1/377
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
von Schrenck Notzing
eerste psychiater als expert id rechtbank. Suggestibiliteit en geheugen
Binet
Psychologische tests bij delinquenten
Munsterberg
‘On the witness stand’
Varendonck 1911
Belgische psycholoog die tegen het gebruik van getuigenissen van kinderen id rechtbank pleit
Forensische psychologie
bescermen van de maatschappij
meestal opgelegd
justitie als opdrachtgever
hetereoanamneses als uitgangspunt
Klinische psychologie
welzijn vd cliënt
vrijwillig
subjectieve waarden als uitgangspunt
Spanningsveld tussen psychologie en recht door:
verschillen in taal en training
verschillen in paradigma: vrije wil >< determinisme
verschillen in aard vd feiten
verschillen om de waarheid te achterhalen: juridische waarheid >< psychologische waarheid
definitie jeugddelinquentie
alle inbreuken door minderjarigen (-18j)
MOF en VOS
2019 JDD: MOF → jeugddelict.
verklaringen daling jeugdcriminaliteit
politionele en justitiële systemen → betere samenwerking tssn actoren, vroegpreventie,…
verandering op vlak van gezondheid en welzijn
grootste daling in eigendomsdelicten → securiseringshypothese: mensen investeren meer in veiligheid waardoor criminaliteit afneemt
verandering in vrijetijdspatronen → internet en sociale media → cybercrime
geen eenduidige verklaring → complex fenomeen met interagerende factoren
Moffit’s theorie in een notendop
2 hoofdtypes van ANTISOCIAAL gedrag:
Life course persistent (LCP)
zeldzaam
stabiel niveau v agressie vanaf jonge leeftijd
neuropsychologische problemen/ jeugdtrauma’s → childhood aversity
Adolescent limited (AL)
frequent
voorbijgaand van aard
geen neuropsychologische problemen
normoverschrijdende gedragsstoornis of conduct disorder (CD) in DSM V
Een repetitief en persisterend gedragspatroon waarbij de grondrechten van anderen, of belangrijk bij de leeftijd passende maatschappelijke normen of regels worden geschonden, zoals blijkt uit de aanwezigheid van minstens 3 van de volgende 15 criteria uit een van de onderstaande categorieën, in het afgelopen jaar, waarbij minstens één criterium ook in de afgelopen 6 maanden aanwezig is geweest.
Agressie jegens mensen en dieren
pest, bedreigt of intimideert vaak anderen
Begint vaak met vechten
Heeft een wapen gebruikt dat bij anderen ernstig lichamelijk letsel kan veroorzaken
Heeft mensen mishandeld
Heeft dieren mishandeld
Heeft in directe confrontatie een slachtoffer bestolen
Heeft iemand gedwongen tot seksuele handelingen
Heeft opzettelijk brand gesticht met de intentie ernstige schade te veroorzaken
Heeft opzettelijk eigendommen van anderen vernield
Heeft ingebroken in een huis, gebouw of auto van iemand anders
Liegt vaak om goederen of gunsten te verkrijgen of verplichtingen te ontlopen
Heeft zonder directe confrontatie met een slachtoffer waardevolle spullen of geld gestolen
‘s nachts wegblijven (<13jaar)
Thuis weglopen en ‘s nachts wegblijven. Is minstens 2 keer weggelopen van het huis waar hij/zij woont met ouders of andere ouderfiguren en ‘s nachts weggebleven, of één keer voor een lange periode zonder terug te keren.
Spijbelen (<13jaar
Specificaties:
beginleeftijd → kind >< adolescent
ernst → licht, matig, ernstig
met beperkte prosociale emoties
gebrek aan berouw/schuld
gebrek aan empathie
onverschillig over prestaties
vlak of deficiënt affect
maturity gap
discrepantie tussen biologische maturiteit en sociale maturiteit
Empirische evidentie voor Moffit’s theorie
→ Moore, Silberg, Roberson-Nay, Mezuk (2017)
ondersteunt de LCP en AL indeling
LCP meer beïnvloe ddoor vroege familiale factoren → strenge discipline, gebrek aan emotionele nabijheid
—> Barnes en Beaver (2010)
maturity gap is predictief voor lichte criminaliteit en licht druggebruik bij AL groep
maturity gap is ongerelateerd aan zwaardere crimi en druggebruik
nuanceringen van Moffit’s theorie
A. Evidentie voor 3de groep: childhood-limited (CL) antisociaal gedrag
B. Jeugdtrauma’s / moeilijke kindertijd (‘childhood adversity) zijn typerend voor de 3 groepen.
C. AL foute benaming, aangezien veel jongeren uit deze groep op volwassen leeftijd nog antisociaal gedrag vertonen
D. Het soort antisociaal gedrag dat vertoond wordt (agressie vs. regelovertredend gedrag) sterkere predictor van continuïteit in volwassenheid dan age-of-onset
E. Ander ontwikkelingspad bij meisjes: ‘delayed-onset antisocial pathway’
A. Evidentie voor 3de groep: childhood-limited (CL) antisociaal gedrag
= kinderen die op jonge leeftijd ernstige gedragsproblemen vertonen maar hier in de adolescentie uitgroeien (50-70% van de gevallen)
B. Jeugdtrauma’s / moeilijke kindertijd (‘childhood adversity) zijn typerend voor de 3 groepen.
Contextuele risicofactoren spelen een rol bij alle antisociaalgroepen (CL, LCP, AL), met weinig verschil tussen de antisociale groepen onderling, maar wel een groot verschil met de niet-antisociale groep.
C. AL foute benaming, aangezien veel jongeren uit deze groep op volwassen leeftijd nog antisociaal gedrag vertonen
Veel jongeren uit de AL-groep vertonen ook op volwassen leeftijd nog antisociaal gedrag ('adolescence-onset' in plaats van 'limited').
D. Het soort antisociaal gedrag dat vertoond wordt (agressie vs. regelovertredend gedrag) sterkere predictor van continuïteit in volwassenheid dan age-of-onset
Fysiek agressief gedrag (AGG) en regelovertredend gedrag (RB) hebben verschillende ontwikkelingspaden en voorspellende waarde voor latere problemen. RB in de adolescentie is een sterkere predictor van antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASPD) dan agressie. AGG heeft een sterkere genetische component, RB kent een sterkere omgevingsinvloed.
E. Ander ontwikkelingspad bij meisjes: ‘delayed-onset antisocial pathway’
LCP is zeldzamer bij meisjes. Er bestaat wel een 'adolescence-delayed-onset' groep die persistent probleemgedrag vertoont, vergelijkbaar met de LCP-groep bij jongens.
andere soorten evidentie
Vaak meer gelijkenissen dan verschillen tussen LCP en A-O groep
Bij LCP groep is impairment vaak nog iets hoger dan bij A-O groep
Eerder kwantitatief dan kwalitatief verschil tussen LCP en A-O traject
herfomrulering van FAIRCHILD (2013)
Omgeving van het kind heeft impact op wanneer onderliggende kwetsbaarheid tot uiting komt
LCP groep: hoge individuele kwetsbaarheid, hoge omgevingskwetsbaarheid
A-O groep die blijft persisteren tot in de volwassenheid: gelijkaardige individuele kwetsbaarheid, maar betere omgeving die tijdelijk buffer heeft kunnen vormen
Soms is individuele kwetsbaarheid zo sterk dat omgeving nog weinig impact heeft
Zowel de individuele kwetsbaarheid als de kwetsbaarheid van de omgeving liggen op een continuüm
Verschillen tussen childhood-onset en adolescence-onset zijn dus eerder kwantitatief dan kwalitatief
het model van Patterson
De 'coërcieve cyclus' in ouder-kind dynamiek. Zowel ouder als kind worden negatief bekrachtigd voor hun gedrag.
Voorbeeld: Kind weigert op te ruimen -> Ouder schreeuwt en geeft toe -> Kind hoeft niet op te ruimen (positieve bekrachtiging voor kind) en ouder stopt met schreeuwen (positieve bekrachtiging voor ouder). Dit gedrag wordt de standaard.
Risicoperiode: 18-24 maanden, met piek tussen 2-3 jaar.
Risicogroep: Kinderen met coërcief gedrag als primaire interpersoonlijke strategie.
Factoren die dit bevorderen: Beperkte oudervaardigheden, beperkte monitoring, inconsistente of negatieve discipline, moeilijke familiale overgangsperioden.
Ontwikkelingstraject: Coërcief gedrag in de kleutertijd leidt tot oppositioneel en opstandig gedrag, schoolse vaardigheden worden beperkt, wat leidt tot schoolfalen. In de adolescentie kan dit resulteren in antisociale gedragsproblemen, aansluiting bij delinquente leeftijdsgenoten, ouderlijke verwerping, en uiteindelijk contact met het gerecht.
Moffit VS Patterson
Beide theorieën erkennen het belang van vroege starters en het risico dat daarmee gepaard gaat.
Patterson legt meer nadruk op de rol van parenting (opvoeding) en de coërcieve cyclus.
Moffit focust breder op kenmerken van het kind (LCP vs. AL) en de rol van 'childhood adversity'.
herwerkt model Patterson en Granic (2006)
focus op dynamische invloeden
aandacht voor onderliggende elementen aan coërcieve gedragspatronen
Risicocyclus
risicotaxatie (-inschatting)
risicobeheer (-management)
risico-communicatie
Risicotaxatie
Het herhaaldelijk inschatten van het risico op crimineel gedrag op basis van beschermende en risicofactoren
Risicobeheer
Alle interventies die ondernomen worden om het risico op crimineel gedrag te verminderen
Risicocommunicatie
het duidelijk en adequaat communiceren over deze risico’s in het licht van relevante beslissingen
Risicofactoren
Factoren die de kan op toekomstig gewelddadig/ crimineel gedrag vergroten
2 soorten risicofactoren
statische risicofactoren
dynamische risicofactoren
Statische risicofactoren
onveranderbaar
(leeftijd eerste veroordeling, mentale handicap, seksueel misbruik als kind)
Dynamische risicofactoren
Verandering mogelijk
stabiele dynamische factoren = verandering mogelijk op lange termijn (persoonlijkheidstrekken)
acute dynamische factoren = verandering mogelijk op korte termijn (inzetten v kinderen tijdens echtscheiding, toegang wapens, middelenmisbruik)
universele risicofactoren
Central eight: verhogen de kans op recidive van gewelddadig/ crimineel gedrag in het algemeen
7 dynamisch, 1 statisch
big four
moderate four
big four:
eerder crimineel gedrag
antisiciale opvattingen
procrimineel netwerk
antisociaal persoonlijkheidspatroon
moderate four:
familie en relatie probleem
school/ werk probleem
middelenmisbruik
vrije tijd en ontspanning pronlemen
risicofaactor = voorspellende factor
=/= verklarende factor
soorten protectieve factoren
directe protectieve factoren of promotive factors
bufferende protectieve factoren
sommige zowel risico als protectieve factor
directe protectieve factoren of promotive factors
factoren met negatief effect op toemomstig geweld
bufferende protectieve factoren
factoren met negatief effect op toekomstig geweld, in aanwezigheid van een risicofactor = interactie-effect
→ verlaagt het risico wanneer er een risicofactor aanwezig is
factoren die zowel protectief als risico kunnen zijn
vb, laag IQ >< hoog IQ
sociale steun in een rustige wijk >< sociale steun in een probleem wijk
redenen voor risicotaxatie
maatschappelijk → beshermen maatschappij door recidive te verkleinen
ethisch → willekeur vermijden, bescherlen persoon door recidive te vermijden
behandeling en begeleiding → inzicht, beleidsmatig, communicatie
soorten risicotaxatie
ongestructureerd klinisch oordeel
actuariële risicotaxatie
gestructureerd klinisch oordeel
Ongestructureerd klinisch oordeel
Keuze van kenmerken en besluitvorming vanuit de ervaring en kennis van de deskunidge, persoonlijk en ongestructureerd
+) flexibel, focus op individu
-) lage interbeoordelaarsbetrouwbaarheid, lage voorspellende waarde
actuariële risicotaxatie
keuze van kenmerken gebaseerd op empirisch onderzoek met een sterke relatie tussen uitkomst en meetbare variabelen. Zowel statische als dynamische factoren
static-99R
enkel statische factoren
+) makkelijk te scoren
-) geen imput om behandeling mee te sturen
stable-2007
dynamishe risicofacoren
+) richtlijnen voor behandeling
-) moeilijker te scoren
PCL-R
LSI-R
gestructureerd klinisch oordeel
keuze van risicofactoren gebaseerd op empirisch onderzoek (statisch en dynamisch). mogelijkheid tot toevoegen van kenmerken obv klinische expertise
HCR-20
SAPROF
Actuarieel OF gestructureerd klinisch?
Actuarieel
toegevoegd klinsch oordeel = onbetrouwbaar
SAPROF
als aanvulling op de risicotaxatie van geweld
brengt beschermende factoren in kaart
predictieve validiteit
Receiver operating characteristics ROC
sensitiviteit: juiste positieve voorspellin
specificiteit: juiste negatieve voorspelling
uitkomst ROC = curve die de verhouding tussen sensitiviteit en specificiteit weergeeft
Area under the curve AUC
= de kans dat een willekeurig gekozen recidivist een hogere score haalt dan een willekeurig gekozen niet-recidivist
MOET zo groot mogelijk zijn
AUC 1 = perfecte positieve voorspeling >< 0 = perfecte negatieve voorspelling
Risicobeheer of management
RNR
GLM
RNR, Risk-Need-Responsivity model
→ rehabilitatie
Risk
WIE
intensiteit van de behandeing moet overeenkomen met het risico niveau van de client
Need
WAT
behandeling moet gericht zijn op criminogene factoren → dynamische risicofactoren die gerelateerd zijn aan kans op herval → central eight → cognitieve gedragstherapie
Responsivity
HOE
behandeling moet afgestemd zijn op de individuele kenmerken van de pleger (leerstijl, motivatie, stoornissen)
GLM, Good Lives Model
→ strenght-based
Hoe kan iemands leven betekenisvol en zincol worden?
mensen streven naar primary goods → gezond leven, autonomie, verbondenheid
instrumentele of secudary goods = wijze waarop primaire doelen bereikt worden
crimineel gedrag = primairy goods worden op antisociale manier bereikt
GLM focust op positieve levensplan → hoe primairy goods op een prosociale manier bereiken?
aandacht voor criminogene noden en trerugvalpreventie
versterken van persoonelijke kracht en draagkracht
Geïntegreerd model RNR-GLM?
kritiek RNR
te harde focus op maatschappelijke veiligheid als doel
geen focus op desistance gerelateerde factoren
kritiek GLM
zwakke empirische basis
Risico-comminicatie
het mondeling of schriftelijk communiceren van informatie over een risico van een negatief incident van een beoordeelaar naar een ontvanger
vormen van risico-communicatie
in woorden: categoriaal → sluit aan bij gestructureerd klinisch oordeel
+) specifieke beschrijvingen, houvast
-) grofmazig, overlap, neiging tot overschatting risico
in cijfers → sluit aan bij actuariële methode
+) nauwkeurig, duidelijk
-) moeite met begrijpen cijfers (risk illiteracy), afhankelijk v instrument
visueel
invloeden v risico-communicatie
rechters geven voorkeur aan categoriale/ woordelijke beschrijvingen
framing
negatieve framing: 20% kans op recidive
positieve framing: 80% kans op geen recidive → leidt tot minder strenge maatregelen
Onderzoek Vd Broek, Uzieblo en De Vogel 2023
onderzoek naar welke communicatie het meeste werd geapprecieerd:
Categoriale communicatie
Numerieke communicatie
Gecombineerde categoriale en numerieke communicatie
Categoriale communicatie met een toegevoegd beschrijvend risicoscenario
RESULTATEN:
Recidiverisico wordt het hoogst beoordeeld in groep 4 (significante verschillen met groep 2 en 3)
Nog niet gevonden in eerder onderzoek
Beschrijvend risicoscenario geeft concreet beeld van “wat er mis zou kunnen gaan”, wat leidt tot een bias.
Meervoudige communicatieformats (groep 3 en groep 4) worden over het algemeen positiever gewaardeerd dan enkelvoudige.
Enkelvoudige numerieke format (groep 2) wordt het minst positief beoordeeld.
psychopathie → Cleckley
Mask of sanity → uiterlijk was er niets mis, onderliggend was er een ernstige verstoring
3 categorieën van symptomen
adaptieve kenmerken
deviant gedrag
emotionele armoede en beperkte sociale verbondenheid
Antisociale persoonlijkheidsstoornis
DSM III → verschil tussen spychopathie en antisociale PD
DSM IV
DSM V → benaderingen om antisociale PD te benaderen
categoriale benadering van Antisociale PD analoog DSM IV
psychopatie specifier in dimensioneel model
DSM V: categoriale benadering
A. Een pervasief patroon van gebrek aan respect voor en schending van de rechten van anderen, aanwezig vanaf de leeftijfd van vijftien jaar, zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende kenmerken:
niet in staat zich te conformeren aan de sociale normen over wat volgens de wet is toegestaan
onbetrouwbaarheid, zoals blijkt uit herhaaldelijk liegen, gebruik van schuilnamen of het duperen van anderen voor persoonlijk profijt of plezier
impulsiviteit of niet vooruit kunnen plannen
prikkelbaarheid en agressiviteit zoals blijkt uit herhaaldelijke vechtpartijen of geweldpleging
roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf of anderen
constante onverantwoordelijkheid, zoals blijkt uit een terugkerend onvermogen om zich op het werk consistent te gedragen of financiële verplichtingen na te komen
ontbreken van berouw, zoals blijkt uit de onverschilligheid nadat hij/zij iemand pijn heeft gedaan, slecht heeft behandeld of rationaliseren van dit gedrag.
B. De betrokkene is minstens 18 jaar oud.
C. Er zijn aanwijzingen voor een normoverschrijdend-gedragsstoornis, begonnen voor de leeftijd van 15 jaar.
D. Het antisociale gedrag treedt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie of bipolaire stemmingsstoornis.
Normoverschrijdende gedragsstoornis (CD, conduct disorder)
Een repetitief en persisterend gedragspatroon waarbij de grondrechten van anderen, of belangrijk bij de leeftijd passende maatschappelijke normen of regels worden geschonden, zoals blijkt uit de aanwezigheid van minstens 3 van de volgende 15 criteria uit een van de onderstaande categorieën, in het afgelopen jaar, waarbij minstens één criterium ook in de afgelopen 6 maanden aanwezig is geweest.
Agressie jegens mensen en dieren
pest, bedreigt of intimideert vaak anderen
Begint vaak met vechten
Heeft een wapen gebruikt dat bij anderen ernstig lichamelijk letsel kan veroorzaken
Heeft mensen mishandeld
Heeft dieren mishandeld
Heeft in directe confrontatie een slachtoffer bestolen
Heeft iemand gedwongen tot seksuele handelingen
Heeft opzettelijk brand gesticht met de intentie ernstige schade te veroorzaken
Heeft opzettelijk eigendommen van anderen vernield
Heeft ingebroken in een huis, gebouw of auto van iemand anders
Liegt vaak om goederen of gunsten te verkrijgen of verplichtingen te ontlopen
Heeft zonder directe confrontatie met een slachtoffer waardevolle spullen of geld gestolen
‘s nachts wegblijven (<13jaar)
Thuis weglopen en ‘s nachts wegblijven. Is minstens 2 keer weggelopen van het huis waar hij/zij woont met ouders of andere ouderfiguren en ‘s nachts weggebleven, of één keer voor een lange periode zonder terug te keren.
Spijbelen (<13jaar
Specificaties:
beginleeftijd → kind >< adolescent
ernst → licht, matig, ernstig
met beperkte prosociale emoties
gebrek aan berouw/schuld
gebrek aan empathie
onverschillig over prestaties
vlak of deficiënt affect
DSM V, sectie 3, AMPD → dimensionele persoonlijkheidstrekken
criterium A
disfuncties in zelf en interpersoonlijk functioneren
criterium B
aanwezigheid van pathologische persoonlijkheidstrekken
psychopathie specifier
lage angst
lage sociale terguggetrokkenheid
aandacht zoeken
Verhouding Antisociale PD en Psychopathie
Bijna alle personen met psychopathie voldoen ook aan de criteria voor antisociale PD.
Ongeveer 1/4 van de personen met een antisociale PD voldoet aan de kenmerken van psychopathie.
"succesvolle psychopaten" (die niet in de forensische context terechtkomen)

Assessment psychopathie
PCL-R
gedrags- EN persoonskenmerken
klinische beoordeling op 20 criteria
interview + dossierstudie
Hoewel een score van 40 het prototype van een psychopaat vertegenwoordigt, worden er lagere scores gehanteerd als cutoff:
30 in de VS en 25-27 in Europa.
Dit betekent dat niet alle 20 symptomen aanwezig hoeven te zijn om als psychopaat te worden geclassificeerd.
PCL-R: tweefactorenmodel met 4 facetten
persoonlijkheidscomponent
interpersoonlijk facet
affectieve facet
gedragscomponent (meest voorspellende voor recidive)
impulsieve levensstijl
antisociale levensstijl
interpersoonlijk facet
oppervlakkig charmant
grandioze eigenwaarde
pathologisch liegen
list en bedrog
affectieve facet
gebrek aan wroeging/schuldgevoel
oppervlakkige emoties
gebrek aan empathie/kil
geen verantwoordelijkheid voor eigen daden
impulsieve levensstijl
prikkelhonger
parasitaire levensstijl
ontbreken van lange-termijn doelen
impulsiviteit
onverantwoord gedrag
antisociale levensstijl
jeugdcriminaliteit
schending van voorwaarden
veelsoortige criminaliteit
subbtypes Lykken
primaire psychopathie
affectieve en interpersoonlijke aspecten op de voorgrond
afwezigheid van angst
secundaire psychopathie
gedragscomponent op de voorgrond
angts en negatief affect mogelijk wel aanwezig
Triarchisch model van psychopathie van Patrick
ontremming = disinhibition
onverschrokkenheid = boldness
laaghartigheid = meanness
ontremming
disinhibition
= gebrek aan controle over gedrag en emotie
onverschrokkenheid
boldness
= onverschrokkenheid op sociaal, emtioneel en gedragsmatig vlak
laaghartigheid
meanness
= agressief gedrag, zonder rekening te houden met anderen
Cleckley focust op:
boldness en disinhibition
PCL-R focust op:
meanness en disinhibition
prevalentie psychopathie en antisociale PD
Algemene populatie
Antisociale PD = 1-4%
Psychopathie = 0.6-2.3%
Forensische populatie
Antisociale PD = 47-75%
Psychopathie = 8-25%
Psychopathie bij vrouwen?
Algemene populatie = < 1%
Forensische populatie = 2-24%
ander profiel < vaak gedragsproblemen op jonge leeftijd, recidive crimineel gedrag > problematische emotieregulatie en seksueel promiscue gedrag
relevantie in forensische context
meest consistente relatie tussen PD en criminaliteit
psychopathie als voorspeller van agressief gedrag
link met diverse vormen van seksueel geweld
toekomstig gewelddadig gedrag en wangedrag
psychopathie bij minderjarigen
Normoverschrijdende gedragsstoornis of conduct disorder
Agressie jegens mens en dier
Vernieling van eigendommen
Bedrog of diefstal
Ernstige overtreding van regels
Specificaties (c) : Met beperkte prosociale emoties (minstens 2 van de onderstaande kenmerken persisterend gedurende minstens 1 jaar in meerdere relaties en settings) → ‘callous-unemotional (CU) traits
Gebrek aan berouw of schuldgevoel
Ongevoelig - gebrek aan empathie
Onverschillig over prestaties
Vlak of deficiënt affect
CU traits
Gebrek aan berouw of schuldgevoel
Ongevoelig - gebrek aan empathie
Onverschillig over prestaties
Vlak of deficiënt affect
relevantie CU traits
Bij combinatie CD + CU = slechte prognose
→ verminderde activiteit in amygdala en andere hersengebeiden geassocieerd met emoties
kritiek op DSM-5 conceptualisatie bij minderjarigen
Het gebruikt de term "psychopathie" niet direct , maar een specificatie van Conduct Disorder.
De focus is enkel op CU-trekken (affectieve component) en de interpersoonlijke en gedragsmatige componenten van psychopathie negeert.
Colins, andeshed, salekin en fanti 2018
Suggereert dat een driedimensionale benadering (CU + impulsiviteit + grandiositeit) of een combinatie van CD + driedimensionale psychopathie de meest robuuste voorspeller is van blijvende en toekomstige gedragsproblemen.
verklaringsmodellen voor psychopathie
integratief etiologisch model
evolutionair
epigenetisch
neurale mechanismen
omgevingsfactoren
affectief/ cognitief deficit
fearlessness model
respons modulatie model
integratief etiologisch model
→ psychopathie is een complexe interactie tussen verschillende factoren:
evolutionair
psychopathische trekken als adaptieve overlevingsstrategie in maladaptieve gezinssituatie?
afblokken negatieve emoties
kalm en alert tijdens agressieve interacties
zelfbescherming door aanval
epigenetisch
geen psychopathie-gen
genetische kwetsbaarheid in complexte en dynamische interactie met omgevingsfactoren
negatief ouderschap = risicofactor
meer aanwezigheid van CU kenmerken lokt negatief ouderschap uit
neurale mechanismen
structurele verschillen
minder grijze massa in amygdala = emoties minder sterk voelen (-)
meer grijze massa in ventrale stratum = beloningssysteem is gevoeliger (+)
functionele verschillen
verschillen in connectiviteit
minder functionel connectiviteit tussen amygdala en prefontale context
meer connectiviteit tussen ventrale striatum en andere hersengebieden = meer focus op onmiddellijke beloning
omgevingsfactoren
negatief ouderschap is geassocieerd met de ontwikkeling van psychopathische trekken bij kinderen en jongeren
affectief/ cognitief deficit
fearlessness model
beperkte angst als centraal kenmerk
angstconditionering
personen met psychopathie
minder anticipatie op straf
minder passieve vermijding
minder vatbaar voor socialisatie
Fung (2005)
psychopathische trekken worden geassocieerd met: minder anticipatorische angst en minder responsiviteit bij straf
geen algemeen arousal deficit maar bij reactie op stressor
→ minder angst bij dreiging met straf
respons modulatie model
aandachtsdeficit → moeite om aandacht te schenken aan affectieve informatie wanneer die ondergeschikt is aan doelgericht gedrag
focus op doel waardoor moeite om andere info (zoals strafsignalen) op te merken
! geen verschil in schrikreactie wanneer aandacht op dreiging zit (Newman, Curtin et all, 2010)
juridische implicaties bij PCL-R diagnose
onderzoek Blais en Forth (2014)
wanneer iemand het label ‘psychopaat’ heeft → minder geloofwaardigheid/ meer schuldig
therapeutische implicaties bij PCL-R diagnose
klinisch pessimisme (Seto en Barbaree, 1999)
manipulatief vermogen
extra geleerde vaardigheden na therapie om te gebruiken om mensen te manipuleren
treatement-causes-harm hypothese
behandeling zorgt ervoor dat individuen extra interpersonlijke vaardigheden leren die hen vatbaar maken voor recidive
klinisch optimisme
vroeg interventie
RNR principe
Intensiteit aangepast aan risiconiveau
focus op veranderbare factoren
rekening houdend met psychopatische kenmerken
effecten
daling CU kenmerken
imact op gedrag
daling hervalrisico en recidive risico
succes vroeg interventies: Parent Child interaction therapy (PCIT)
behandelprogramma voor CU+CD trekken
resultaat:
dalen gedragsproblemen
dalen CU trekken
Hoger empathisch vermogen bij kinderen
na 3 maand: effect blijft behouden
succes behandeling bij volwassenen ABC
Agressive behavior control behandelprogramma
therapeutische vooruitgang hangt samen met minder recidive na 5jaar
uitdagingen
Meer uitval bij therapie
Minder emotie bij therapie
Vaker wangedrag tijdens behandeling
Moeilijke therapeutische relatie
Minder gemotiveerd
Minder snel observeerbare vorderingen
intrafamiliaal geweld
alle vormen van fysiek, seksueel, pyschologische of economisch geweld die plaatsvinden binnen het gezin of het huishouden of tussen voormalig of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de pleger in de zelfde woning verblijft als het slachtoffer of heeft verbleven
partner geweld
elk geweld dat zich voordoet tussen (ex)- partners. Kan gaan om lichamelijk, seksueel, psychologisch, economisch geweld. De betrokken personen moeten niet noodzakelijk in dezelfde woning verblijven of hebben verbleven.
partner geweld in cijfers
¼ op de wereld geeft aan in een relatie gezeten te hebben waar een vorm van partnergeweld aanwezig was
In BE: 40-50.000 aangiftes elk jaar → onderraportage
Grootschalige studie in 23 EU landen
Partnergeweld:
meer dan 3/10 vd BE hebben So ervaring met intiem partnergeweld
geen significate geslachtsverschillen in algemene prevalentie
bij mannen vaker uitsluitend psychologisch
bij vrouwen combinatie van verschillende geweldsvormen
Psychologisch geweld:
3/10 heeft ooit al psy geweld door een intieme partner meegemaakt
geen sign geslachtsverschillen in alg prevalentie → wel in frequentie: vrouwen > mannen
gekleineerd of vernederd worden als meest frequent
Fysiek geweld:
1/10 heeft ooit al fysiek geweld meegemaakt door een intieme partner
vrouwen sig vaker skachtoffer dan mannen
opzettelijk gooien of klap meest frequente vormen
Seksueel geweld:
7.6% vd BE vrouwen meldt seksueel geweld door intieme partner
niet genoeg gegevens voor mannen
seksuele handelingen tegen zin als meest fresuente ervaring
Bidirectioneel geweld
50-60% ervaart geweld door beide partners
juridisch kader 1997
PG = verzwarende omstandigheid
PdK heeft ruimere bevoegdheid
professionals kunnen beroepsgeheim doorbreken
PdK kan tijdelijk huisverbod van max 14d opleggen
juridisch kader 2016: Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa
eerste juridisch dwingend instrument ter bestreiding van geweld tegen vrouwen en IFG in het algemeen
preventie van geweld
bescherming SO
vervolging daders
gecoordineerde richtlijnen en samenwerking
kaderwet feminicide 2023
De opzettelijke doding van een vrouw wegens haar gender of de dood van een vrouw ten gevolgen van praktijken die schadelijk zijn voor vrouwen, ongeacht of deze opzettelijke doding of de schadelijke praktijken gepleegd werden door een partner, familielid of derde
intieme feminicide
niet intieme feminicide
indirect feminicide
gendergerelateerde doding
2 soorten typologie en dynamiek in PG
feministisch perspectief
family violence perspectief