MCB: HFST19: Sex en genetica: vaktermen

1. Parthenogenese
Voortplanting waarbij een nieuw individu ontstaat uit een onbevruchte eicel, dus zonder bevruchting door een mannelijke gameet.

2. Kloon
Een genetisch identieke kopie van een organisme of cel, ontstaan door aseksuele voortplanting of kunstmatige replicatie.

3. Haploid
Een cel of organisme met één set chromosomen (n = 23 bij de mens), typisch voor gameten (eicellen en zaadcellen).

4. Diploid
Een cel met twee sets chromosomen (2n = 46 bij de mens), één set van de moeder en één van de vader.

5. Meiose
Een speciale vorm van celdeling waarbij het aantal chromosomen wordt gehalveerd, wat leidt tot de vorming van haploïde gameten.

6. Kiemcellen
Voortplantingscellen (zoals eicellen en zaadcellen) en hun voorlopers, die via meiose ontstaan.

7. Somatische cellen
Alle lichaamscellen behalve kiemcellen; ze zijn diploïd en ondergaan mitose.

8. Zygote
De diploïde cel die ontstaat na de versmelting van een eicel en een zaadcel bij de bevruchting.

9. Gameet
Een haploïde voortplantingscel (eicel of zaadcel) die kan versmelten met een andere gameet om een zygote te vormen.

10. Alleel
Verschillende vormen van een gen die op dezelfde locus op homologe chromosomen voorkomen.

11. Tetrade / Bivalent
Een structuur gevormd tijdens meiose waarin twee homologe chromosomen (elk bestaande uit twee chromatiden) nauw bij elkaar liggen.

12. Homologe chromosomen
Chromosomen die hetzelfde genenpatroon dragen (één van elk ouder), maar niet per se identiek zijn in alle allelen.

13. Chromatide
Een van de twee identieke helften van een gerepliceerd chromosoom; zusterchromatiden worden gescheiden bij mitose of meiose II.

14. Cross-over
Uitwisseling van genetisch materiaal tussen homologe chromatiden tijdens meiose, wat genetische variatie bevordert.

15. Chiasmata
De plaats(en) op homologe chromosomen waar cross-over heeft plaatsgevonden.

16. Cohesine
Een eiwitcomplex dat zusterchromatiden bij elkaar houdt tot ze gescheiden worden tijdens de celdeling.

17. Non-disjunctie
Een fout in meiose waarbij homologe chromosomen of zusterchromatiden niet goed uit elkaar gaan, wat kan leiden tot een abnormaal aantal chromosomen.

18. Syndroom van Down / Trisomie 21
Een genetische aandoening veroorzaakt door een extra kopie van chromosoom 21 (dus drie in plaats van twee exemplaren).

19. Polyspermie
Een abnormale bevruchting waarbij meer dan één zaadcel een eicel binnendringt, wat meestal resulteert in een niet-levensvatbare zygote.

20. Zona pellucida
Een beschermende glycoproteïnemantel rond een eicel die onder andere polyspermie voorkomt.

21. Discrete kenmerken
Kenmerken met duidelijke, aparte categorieën (bijv. bloedgroep), in tegenstelling tot continue kenmerken (zoals lengte).

22. Uniparentale overerving
Overerving van genetisch materiaal uitsluitend van één ouder, meestal de moeder (zoals mitochondriaal DNA).

23. Uniformiteitswet
De eerste wet van Mendel: nakomelingen van twee homozygote ouders met verschillende allelen zijn genetisch uniform in het F1-nageslacht.

24. Wet van onafhankelijke uitsplitsing
De tweede wet van Mendel: genen op verschillende chromosomen worden onafhankelijk van elkaar doorgegeven aan nakomelingen.

25. Dominant
Een allel dat tot uiting komt in het fenotype, zelfs als er slechts één exemplaar aanwezig is.

26. Recessief
Een allel dat alleen tot uiting komt als er twee exemplaren (homozygoot) aanwezig zijn.

27. Genotype
De genetische samenstelling van een organisme, oftewel de specifieke allelen die het bezit.

28. Fenotype
De waarneembare eigenschappen van een organisme, bepaald door het genotype en omgevingsfactoren.

29. Homozygoot
Een organisme met twee identieke allelen voor een bepaald gen (bijv. AA of aa).

30. Heterozygoot
Een organisme met twee verschillende allelen voor een bepaald gen (bijv. Aa).

31. Gen
Een segment DNA dat codeert voor een specifiek eiwit of functioneel RNA.

32. Dihybride kruising
Een kruising waarbij twee verschillende eigenschappen worden gevolgd, bijvoorbeeld zaadkleur en zaadvorm.

33. Linkage mapping
Een methode om de volgorde en afstand tussen genen op een chromosoom te bepalen op basis van recombinatiefrequentie.

34. Chromosoomkaart / genetische map
Een visuele weergave van de volgorde van genen op een chromosoom, gebaseerd op genetische afstand.

35. Genetische screening
Het testen van individuen of populaties op de aanwezigheid van bepaalde genetische afwijkingen of mutaties.

36. Random mutagenese
Het willekeurig introduceren van mutaties in het genoom om genfuncties te bestuderen.

37. Mutageen
Een stof of factor die mutaties in het DNA veroorzaakt, zoals straling of bepaalde chemicaliën.

38. Complementatietest
Een genetische test om te bepalen of twee mutaties in hetzelfde gen of in verschillende genen liggen.

39. SNP (Single Nucleotide Polymorphism)
Een variatie in een enkel DNA-nucleotide tussen individuen, vaak gebruikt als genetische markers.

40. Haplotype blok
Een groep genetische varianten die vaak samen worden geërfd en weinig recombinatie ondergaan.

41. Punnett-rooster
Een diagram dat helpt bij het voorspellen van de mogelijke genotypen van nakomelingen uit een kruising.