Economie 1.1 t/m 1.3

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/42

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 7:25 PM on 9/23/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

43 Terms

1
New cards

Arbeidsverdeling

Het verdelen van taken binnen het productieproces over verschillende personen of bedrijven.

2
New cards

Basisjaar

Het jaar dat als startpunt (basis) wordt gebruikt voor de berekening van procentuele veranderingen en indexcijfers en altijd gelijk wordt gesteld aan 100.

3
New cards

Bedrijfskolom

Een keten van bedrijven die opeenvolgende stappen in het productieproces van een product uitvoeren.

4
New cards

Behoefte

Het verlangen naar een goed of dienst om een menselijk tekort aan te vullen.

5
New cards

Budgetlijn

Een grafische weergave van de verschillende combinaties van twee goederen die iemand met een gegeven budget maximaal kan kopen.

6
New cards

Chartaal geld

Fysiek geld in de vorm van munten en bankbiljetten.

7
New cards

Consumentenprijsindex (CPI)

Een indexcijfer dat de gemiddelde prijsontwikkeling weergeeft van een pakket goederen en diensten dat door een doorsnee huishouden wordt gekocht.

8
New cards

Deflatie

Een daling van het algemeen prijspeil in een economie over een langere periode (geld wordt meer waard).

9
New cards

Differentiatie in de bedrijfskolom

Het toevoegen van een nieuwe tussenstap of schakel in de bedrijfskolom.

10
New cards

Directe ruil

Ruil waarbij goederen of diensten rechtstreeks tegen andere goederen of diensten worden geruild (ruil in natura).

11
New cards

Economie

De wetenschap die bestudeert hoe mensen en organisaties keuzes maken om met schaarse middelen in hun behoeften te voorzien.

12
New cards

Functies van geld

De drie rollen van geld in de economie: ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel (waardevastleggingsmiddel).

13
New cards

Geldillusie

Het verschijnsel dat mensen kijken naar veranderingen in hun nominale inkomen (in geldbedrag) in plaats van hun reële inkomen (de werkelijke koopkracht).

14
New cards

Geldontwaarding

Het verschijnsel dat geld minder waard wordt doordat de prijzen van goederen en diensten stijgen (inflatie), waardoor je met hetzelfde bedrag minder kunt kopen.

15
New cards

Giraal geld

Direct opvraagbaar geld dat op de bankrekening staat.

16
New cards

Hyperinflatie

Extreem hoge en snel stijgende inflatie, waardoor geld in zeer korte tijd vrijwel waardeloos wordt.

17
New cards

Indexcijfer

Een getal dat de verhouding weergeeft tussen de waarde van een variabele in een bepaald jaar en de waarde van die variabele in het basisjaar (waar het basisjaar = 100 is).

18
New cards

Indirecte ruil

Ruil waarbij geld als algemeen geaccepteerd ruilmiddel wordt gebruikt.

19
New cards

Inflatie

Een stijging van het algemeen prijspeil in een economie (geld wordt minder waard).

20
New cards

Integratie in de bedrijfskolom

Het samenvoegen van twee opeenvolgende stappen of schakels in de bedrijfskolom binnen één bedrijf.

21
New cards

Koopkracht

De hoeveelheid goederen en diensten die iemand met zijn of haar inkomen kan kopen (het reële inkomen).

22
New cards

Krimpflatie

Het fenomeen waarbij de verpakking of hoeveelheid van een product kleiner wordt gemaakt, terwijl de prijs gelijk blijft of zelfs stijgt.

23
New cards

Loonheffing

Een voorheffing op de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen die door de werkgever direct wordt ingehouden op het bruto loon van de werknemer.

24
New cards

Middelen

Grondstoffen, tijd, geld of arbeid die kunnen worden ingezet om goederen en diensten te maken en in behoeften te voorzien.

25
New cards

Nominaal inkomen

Het inkomen uitgedrukt in een geldbedrag (in euro's), zonder rekening te houden met geldontwaarding of prijsveranderingen.

26
New cards

Opofferingskosten

De waarde of baten van het beste alternatief dat je moet opgeven wanneer je een keuze maakt.

27
New cards

Overdrachtsinkomen (inkomensoverdrachten)

Inkomen dat iemand ontvangt zonder dat daar een directe tegenprestatie in de vorm van arbeid of kapitaal tegenover staat (zoals uitkeringen, toeslagen of zakgeld).

28
New cards

Parallelisatie in de bedrijfskolom

Het uitbreiden van het assortiment met producten uit een andere bedrijfskolom (branchevervaging).

29
New cards

Prijscompensatie

Een loonsverhoging die bedoeld is om de stijging van de prijzen (inflatie) op te vangen, zodat de koopkracht van het loon gelijk blijft.

30
New cards

Prijsindexcijfer

Een indexcijfer dat de prijsverandering van een bepaald goed of een groep goederen in een bepaalde periode laat zien ten opzichte van het basisjaar.

31
New cards

Primair inkomen

Inkomen dat wordt verdiend door het ter beschikking stellen van productiefactoren (zoals loon uit arbeid, winst uit ondernemerschap, huur uit grond of rente uit kapitaal).

32
New cards

Procent

Honderdste deel (weergegeven met het symbool %), gebruikt om een verhouding of procentuele verandering ten opzichte van het geheel weer te geven.

33
New cards

Procentpunt

Het absolute verschil tussen twee percentages (bijvoorbeeld een stijging van 3% naar 5% is een stijging van 2 procentpunt).

34
New cards

Promille

Duizendste deel (weergegeven met het symbool ‰), gebruikt om hele kleine verhoudingen of veranderingen aan te geven.

35
New cards

Reëel inkomen (koopkracht)

Het nominale inkomen gecorrigeerd voor de inflatie; geeft aan hoeveel goederen en diensten je daadwerkelijk kunt kopen met je inkomen.

36
New cards

Schaarste

Het verschijnsel dat er niet genoeg middelen zijn om in alle menselijke behoeften te voorzien.

37
New cards

Secundair inkomen

Het besteedbaar inkomen dat overblijft nadat van het primair inkomen de belastingen en sociale premies zijn afgetrokken en de overdrachtsinkomens (zoals toeslagen of uitkeringen) erbij zijn opgeteld.

38
New cards

Specialisatie

De bedrijfskolom wordt smaller omdat een bedrijf 1 specifiek product alleen produceert

39
New cards

Toegevoegde waarde

De waarde die een bedrijf toevoegt aan ingekochte grondstoffen en materialen (het verschil tussen de verkoopwaarde en de inkoopwaarde van goederen/diensten).

40
New cards

Toeslag

Een financiële bijdrage van de overheid om mensen met een lager inkomen tegemoet te komen in noodzakelijke kosten (zoals huurtoeslag of zorgtoeslag).

41
New cards

Transactiekosten

Alle aanvullende kosten die worden gemaakt om een ruil of overeenkomst tot stand te brengen (bijv. zoekkosten, onderhandelingskosten, contractkosten).

42
New cards

Volksverzekeringen

Sociale verzekeringen die gelden voor alle inwoners van Nederland (zoals de AOW en de Anw) en worden gefinancierd uit premies en belastingen.

43
New cards

Zelfvoorziening

Het zelf produceren van goederen en diensten om in de eigen behoeften te voorzien, zonder te ruilen.