1/83
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
en déplacement
onderweg, op verplaatsing
en route
onderweg
le déplacement
de verplaatsing, de zakenreis
le voyage d'affaires
de zakenreis
le décalage horaire
het uurverschil
le passager/la passagère
de passagier
les bagages (m)
de bagage
la valise
de koffer
les affaires personnelles (f)
de persoonlijke bezittingen
où
waar
à l'étranger
in het buitenland
le langage, la langue
de taal
un repère
een herkenningspunt
se repérer, s'orienter
de weg vinden, zich oriënteren
le système de navigation GPS
de gps, het navigatiesysteem
le domicile
de woonplaats, de woning
chez moi/toi/lui/elle
bij mij/jou/hem/haar thuis, naar huis
(comme) chez soi
(zoals) thuis
proche
dichtbij
loin
ver
séjourner
verblijven
le séjour (ex. un séjour d'une semaine)
het verblijf (=tijdsduur)(vb een verblijf van een week)
la résidence (ex une seconde residence)
het verblijf (=huis, adres) (vb een tweede verblijf)
un endroit (ex un endroit touristique)
een plek, een plaats (vb een toeristische plaats)
une place (ex une place pour garer sa voiture, la grand'place)
een ruimte, plek, plaats (vb een parkeerplaats, de grote markt)
un lieu (ex le lieu de naissance)
een plaats (vb een geboorteplaats)
la voiture
de auto
conduire quelqu'un quelque part
iemand ergens heen rijden, iemand brengen naar
monter en voiture (ex. montez!)
instappen in een auto (vb. stap in!)
déposer qqn (ex. où est-ce que je vous dépose?)
Iemand met de auto ergens heen brengen (vb waar moet ik u afzetten?)
la voiture utilitaire
het bedrijfsvoertuig
la circulation (dense, fluide)
het verkeer (druk/doorstromend verkeer)
le trafic
het verkeer
quitter (ex. l'autoroute à la sortie 8)
verlaten (vb.de autosnelweg aan afrit 8 verlaten)
l'entrée (f)/la sortie
de oprit/afrit
la station-service
het tankstation
le carburant
de brandstof
l'essence, le super sans plomb
de benzine, de loodvrije benzine
le gazole/le diesel/le gasoil
de diesel
GPL (gaz de pétrole liquéfié)
LPG
faire le plein
(vol)tanken, brandstof tanken
recharger (la batterie)
(de batterij) opladen (bij elektrische voertuigen)
un embouteillage, bouchon
een verkeersopstopping, een knelpunt
une file
een file
un ralentissement
langzaam rijdend verkeer
l'heure (f) de pointe
het spitsuur, de spits
les heures creuses
de daluren
prendre l'avion/le train/le bus/un taxi/le bateau/ le ferry/la navette
het vliegtuig nemen/de trein/de bus/een taxi/de boot/de ferry/de pendeldienst
(s')enregistrer
(zich)inchecken
décoller
opstijgen
atterrir
landen
avoir le temps
tijd hebben
se presser, se hâter
zich haasten
être pressé
gehaast zijn
rater sa correspondance (le train, l'avion)
zijn aansluiting missen (trein, vliegtuig)
le titre de transport
het vervoerbewijs, het plaatsbewijs
composter (un billet) = valider
(een biljet) afstempelen
le TGV (train à grande vitesse)
TGV/HST (hogesnelheidstrein)
un (auto)bus (transports publics)
een bus
un (auto)car (d'entreprises privées)
een bus
une place assise
een zitplaats
à l'heure
op tijd
en retard
te laat
avoir du retard
vertraging hebben
le retard
de vertraging
de bonne heure
vroeg, vroegtijdig
ponctuel, ponctuelle
stipt
la ponctualité
de stiptheid
prévenir qqn de qqc
iemand verwittigen, iem. van iets op de hoogte brengen
la fête nationale
de nationale feestdag
le jour férié
de feestdag
le jour ouvrable
de werkdag
Noël (à Noël, joyeux Noël)
Kerstmis
Pâques (à Pâques, joyeuses Pâques)
Pasen
le congé
de vakantie
les vacances (f)
de vakantie
congé/vacances (fém),
être en congé/être en vacances
vakantie hebben
passer le temps
de tijd verdrijven
se détendre
ontspannen
être détendu, détendue
ontspannen zijn
la détente
de ontspanning
se relaxer
ontspannen, stoom afblazen
décompresser, se défouler
se marrer, s'éclater
plezier maken, uit je dak gaan
décontracté, décontractée
ontspannen, op z'n gemak, casual