1/99
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Triune brain theorie van MacLean
Vergelijkende functionele neuro-anatomie van het CZS doorheen de evolutie.
Reptiliaanse hersenen
de hersenstam
Regulatorische processen
Gedrag wordt beïnvloedt door alle niveaus van het organisme en door tal van aspecten uit het milieu.
Gedrag
De waarneembare reactie van een dier op externe of interne prikkels, beïnvloed door fysiologie, omgeving en evolutie.
Ethologie
De biologische studie van gedrag, met focus op observatie, evolutie en causaliteit.
Fylogenie
Evolutionaire oorsprong en ontwikkeling van gedrag over generaties heen.
Ontogenie
Ontwikkeling van gedrag binnen het leven van één individu, vaak tijdens jeugd of gevoelige periodes.
Functie
De bijdrage van gedrag aan overleving of reproductie.
Causaliteit
Oorzaken van gedrag, waaronder stimuli, fysiologie en hormonale toestand.
4 vragen van Tinbergen
· 2 ultimate vragen: waarom
Functie: wat is de functie of overlevingswaarde van het gedrag
Evolutie: hoe is een gedrag ontstaan doorheen de evolutie en heeft het zich genetisch vastgelegd
· 2 proximate vragen: waardoor, hoe
Veroorzaking of causaliteit: welke oorzaken doen het beschreven gedrag optreden?
Ontwikkeling: hoe heeft het gedrag zich ontwikkeld in de loop van het leven van een individu? (vanaf conceptie tot volwassenheid)
causaliteit van het gedrag
Reflexen
Automatische, aangeboren reacties op specifieke prikkels.
Soorten stimuli
Releasing stimuli lokken direct gedrag uit; priming stimuli bereiden het dier voor op gedrag.
Onderscheidingsvermogen
De gevoeligheid van de zintuigen via gedragsproeven onderzoeken.
Sleutelprikkels
Specifieke stimuli die een vast gedragspatroon activeren, vaak essentieel voor overleving.
Interoceptoren
Zintuigen die inwendige lichaamstoestanden waarnemen zoals honger of bloeddruk.
Priming stimuli
Prikkels die een dier gevoelig maken voor toekomstige reacties.
Releasing stimuli
Prikkels die een onmiddellijke reactie uitlokken.
Formatio reticularis
Hersenstructuur die algemene waakzaamheid en gedragstoestand regelt.
Appetitieve fase
Fase waarin een dier actief zoekt naar de stimulus die een behoefte vervult (bv. voedsel, seks).
Oculomotorische reflex
Laterale oogbewegingen.
Evoked potentials
Ogen stimuleren met lichtprikkels.
Perifere filtering van stimuli
Gebeurt door de aard van de zintuigen zelf.
Centrale filtering van stimuli
De stimulus heeft op dat moment geen betekenis voor het dier.
Gestaltkarakter
Totaliteit van de waargenomen structuur, prikkels moeten in een bepaalde schikking voorkomen en een vaste verhouding is noodzakelijk.
Drempelwaarde
De minimale waarde die een sleutelprikkel moet hebben om een reactie uit te lokken.
Heterogene summatie = prikkelsummatie
De verschillende kwaliteiten van een stimulus kunnen opgeteld of afgetrokken worden.
Adaptieve waarde
Het onmiddellijk adequaat reageren op prikkels is vaak belangrijk om te overleven.
Supernormale stimuli
Dieren kunnen sterker reageren op stimuli waarvan de intensiteit in de natuur niet te vinden is. (bv. op eieren broeden die veel groter zijn dan normale)
Deception tegenover honest signalling
Valse of echte signalen van dieren.
Deception: camouflage
Organisme gaat lijken op zijn omgeving om niet op te vallen.
Deception: batesian mimicry
Smakelijke dieren gaan lijken op onsmakelijke dieren om minder gejaagd te worden.
Deception: Müllerian mimicry
Wansmakelijke dieren lijken uiterlijk op elkaar en zo wordt het afwerend effect vergroot.
Evaluatiesignalen
Signalen die eerlijk de kracht van de zender weergeven, bv. gebrul van hert.
Conventionele signalen
Signalen die correleren met bepaalde positieve eigenschappen van de zender, liegen is mogelijk.
Hormonen beïnvloeden het gedrag
Hormonen beïnvloeden gedrag zowel indirect via organen als direct via hersengebieden zoals het limbisch systeem.
Interacties gedrag - hormonen
Gedrag en hormonen beïnvloeden elkaar wederzijds; bv. baltsgedrag verhoogt hormoonproductie en omgekeerd.
Ontogenetische ontwikkeling
De manier waarop hormonale invloeden tijdens de vroege levensfasen gedragsmatige verschillen veroorzaken.
Feromonen
Chemische stoffen die communicatie tussen dieren van dezelfde soort mogelijk maken, met invloed op gedrag en fysiologie.
Vomeronasaal orgaan = orgaan van Jacobson
Zintuigorgaan gespecialiseerd in het waarnemen van feromonen, verbonden met gedrag zoals Flehmen.
Flehmen
Specifiek gedrag (bv. lip optrekken) waarmee dieren feromonen beter waarnemen via het vomeronasaal orgaan.
Bekende mechanismen
Geobserveerde effecten van feromonen op voortplantings- en sociaal gedrag (zoals het Bruce- of Whitten-effect).
MHC
Genencomplex dat feromoongevoeligheid beïnvloedt; belangrijk bij partnerkeuze en immunologische compatibiliteit.
genetica en evolutie
Ontogenese
Dier kan zich aanpassen aan het milieu door zijn gedrag te veranderen in functie van ervaringen opgedaan in de loop van het leven en die in het geheugen bewaard zijn gebleven.
Fylogenese
Genetisch geheugen: adaptaties die over generaties een door natuurlijke selectie ontstaan zijn.
Nature versus nurture
Interactie tussen genen en milieu.
Erfelijkheid en gedrag
Gedrag wordt deels genetisch bepaald en is onderhevig aan natuurlijke selectie.
Soorten invloeden van de genen
Genen beïnvloeden gedragspatronen, gedragssequenties en motivatie.
Onderzoeksmethodes
Technieken zoals kruisingen, erfelijkheidsgraadberekeningen en selectiestudies om genetische invloed op gedrag te bepalen.
Heritabiliteit = erfelijkheidsgraad
De mate waarin een eigenschap geselecteerd kan worden aan de hand van aangepaste kruisingen, niet te verwarren met erfelijkheid.
Selection differential
Het verschil tussen het gemiddelde van een eigenschap bij de geselecteerde dieren en het gemiddelde van die eigenschap in de hele populatie.
Response to selection = gain
De mate waarin het gemiddelde gedrag in de volgende generatie verandert als gevolg van selectie.
Isogenische stammen
Door langdurige inteelt tussen broers en zussen is men tot stammen gekomen waarin alle dieren van hetzelfde geslacht homozygoot zijn voor alle allelen, bij knaagdieren.
Cross-fostering = gekruiste adoptie
Jongen van stam A worden opgevoed door pleegmoeder van stam B en omgekeerd.
Familiestudies
Verwante individuen die gemeenschappelijke genen hebben zouden meer gelijkenissen moeten vertonen dan vreemden.
Microëvolutie
Kleine evolutionaire veranderingen in gedrag binnen een soort of populatie.
Homologie
Homologe gedragspatronen lijken op elkaar omdat de rassen of soorten gemeenschappelijke voorouders hebben.
Analogie
Analoge gedragspatronen lijken op elkaar omdat zij zich bij genetische niet-aanverwante diersoorten ontwikkeld hebben onder gelijkaardige selectiedruk van het milieu in de loop van de evolutie.
Ritualisatie
Evolutieproces waarbij conflicthoudingen of overspronggedrag een communicatiefunctie krijgen.
Emancipatie
Het gedrag moet los kunnen optreden van de oorspronkelijke causale situatie.
Typische intensiteit
Het signaal moet absoluut duidelijk zijn en vertoont weinig variatie, de natuur heeft voor een soort optimaal signaal geselecteerd. Bv krabben met de voorpoot van een agressieve stier.
ontogenie
Ontogenese
Op het niveau van het individu: aanpassingen tijdens het leven onder invloed van milieufactoren.
Ontwikkelingsprocessen
Genetische potentialiteiten interageren met milieu-invloeden en bepalen een ontwikkelingsstadium.
Epigenetische processen
Veranderingen in genexpressie zonder verandering in DNA-sequentie, brug russen genotype en fenotype, bv. sommige jeugdervaringen kunnen levenslange invloeden hebben.
Instincten
Gedragingen die vlug na de geboorte op een vrij onveranderlijke wijze uitgevoerd werden.
Deprivatie-experimenten = Kaspar Hauser experimenten
Wanneer de perceptie van bepaalde stimuli onmogelijk gemaakt wordt en het gedrag toch optreedt, dan moeten de stimuli niet nodig zijn voor de ontwikkeling van dat gedrag.
Maturatie = rijping
Gedragsveranderingen die afhangen van de groei van het organisme.
Neotenie
Het blijven bestaan van karakteristieken typisch voor de jeugd bij het volwassen organisme.
Regressie
Het opnieuw optreden van infantiel gedrag bij de volwassene = psychiatrische stoornis.
Fixed Action Patterns (FAP)
Genetisch vastgelegde gedragingen die altijd volledig worden uitgevoerd zodra ze begonnen zijn, vaak als reactie op sleutelprikkels, genetisch bepaald.
Inprenting
Leerproces tijdens een gevoelige periode, leidt tot blijvende gedragsveranderingen (bv. herkenning moederdier).
Gevoelige periodes
Beperkte perioden in het leven waarin dieren extra gevoelig zijn voor leerprocessen zoals inprenting.
inprenting bij gedrag
Vaste geheugenbeelden die het gedrag voor het leven bepalen = epigenie.
Intra-uterine position = IUP
De positie van een foetus t.o.v. worpgenoten kan secundaire geslachtskenmerken en gedrag beïnvloeden.
Moeder-kind relaties
Gedragsband tussen moeder en jong, beïnvloed door vroege ervaring en feromonen.
Socialisatieperiode
Gevoelige ontwikkelingsfase bij jonge dieren waarin ze leren omgaan met soortgenoten, andere diersoorten, de omgeving en sociale signalen. Dit proces is cruciaal voor normaal sociaal gedrag op latere leeftijd.
motivatie
Positieve emotie
Terugkeer naar de norm: bevrediging, genot, plezier, het aangename.
Negatieve emotie
Verwijdering van de norm: ongemak, ongenoegen.
Motivatie
Het proces dat bepaalt welk gedrag optreedt en wanneer.
Motivatietoestand
Binnen een bepaalde tijdspanne zijn verschillende motivaties actief.
Frustratie
De afwezigheid van bevrediging, wanneer de motivatie hoog ligt, leidt tot frustratie.
Homeostatische mechanismen
Systemen die gedrag sturen om het interne evenwicht van het lichaam te behouden.
Feedback
Homeostase wordt bereikt door correctie na het vaststellen van een afwijking van de norm.
Feedforward
Anticiperend systeem dat gedrag stuurt voordat er een afwijking in het evenwicht is opgetreden.
Deprivatieperiode
Sommige gedragingen komen sterker op na een deprivatieperiode.
Rebound effect
Hoe langer het geleden is sinds een dier gedronken heeft, hoe harder het naar water zal zoeken en hoe meer het zal drinken.
Vacuümactiviteiten
Sommige gedragingen worden ogenschijnlijk in afwezigheid van de normaal vereiste externe prikkels toch uitgevoerd, de motivatie is zo sterk dat het gedragspatroon zuiver door interne prikkels uitgelokt wordt.
Appetitief gedrag
Het zoeken van het doel, bv. een prooi, vijver of partner.
Consummatorisch gedrag
De bevrediging zelf, bv. het doden en opeten van de prooi, drinken, baltsen of copulatie.
Verzadiging
Fase van verzadiging na het bereiken van het doel.
Hydraulisch model van Lorenz
Oud motivationeel model waarin gedragsenergie zich opstapelt en vrijkomt bij een geschikte prikkel.
Homeostatische regelsystemen
Nieuwere modellen die motivatie verklaren via feedback- en regelsystemen zoals in fysiologie.
Consumer demand studies
Methode om motivatie te meten door te kijken hoeveel moeite een dier doet om iets te verkrijgen.
leerprocessen
Habituatie
Afname van reactie op herhaalde, niet-bedreigende stimulus.
Sensitisatie
Toename van reactie op een herhaalde of intensieve stimulus.
Niet-associatief leren
Habituatie en sensitisatie worden beschouwd als niet-associatief leren in tegenstelling met klassieke en operante conditionering. De processen steunen op biochemische veranderingen ter hoogte van de zenuwen.