1/42
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Arbeidsverdeling
Het verdelen van taken binnen het productieproces over verschillende personen of bedrijven.
Basisjaar
Het jaar dat als startpunt (basis) wordt gebruikt voor de berekening van procentuele veranderingen en indexcijfers en altijd gelijk wordt gesteld aan 100.
Bedrijfskolom
Een keten van bedrijven die opeenvolgende stappen in het productieproces van een product uitvoeren.
Behoefte
Het verlangen naar een goed of dienst om een menselijk tekort aan te vullen.
Budgetlijn
Een grafische weergave van de verschillende combinaties van twee goederen die iemand met een gegeven budget maximaal kan kopen.
Chartaal geld
Fysiek geld in de vorm van munten en bankbiljetten.
Consumentenprijsindex (CPI)
Een indexcijfer dat de gemiddelde prijsontwikkeling weergeeft van een pakket goederen en diensten dat door een doorsnee huishouden wordt gekocht.
Deflatie
Een daling van het algemeen prijspeil in een economie over een langere periode (geld wordt meer waard).
Differentiatie in de bedrijfskolom
Het toevoegen van een nieuwe tussenstap of schakel in de bedrijfskolom.
Directe ruil
Ruil waarbij goederen of diensten rechtstreeks tegen andere goederen of diensten worden geruild (ruil in natura).
Economie
De wetenschap die bestudeert hoe mensen en organisaties keuzes maken om met schaarse middelen in hun behoeften te voorzien.
Functies van geld
De drie rollen van geld in de economie: ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel (waardevastleggingsmiddel).
Geldillusie
Het verschijnsel dat mensen kijken naar veranderingen in hun nominale inkomen (in geldbedrag) in plaats van hun reële inkomen (de werkelijke koopkracht).
Geldontwaarding
Het verschijnsel dat geld minder waard wordt doordat de prijzen van goederen en diensten stijgen (inflatie), waardoor je met hetzelfde bedrag minder kunt kopen.
Giraal geld
Direct opvraagbaar geld dat op de bankrekening staat.
Hyperinflatie
Extreem hoge en snel stijgende inflatie, waardoor geld in zeer korte tijd vrijwel waardeloos wordt.
Indexcijfer
Een getal dat de verhouding weergeeft tussen de waarde van een variabele in een bepaald jaar en de waarde van die variabele in het basisjaar (waar het basisjaar = 100 is).
Indirecte ruil
Ruil waarbij geld als algemeen geaccepteerd ruilmiddel wordt gebruikt.
Inflatie
Een stijging van het algemeen prijspeil in een economie (geld wordt minder waard).
Integratie in de bedrijfskolom
Het samenvoegen van twee opeenvolgende stappen of schakels in de bedrijfskolom binnen één bedrijf.
Koopkracht
De hoeveelheid goederen en diensten die iemand met zijn of haar inkomen kan kopen (het reële inkomen).
Krimpflatie
Het fenomeen waarbij de verpakking of hoeveelheid van een product kleiner wordt gemaakt, terwijl de prijs gelijk blijft of zelfs stijgt.
Loonheffing
Een voorheffing op de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen die door de werkgever direct wordt ingehouden op het bruto loon van de werknemer.
Middelen
Grondstoffen, tijd, geld of arbeid die kunnen worden ingezet om goederen en diensten te maken en in behoeften te voorzien.
Nominaal inkomen
Het inkomen uitgedrukt in een geldbedrag (in euro's), zonder rekening te houden met geldontwaarding of prijsveranderingen.
Opofferingskosten
De waarde of baten van het beste alternatief dat je moet opgeven wanneer je een keuze maakt.
Overdrachtsinkomen (inkomensoverdrachten)
Inkomen dat iemand ontvangt zonder dat daar een directe tegenprestatie in de vorm van arbeid of kapitaal tegenover staat (zoals uitkeringen, toeslagen of zakgeld).
Parallelisatie in de bedrijfskolom
Het uitbreiden van het assortiment met producten uit een andere bedrijfskolom (branchevervaging).
Prijscompensatie
Een loonsverhoging die bedoeld is om de stijging van de prijzen (inflatie) op te vangen, zodat de koopkracht van het loon gelijk blijft.
Prijsindexcijfer
Een indexcijfer dat de prijsverandering van een bepaald goed of een groep goederen in een bepaalde periode laat zien ten opzichte van het basisjaar.
Primair inkomen
Inkomen dat wordt verdiend door het ter beschikking stellen van productiefactoren (zoals loon uit arbeid, winst uit ondernemerschap, huur uit grond of rente uit kapitaal).
Procent
Honderdste deel (weergegeven met het symbool %), gebruikt om een verhouding of procentuele verandering ten opzichte van het geheel weer te geven.
Procentpunt
Het absolute verschil tussen twee percentages (bijvoorbeeld een stijging van 3% naar 5% is een stijging van 2 procentpunt).
Promille
Duizendste deel (weergegeven met het symbool ‰), gebruikt om hele kleine verhoudingen of veranderingen aan te geven.
Reëel inkomen (koopkracht)
Het nominale inkomen gecorrigeerd voor de inflatie; geeft aan hoeveel goederen en diensten je daadwerkelijk kunt kopen met je inkomen.
Schaarste
Het verschijnsel dat er niet genoeg middelen zijn om in alle menselijke behoeften te voorzien.
Secundair inkomen
Het besteedbaar inkomen dat overblijft nadat van het primair inkomen de belastingen en sociale premies zijn afgetrokken en de overdrachtsinkomens (zoals toeslagen of uitkeringen) erbij zijn opgeteld.
Specialisatie
De bedrijfskolom wordt smaller omdat een bedrijf 1 specifiek product alleen produceert
Toegevoegde waarde
De waarde die een bedrijf toevoegt aan ingekochte grondstoffen en materialen (het verschil tussen de verkoopwaarde en de inkoopwaarde van goederen/diensten).
Toeslag
Een financiële bijdrage van de overheid om mensen met een lager inkomen tegemoet te komen in noodzakelijke kosten (zoals huurtoeslag of zorgtoeslag).
Transactiekosten
Alle aanvullende kosten die worden gemaakt om een ruil of overeenkomst tot stand te brengen (bijv. zoekkosten, onderhandelingskosten, contractkosten).
Volksverzekeringen
Sociale verzekeringen die gelden voor alle inwoners van Nederland (zoals de AOW en de Anw) en worden gefinancierd uit premies en belastingen.
Zelfvoorziening
Het zelf produceren van goederen en diensten om in de eigen behoeften te voorzien, zonder te ruilen.