1/40
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Parthenogenese
Voortplanting waarbij een nieuw individu ontstaat uit een onbevruchte eicel.
Kloon
Een genetisch identieke kopie van een organisme of cel.
Haploid
Een cel of organisme met één set chromosomen (n = 23 bij de mens).
Diploid
Een cel met twee sets chromosomen (2n = 46 bij de mens).
Meiose
Een speciale vorm van celdeling waarbij het aantal chromosomen wordt gehalveerd.
Kiemcellen
Voortplantingscellen zoals eicellen en zaadcellen.
Somatische cellen
Alle lichaamscellen behalve kiemcellen, die diploïd zijn.
Zygote
De diploïde cel die ontstaat na de versmelting van een eicel en een zaadcel.
Gameet
Een haploïde voortplantingscel die kan versmelten met een andere gameet.
Alleel
Verschillende vormen van een gen die op dezelfde locus op homologe chromosomen voorkomen.
Tetrade / Bivalent
Een structuur gevormd tijdens meiose waarin twee homologe chromosomen dicht bij elkaar liggen.
Homologe chromosomen
Chromosomen die hetzelfde genenpatroon dragen maar niet identiek zijn in alle allelen.
Chromatide
Een van de twee identieke helften van een gerepliceerd chromosoom.
Cross-over
Uitwisseling van genetisch materiaal tussen homologe chromatiden tijdens meiose.
Chiasmata
Plaatsen op homologe chromosomen waar cross-over heeft plaatsgevonden.
Cohesine
Een eiwitcomplex dat zusterchromatiden bij elkaar houdt.
Non-disjunctie
Een fout in meiose waarbij chromosomen niet goed uit elkaar gaan.
Syndroom van Down / Trisomie 21
Een genetische aandoening veroorzaakt door een extra kopie van chromosoom 21.
Polyspermie
Een abnormale bevruchting waarbij meer dan één zaadcel een eicel binnendringt.
Zona pellucida
Een beschermende glycoproteïnemantel rond een eicel.
Discrete kenmerken
Kenmerken met duidelijke, aparte categorieën.
Uniparentale overerving
Overerving van genetisch materiaal uitsluitend van één ouder.
Uniformiteitswet
De eerste wet van Mendel over genetische uniformiteit in het F1-nageslacht.
Wet van onafhankelijke uitsplitsing
De tweede wet van Mendel over onafhankelijke genoverdracht.
Dominant
Een allel dat tot uiting komt in het fenotype.
Recessief
Een allel dat alleen tot uiting komt als er twee exemplaren aanwezig zijn.
Genotype
De genetische samenstelling van een organisme.
Fenotype
De waarneembare eigenschappen van een organisme.
Homozygoot
Een organisme met twee identieke allelen voor een bepaald gen.
Heterozygoot
Een organisme met twee verschillende allelen voor een bepaald gen.
Gen
Een segment DNA dat codeert voor een specifiek eiwit.
Dihybride kruising
Een kruising waarbij twee verschillende eigenschappen worden gevolgd.
Linkage mapping
Een methode om de volgorde tussen genen op een chromosoom te bepalen.
Chromosoomkaart / genetische map
Een visuele weergave van de volgorde van genen op een chromosoom.
Genetische screening
Het testen van individuen of populaties op genetische afwijkingen.
Random mutagenese
Het willekeurig introduceren van mutaties in het genoom.
Mutageen
Een stof die mutaties in het DNA veroorzaakt.
Complementatietest
Een genetische test om de locatie van mutaties te bepalen.
SNP (Single Nucleotide Polymorphism)
Een variatie in een enkel DNA-nucleotide tussen individuen.
Haplotype blok
Een groep genetische varianten die vaak samen worden geërfd.
Punnett-rooster
Een diagram dat helpt bij het voorspellen van mogelijke genotypen.