Week 1 E-module: Histologie van spier- en peesweefsel

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/107

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:43 PM on 9/1/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

108 Terms

1
New cards

Uit welke structurele eenheden zijn skeletspieren opgebouwd?

Skeletspieren zijn opgebouwd uit bundels van spiervezels.

2
New cards

Hoe worden de bundels van spiervezels in een skeletspier genoemd?

Deze bundels worden fasciculi genoemd.

3
New cards

Door welke structuur worden alle individuele spiervezels omgeven?

De spiervezels zijn allemaal omgeven door een sarcolemma.

4
New cards

Wat is de primaire fysieke functie van het sarcolemma ten aanzien van de celomgeving?

Het sarcolemma scheidt het interieur van het exterieur.

5
New cards

Welke overkoepelende bindweefselstructuren omgeven de skeletspieren?

Epimysium, perimysium en endomysium.

6
New cards

Wat omgeeft het epimysium bij een skeletspier?

Het epimysium omgeeft de hele spier.

7
New cards

In welke structuur van de pees zet het epimysium zich voort?

Het epimysium zet zich voort in het peritendineum van de pees.

8
New cards

Wat is het structurele kenmerk van het epimysium qua type bindweefsel?

Het is de meest externe onregelmatige bindweefselschede van de spier.

9
New cards

Wat omringt het perimysium in de opbouw van een skeletspier?

Het perimysium omringt alle fasciculi.

10
New cards

Wat is het kenmerk van het perimysium ten aanzien van de dikte van de structuur?

Het perimysium is dun van structuur.

11
New cards

Welke structuren lopen door het perimysium om de fasciculi te bereiken?

Zenuwen, bloedvaten en lymfevaten.

12
New cards

Wat omringt het endomysium binnen de skeletspier?

Het endomysium omringt alle individuele spiervezels.

13
New cards

Welke microvasculaire structuren bevinden zich in grote hoeveelheden in het endomysium?

Het endomysium bevat capillairen in grote hoeveelheden.

14
New cards

Waar bevindt het endomysium zich ten opzichte van het sarcolemma van de spiervezel?

Het endomysium ligt op het sarcolemma van de spiervezel.

15
New cards

Welke specifieke morfologische kenmerken vertoont het sarcolemma van een spiervezel?

Het sarcolemma heeft diepe buisvormige inkepingen, genaamd T-tubuli.

16
New cards

Hoe verlopen de T-tubuli ten opzichte van het sarcolemma?

De T-tubuli penetreren diep in het sarcolemma.

17
New cards

Welke intra-cellulaire structuur wordt door de T-tubuli omcirkeld?

De T-tubuli omcirkelen elke individuele myofibril.

18
New cards

Waarme zijn de T-tubuli lateraal verbonden?

De T-tubuli zijn lateraal verbonden met het sarcoplasmatische reticulum (SR).

19
New cards

Wat is de structuur van het sarcoplasmatisch reticulum (SR) rondom myofibrillen?

Het SR is een groot netwerk dat elk myofibril omcirkelt.

20
New cards

Via welke route en door welke structuur worden calciumionen verspreid over de gehele spier?

Calciumionen worden via de T-tubuli verspreid over de gehele spier door het SR.

21
New cards

Wat is het functionele doel van de snelle verspreiding van calciumionen via de T-tubuli en het SR?

Op deze manier kunnen alle myofibrillen gelijktijdig samentrekken.

22
New cards

Waaruit bestaat een individuele spiervezel op subcellulair niveau?

Een spiervezel bestaat uit myofibrillen, welke opgebouwd zijn uit actine- en myosinefilamenten.

23
New cards

Hoe noemt men een segment van naast elkaar liggende filamenten binnen een spiervezel?

Een sarcomeer.

24
New cards

Welke overkoepelende eiwitten spelen een belangrijke rol binnen de spiervezel?

Myosinefilamenten, actinefilamenten en dystrofine.

25
New cards

Welke type filamenten vormen de myosinefilamenten?

Myosinefilamenten zijn dikke filamenten.

26
New cards

Waaruit is een myosinefilament morfologisch opgebouwd?

Een myosinefilament bestaat uit een kop en een staart.

27
New cards

Welke specifieke bindingszijden bevat de kop van het myosinefilament?

De kop heeft een bindingszijde voor ATP(ase) en actine.

28
New cards

Welk type filamenten vormen de actinefilamenten?

Actinefilamenten zijn dunne filamenten.

29
New cards

Uit welke vier eiwitcomponenten is een actinefilament opgebouwd?

G-actine (met bindingsplaats voor ATP), F-actine, tropomyosine en troponine.

30
New cards

Welk ion kan binden aan troponine op het actinefilament?

Calcium (Ca2+).

31
New cards

Wat is het directe gevolg voor troponine wanneer calcium hieraan bindt?

Hierdoor laat troponine los van actine.

32
New cards

Wat is het gevolg op de actineketen nadat troponine loslaat?

Hierdoor komt de bindingsplaats voor myosine vrij.

33
New cards

Welke structuren verbindt het eiwit dystrofine met elkaar?

Dystrofine verbindt actine met het sarcolemma.

34
New cards

Wat is de fysiologische functie van dystrofine tijdens spieractiviteit?

Dystrofine zorgt voor stabiliteit tijdens contractie.

35
New cards



Dystrofine is aan de ene zijde verbonden aan actine en aan de andere zijde verbonden aan het sarcolemma.

36
New cards

Welke overkoepelende klinische beelden zijn gerelateerd aan een afwijking in het eiwit dystrofine?

Beckerspierdystrofie en de ziekte van Duchenne.

37
New cards

Wat is de specifieke afwijking aan het eiwit dystrofine bij Beckerspierdystrofie?

Bij Beckerspierdystrofie is het eiwit dystrofine te kort.

38
New cards

Wat is de specifieke afwijking aan het eiwit dystrofine bij de ziekte van Duchenne?

Bij de ziekte van Duchenne is er sprake van afwezigheid van dystrofine.

39
New cards

Waar ontstaat de eerste actiepotentiaal bij de initiatie van de spiercontractie?

Een actiepotentiaal treedt op in het motorneuron.

40
New cards

Via welke structuur verplaatst de actiepotentiaal zich vanaf het motorneuron naar de spiervezel?

Deze verplaatst zich via het axon naar de motorische eindplaat.

41
New cards

Waaraan hecht acetylcholine (ACh) zich op de spiervezel na diffusie over de synapsspleet?

ACh hecht zich aan speciale ACh-receptoren (AChRs) op het sarcolemma.

42
New cards

Wat veroorzaakt de ontstane spiervezel-actiepotentiaal?

De spiervezel-actiepotentiaal zorgt voor depolarisatie van de transversale tubuli op het sarcomeer.

43
New cards

Wat is het directe gevolg van de depolarisatie van de T-tubuli?

Depolarisatie van de T-tubuli zorgt voor afgifte van Ca2+ door het sarcoplasmatisch reticulum.

44
New cards

Waaraan bindt het vrijgekomen Ca2+ direct in het sarcoplasma?

Ca2+ bindt zich aan troponine.

45
New cards

Welk enzym wordt geactiveerd door actine tijdens de contractieketen?

Actine activeert het enzym ATPase.

46
New cards

Wat is het enzymatische gevolg van de activatie van ATPase?

Dit zorgt voor de splitsing van ATP in ADP + Pi + energie.

47
New cards

Welke structuur ontstaat wanneer actine bindt aan myosine?

Er ontstaat een crossbridge (kruisbrug).

48
New cards

In welke energetische toestand bevindt myosine zich reeds op het moment van crossbridge-formatie?

Myosine is op dat moment al in de actieve staat (myosine-ATP).

49
New cards

Wat is het mechanische effect van de vrijgekomen energie uit ATP-splitsing op de myosinekop?

De vrijgekomen energie zorgt ervoor dat de myosinekop omklapt.

50
New cards

Wat gebeurt er met de kruisbrug direct nadat de myosinekop omklapt?

De kruisbrug beweegt.

51
New cards

Wat ontstaat er in de spier direct nadat de kruisbrug beweegt?

Er ontstaat spierspanning.

52
New cards

Welke moleculaire gebeurtenis leidt tot het verbreken van de kruisbrug tijdens de contractiecyclus?

Een nieuw ATP-molecuul bindt aan myosine.

53
New cards

Wat is de bindingsstatus van myosine direct nadat een nieuw ATP-molecuul bindt?

Myosine is niet langer gebonden aan actine.

54
New cards

Wat gebeurt er met het nieuw gebonden ATP-molecuul op de myosinekop?

ATP wordt gehydrolyseerd in ADP en Pi.

55
New cards

Wat is het effect van de hydrolyse van ATP in ADP en Pi op de myosinekop?

Hierdoor wordt de myosinekop gereactiveerd.

56
New cards

Wat gebeurt er met de positie van de myosinekop nadat deze is gereactiveerd?

De myosinekop gaat terug naar zijn originele vorm.

57
New cards

Welke stof heeft het lichaam noodzakelijk nodig om spierrelaxatie te laten plaatsvinden?

Voor de spierrelaxatie heeft het lichaam ATP nodig.

58
New cards

Wat is de specifieke rol van ATP bij het tot stand brengen van spierrelaxatie?

Deze ATP zorgt ervoor dat calcium wordt teruggepompt naar het sarcoplasmatisch reticulum (SR).

59
New cards

Van welke factor is het wel of niet optreden van spierrelaxatie direct afhankelijk?

Spierrelaxatie is afhankelijk van de calciumconcentratie.

60
New cards

Wat gebeurt er met het troponine-tropomyosinesysteem wanneer de calciumconcentratie in het sarcoplasma laag is?

Indien de concentratie laag is, wordt het troponine-tropomyosinesysteem actief en verhindert dit de cross-bridge formatie (relaxatie van de spier).

61
New cards

Wat gebeurt er met de cross-bridges wanneer de calciumconcentratie in het sarcoplasma hoog blijft?

Indien de concentratie hoog blijft, zal het troponine-tropomyosinesysteem niet in staat zijn de bindingsplaatsen op actine te blokkeren, waardoor de cross-bridge aanwezig blijft (contractie van de spier).

62
New cards

Welke vezels vormen de fascikels in pezen?

Collageenvezels in de pezen vormen fascikels.

63
New cards

Door welke structuur worden de individuele collageenvezels in een pees omringd?

De individuele collageenvezels worden omringd door endotenon.

64
New cards

Welke structur(en) lopen door het endotenon van de pees?

Bloedvaten, zenuwen en lymfevaten.

65
New cards

Door welke bindweefsellaag worden de peesfascikels omgeven?

De peesfascikels worden omgeven door het peritenon (epitenon).

66
New cards

Wat is de functionele eigenschap van het peritenon (epitenon)?

Het heeft als functie dat het dient als een glijlaag.

67
New cards

Met welk type cellen is het peritenon onder andere gevuld?

Het is gevuld met onder andere fibroblasten.

68
New cards

Door welke overkoepelende laag wordt de gehele pees omgeven?

De gehele pees wordt omgeven door het peritendineum.

69
New cards

Welke vezels bevinden zich naast collageenvezels eveneens tussen de peesbundels?

Elastinevezels.

70
New cards

Uit hoeveel richtingen komt de mechanische belasting op pezen voornamelijk?

De belasting op pezen komt voornamelijk uit één richting.

71
New cards

Wat is het effect van de eenzijdige Belastingsrichting op de ordening van de collageenbundels in pezen?

Hierdoor zijn de collageenbundels sterk parallel geordend.

72
New cards

Welke morfologische structuur vertoont peescollageen in onbelaste toestand?

Een onbelast peescollageen heeft een golvend patroon.

73
New cards

In welke anatomische structuren en weefsels komt Type I collageen voornamelijk voor?

Pezen, botten, ligamenten, fascia en huid.

74
New cards

In welke anatomische structuren komt Type II collageen voornamelijk voor?

Tussenwervelschijven en hyalien gewrichtskraakbeen.

75
New cards

In welke anatomische structuren en weefsels komt Type III collageen voornamelijk voor?

Interne organen, huid, litteken en endomysium.

76
New cards

Waar bevindt Type IV collageen zich in de weefsels?

In de basale lamina.

77
New cards

Hoe verhoudt het epimysium zich tot het peritendineum op de musculo-tendineuze overgang?

Het epimysium gaat over in het peritendineum, maar deze structuren lopen niet in elkaar over.

78
New cards

Welke structuur scheidt de spiervezels fysiek van de collagene vezels van de pees?

Het sarcolemma scheidt de spiervezels van de collagene vezels van de pees.

79
New cards

Hoe kunnen spiervezels cytologisch opgebouwd worden beschouwd?

Spiervezels zijn te beschouwen als één cel omringd door een membraan (sarcolemma).

80
New cards

Kunnen peesvezels cytologisch als één enkele cel worden beschouwd?

Nee, peesvezels zijn niet te beschouwen als één cel.

81
New cards

Waar bevindt de tenocyt (peescel) zich ten opzichte van de peesvezels?

De tenocyt bevindt zich buiten de peesvezels.

82
New cards

Wat is de mechanische kwetsbaarheid van de musculo-tendineuze overgang?

De musculo-tendineuze overgang is relatief een zwakke plek van de spier.

83
New cards

Hoe wordt de osteo-tendineuze overgang ook wel genoemd?

Enthesis.

84
New cards

Waaruit bestaat Zone 1 van de osteo-tendineuze overgang?

Zone 1 (pees) bestaat uit tenoblasten (collageenvezels van type I).

85
New cards

Waaruit bestaat Zone 2 van de osteo-tendineuze overgang?

Zone 2 (fibrogene zone) bestaat uit chondroblast-achtige cellen en collageen type I vezels.

86
New cards

Waar bevindt Zone 3 van de osteo-tendineuze overgang zich en wat is het kenmerk hiervan?

Zone 3 (gecalcificeerde zone) is al gelegen in het botweefsel en hier is sprake van een gecalcificeerde zone.

87
New cards

Waar begint de calcificatie voornamelijk in Zone 3 van de enthesis?

De calcificatie begint hier vooral tussen de vezels.

88
New cards

Welke kenmerkende vezels bevinden zich in Zone 4 van de osteo-tendineuze overgang?

Sharpey (collageen type I) vezels.

89
New cards

Wat is de specifieke functie van de Sharpey-vezels in Zone 4 van de osteo-tendineuze overgang?

Deze vezels zorgen voor een perfecte verankering van het collageen in het botweefsel.

90
New cards

Welk spiervezeltype kleurt histologisch het donkerst?

Type I spiervezels zijn het donkerst gekleurd.

91
New cards

Omdat welk enzym in hogere mate aanwezig is, kleuren Type I spiervezels het donkerst?

Dit komt doordat er meer zure ATPase aanwezig is.

92
New cards

Welke kleur vertonen Type IIa spiervezels over het algemeen bij histologische kleuring?

Type IIa vezels zijn meestal lichtbruin/lichtrood.

93
New cards

Welk spiervezeltype wordt bij histologische kleuring het lichtst weergegeven?

Type IIb wordt het lichtst weergegeven.

94
New cards

Wat is de Engelse benaming en afkorting van Type I spiervezels?

SO = slow oxidative = Type I.

95
New cards

Wat is de Engelse benaming en afkorting van Type IIA spiervezels?

FOG = fast oxidative glycolytic = Type IIA.

96
New cards

Wat is de Engelse benaming en afkorting van Type IIB spiervezels?

FG = fast glycolytic = Type IIB.

97
New cards

Op basis van welk kenmerk wordt het functionele en morfologische onderscheid gemaakt tussen fusiforme en pennate spieren?

Op basis van de verschillende richtingen van de spiervezels.

98
New cards

Hoe verlopen de spiervezels ten opzichte van de longitudinale as bij fusiforme spieren?

Spiervezels lopen in de lengterichting van de longitudinale as van de spier (parallel/longitudinale spier).

99
New cards

Hoe verhoudt de spierlengte zich tot de spiervezellengte bij fusiforme spieren?

Spierlengte = spiervezellengte.

100
New cards

Wat zijn klinische/anatomische voorbeelden van fusiforme spieren?

M. biceps brachii en hamstrings.