards

Releasing stimuli

Prikkels die een onmiddellijke reactie uitlokken.

19
New cards

Formatio reticularis

Hersenstructuur die algemene waakzaamheid en gedragstoestand regelt.

20
New cards

Appetitieve fase

Fase waarin een dier actief zoekt naar de stimulus die een behoefte vervult (bv. voedsel, seks).

21
New cards

Oculomotorische reflex

Laterale oogbewegingen.

22
New cards

Evoked potentials

Ogen stimuleren met lichtprikkels.

23
New cards

Perifere filtering van stimuli

Gebeurt door de aard van de zintuigen zelf.

24
New cards

Centrale filtering van stimuli

De stimulus heeft op dat moment geen betekenis voor het dier.

25
New cards

Gestaltkarakter

Totaliteit van de waargenomen structuur, prikkels moeten in een bepaalde schikking voorkomen en een vaste verhouding is noodzakelijk.

26
New cards

Drempelwaarde

De minimale waarde die een sleutelprikkel moet hebben om een reactie uit te lokken.

27
New cards

Heterogene summatie = prikkelsummatie

De verschillende kwaliteiten van een stimulus kunnen opgeteld of afgetrokken worden.

28
New cards

Adaptieve waarde

Het onmiddellijk adequaat reageren op prikkels is vaak belangrijk om te overleven.

29
New cards

Supernormale stimuli

Dieren kunnen sterker reageren op stimuli waarvan de intensiteit in de natuur niet te vinden is. (bv. op eieren broeden die veel groter zijn dan normale)

30
New cards

Deception tegenover honest signalling

Valse of echte signalen van dieren.

31
New cards

Deception: camouflage

Organisme gaat lijken op zijn omgeving om niet op te vallen.

32
New cards

Deception: batesian mimicry

Smakelijke dieren gaan lijken op onsmakelijke dieren om minder gejaagd te worden.

33
New cards

Deception: Müllerian mimicry

Wansmakelijke dieren lijken uiterlijk op elkaar en zo wordt het afwerend effect vergroot.

34
New cards

Evaluatiesignalen

Signalen die eerlijk de kracht van de zender weergeven, bv. gebrul van hert.

35
New cards

Conventionele signalen

Signalen die correleren met bepaalde positieve eigenschappen van de zender, liegen is mogelijk.

36
New cards

Hormonen beïnvloeden het gedrag

Hormonen beïnvloeden gedrag zowel indirect via organen als direct via hersengebieden zoals het limbisch systeem.

37
New cards

Interacties gedrag - hormonen

Gedrag en hormonen beïnvloeden elkaar wederzijds; bv. baltsgedrag verhoogt hormoonproductie en omgekeerd.

38
New cards

Ontogenetische ontwikkeling

De manier waarop hormonale invloeden tijdens de vroege levensfasen gedragsmatige verschillen veroorzaken.

39
New cards

Feromonen

Chemische stoffen die communicatie tussen dieren van dezelfde soort mogelijk maken, met invloed op gedrag en fysiologie.

40
New cards

Vomeronasaal orgaan = orgaan van Jacobson

Zintuigorgaan gespecialiseerd in het waarnemen van feromonen, verbonden met gedrag zoals Flehmen.

41
New cards

Flehmen

Specifiek gedrag (bv. lip optrekken) waarmee dieren feromonen beter waarnemen via het vomeronasaal orgaan.

42
New cards

Bekende mechanismen

Geobserveerde effecten van feromonen op voortplantings- en sociaal gedrag (zoals het Bruce- of Whitten-effect).

43
New cards

MHC

Genencomplex dat feromoongevoeligheid beïnvloedt; belangrijk bij partnerkeuze en immunologische compatibiliteit.

44
New cards

genetica en evolutie

45
New cards

Ontogenese

Dier kan zich aanpassen aan het milieu door zijn gedrag te veranderen in functie van ervaringen opgedaan in de loop van het leven en die in het geheugen bewaard zijn gebleven.

46
New cards

Fylogenese

Genetisch geheugen: adaptaties die over generaties een door natuurlijke selectie ontstaan zijn.

47
New cards

Nature versus nurture

Interactie tussen genen en milieu.

48
New cards

Erfelijkheid en gedrag

Gedrag wordt deels genetisch bepaald en is onderhevig aan natuurlijke selectie.

49
New cards

Soorten invloeden van de genen

Genen beïnvloeden gedragspatronen, gedragssequenties en motivatie.

50
New cards

Onderzoeksmethodes

Technieken zoals kruisingen, erfelijkheidsgraadberekeningen en selectiestudies om genetische invloed op gedrag te bepalen.

51
New cards

Heritabiliteit = erfelijkheidsgraad

De mate waarin een eigenschap geselecteerd kan worden aan de hand van aangepaste kruisingen, niet te verwarren met erfelijkheid.

52
New cards

Selection differential

Het verschil tussen het gemiddelde van een eigenschap bij de geselecteerde dieren en het gemiddelde van die eigenschap in de hele populatie.

53
New cards

Response to selection = gain

De mate waarin het gemiddelde gedrag in de volgende generatie verandert als gevolg van selectie.

54
New cards

Isogenische stammen

Door langdurige inteelt tussen broers en zussen is men tot stammen gekomen waarin alle dieren van hetzelfde geslacht homozygoot zijn voor alle allelen, bij knaagdieren.

55
New cards

Cross-fostering = gekruiste adoptie

Jongen van stam A worden opgevoed door pleegmoeder van stam B en omgekeerd.

56
New cards

Familiestudies

Verwante individuen die gemeenschappelijke genen hebben zouden meer gelijkenissen moeten vertonen dan vreemden.

57
New cards

Microëvolutie

Kleine evolutionaire veranderingen in gedrag binnen een soort of populatie.

58
New cards

Homologie

Homologe gedragspatronen lijken op elkaar omdat de rassen of soorten gemeenschappelijke voorouders hebben.

59
New cards

Analogie

Analoge gedragspatronen lijken op elkaar omdat zij zich bij genetische niet-aanverwante diersoorten ontwikkeld hebben onder gelijkaardige selectiedruk van het milieu in de loop van de evolutie.

60
New cards

Ritualisatie

Evolutieproces waarbij conflicthoudingen of overspronggedrag een communicatiefunctie krijgen.

61
New cards

Emancipatie

Het gedrag moet los kunnen optreden van de oorspronkelijke causale situatie.

62
New cards

Typische intensiteit

Het signaal moet absoluut duidelijk zijn en vertoont weinig variatie, de natuur heeft voor een soort optimaal signaal geselecteerd. Bv krabben met de voorpoot van een agressieve stier.

63
New cards

ontogenie

64
New cards

Ontogenese

Op het niveau van het individu: aanpassingen tijdens het leven onder invloed van milieufactoren.

65
New cards

Ontwikkelingsprocessen

Genetische potentialiteiten interageren met milieu-invloeden en bepalen een ontwikkelingsstadium.

66
New cards

Epigenetische processen

Veranderingen in genexpressie zonder verandering in DNA-sequentie, brug russen genotype en fenotype, bv. sommige jeugdervaringen kunnen levenslange invloeden hebben.

67
New cards

Instincten

Gedragingen die vlug na de geboorte op een vrij onveranderlijke wijze uitgevoerd werden.

68
New cards

Deprivatie-experimenten = Kaspar Hauser experimenten

Wanneer de perceptie van bepaalde stimuli onmogelijk gemaakt wordt en het gedrag toch optreedt, dan moeten de stimuli niet nodig zijn voor de ontwikkeling van dat gedrag.

69
New cards

Maturatie = rijping

Gedragsveranderingen die afhangen van de groei van het organisme.

70
New cards

Neotenie

Het blijven bestaan van karakteristieken typisch voor de jeugd bij het volwassen organisme.

71
New cards

Regressie

Het opnieuw optreden van infantiel gedrag bij de volwassene = psychiatrische stoornis.

72
New cards

Fixed Action Patterns (FAP)

Genetisch vastgelegde gedragingen die altijd volledig worden uitgevoerd zodra ze begonnen zijn, vaak als reactie op sleutelprikkels, genetisch bepaald.

73
New cards

Inprenting

Leerproces tijdens een gevoelige periode, leidt tot blijvende gedragsveranderingen (bv. herkenning moederdier).

74
New cards

Gevoelige periodes

Beperkte perioden in het leven waarin dieren extra gevoelig zijn voor leerprocessen zoals inprenting.

75
New cards

inprenting bij gedrag

Vaste geheugenbeelden die het gedrag voor het leven bepalen = epigenie.

76
New cards

Intra-uterine position = IUP

De positie van een foetus t.o.v. worpgenoten kan secundaire geslachtskenmerken en gedrag beïnvloeden.

77
New cards

Moeder-kind relaties

Gedragsband tussen moeder en jong, beïnvloed door vroege ervaring en feromonen.

78
New cards

Socialisatieperiode

Gevoelige ontwikkelingsfase bij jonge dieren waarin ze leren omgaan met soortgenoten, andere diersoorten, de omgeving en sociale signalen. Dit proces is cruciaal voor normaal sociaal gedrag op latere leeftijd.

79
New cards

motivatie

80
New cards

Positieve emotie

Terugkeer naar de norm: bevrediging, genot, plezier, het aangename.

81
New cards

Negatieve emotie

Verwijdering van de norm: ongemak, ongenoegen.

82
New cards

Motivatie

Het proces dat bepaalt welk gedrag optreedt en wanneer.

83
New cards

Motivatietoestand

Binnen een bepaalde tijdspanne zijn verschillende motivaties actief.

84
New cards

Frustratie

De afwezigheid van bevrediging, wanneer de motivatie hoog ligt, leidt tot frustratie.

85
New cards

Homeostatische mechanismen

Systemen die gedrag sturen om het interne evenwicht van het lichaam te behouden.

86
New cards

Feedback

Homeostase wordt bereikt door correctie na het vaststellen van een afwijking van de norm.

87
New cards

Feedforward

Anticiperend systeem dat gedrag stuurt voordat er een afwijking in het evenwicht is opgetreden.

88
New cards

Deprivatieperiode

Sommige gedragingen komen sterker op na een deprivatieperiode.

89
New cards

Rebound effect

Hoe langer het geleden is sinds een dier gedronken heeft, hoe harder het naar water zal zoeken en hoe meer het zal drinken.

90
New cards

Vacuümactiviteiten

Sommige gedragingen worden ogenschijnlijk in afwezigheid van de normaal vereiste externe prikkels toch uitgevoerd, de motivatie is zo sterk dat het gedragspatroon zuiver door interne prikkels uitgelokt wordt.

91
New cards

Appetitief gedrag

Het zoeken van het doel, bv. een prooi, vijver of partner.

92
New cards

Consummatorisch gedrag

De bevrediging zelf, bv. het doden en opeten van de prooi, drinken, baltsen of copulatie.

93
New cards

Verzadiging

Fase van verzadiging na het bereiken van het doel.

94
New cards

Hydraulisch model van Lorenz

Oud motivationeel model waarin gedragsenergie zich opstapelt en vrijkomt bij een geschikte prikkel.

95
New cards

Homeostatische regelsystemen

Nieuwere modellen die motivatie verklaren via feedback- en regelsystemen zoals in fysiologie.

96
New cards

Consumer demand studies

Methode om motivatie te meten door te kijken hoeveel moeite een dier doet om iets te verkrijgen.

97
New cards

leerprocessen

98
New cards

Habituatie

Afname van reactie op herhaalde, niet-bedreigende stimulus.

99
New cards

Sensitisatie

Toename van reactie op een herhaalde of intensieve stimulus.

100
New cards

Niet-associatief leren

Habituatie en sensitisatie worden beschouwd als niet-associatief leren in tegenstelling met klassieke en operante conditionering. De processen steunen op biochemische veranderingen ter hoogte van de zenuwen.