1/49
Een uitgebreide set flashcards voor het NW-examen over organisatieniveaus, spijsvertering, ademhaling en het bloedvatenstelsel.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Macroscopische waarnemingen
Waarnemingen die je met het blote oog of met een loep kunt doen, zoals de wortel, stengel of huidweefsel.
Microscopische waarnemingen
Waarnemingen waarvoor je een (licht)microscoop nodig hebt, zoals het bestuderen van individuele cellen.
Celkern
Onderdeel van zowel de plantencel als de dierlijke cel die de genetische informatie bevat en de celprocessen aanstuurt.
Mitochondriën
Onderdelen van de cel waarin glucose wordt verbrand met zuurstofgas om energie vrij te maken.
Celwand
Een stevige buitenlaag die wel aanwezig is bij plantencellen, maar ontbreekt bij dierlijke cellen.
Bladgroenkorrels
Onderdelen van een plantencel die zorgen voor de groene kleur en noodzakelijk zijn voor fotosynthese.
Vacuole
Een met vocht gevulde blaas in een plantencel die zorgt voor stevigheid.
Cytoplasma / Celplasma
De vloeistof in de cel waarin de verschillende celonderdelen zich bevinden.
Wetenschappelijke methode
Een proces bestaande uit de zeven stappen: onderzoeksvraag, hypothese, benodigdheden, werkwijze, waarnemingen, besluit en reflectie.
Weefsel
Een verzameling of groep van cellen met dezelfde vorm en bouw, maar ook met dezelfde functie.
Orgaan
Een groep van verschillende weefsels die samenwerken aan een specifieke taak.
Stelsel
Een groep organen die samenwerken om een grotere functie in het lichaam te vervullen.
Organisatieniveaus (volgorde)
De hiërarchische opbouw van een organisme: cel → weefsel → orgaan → stelsel → organisme.
Ademhalingsstelsel
Stelsel verantwoordelijk voor het opnemen van zuurstofgas (O2) en het afgeven van koolstofdioxide (CO2) aan het bloed.
Spijsverteringsstelsel
Stelsel dat energierijk voedsel opneemt en verkleint tot kleine voedingsstoffen voor opname in het bloed.
Bloedvatenstelsel
Transportstelsel dat voedingsstoffen en zuurstofgas naar de cellen brengt en afvalstoffen afvoert.
Uitscheidingsstelsel
Stelsel dat verantwoordelijk is voor het afvoeren van afvalstoffen (zoals water en CO2) uit het lichaam.
Celademhaling
Proces van stofomzetting binnen de cel waarbij energie vrijkomt voor groei, beweging en lichaamstemperatuur.
Formule celademhaling
glucose+zuurstofgas(O2)→koolstofdioxide(CO2)+water(H2O)+energie
Mitochondriën (functie bij ademhaling)
De specifieke plaats in de cel waar glucose reageert met zuurstofgas, wat resulteert in energie en afvalstoffen.
Vertering
Het verkleinen van grote voedingsstoffen zodat ze kunnen worden opgenomen door het bloed.
Stofomzetting (Zetmeel)
Het proces waarbij speeksel zetmeelmoleculen omzet in kleinere glucosemoleculen.
Stofomzetting (Eiwitten)
Het proces waarbij maagsap eiwitmoleculen omzet in kleine aminozuurmoleculen.
Lugol
Een opsporingsmiddel dat paars/zwart kleurt bij aanwezigheid van zetmeel.
Diastix
Een opsporingsmiddel dat bruin kleurt bij aanwezigheid van glucose.
Peristaltiek
De knijpende beweging van spieren in de wand van het spijsverteringskanaal om voedsel voort te duwen.
Darmvlokken en darmplooien
Structuren in de dunne darm die zorgen voor een zeer groot oppervlak voor een snellere absorptie van stoffen.
Brandstoffen
Voedingsstoffen zoals zetmeel, glucose en vetten die energie leveren voor arbeid en lichaamstemperatuur.
Bouwstoffen
Voedingsstoffen zoals eiwitten, water en mineralen die dienen voor de vorming van nieuwe cellen en herstel.
Beschermstoffen
Voedingsstoffen zoals mineralen en vitaminen die beschermen tegen ziekteverwekkers.
Voedingsmiddelen
De producten die we eten, zoals brood of fruit, die bestaan uit verschillende voedingsstoffen.
Voedingsstoffen
De bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen, zoals glucose, eiwitten en vitaminen.
Voedingsvezels
Niet-verteerbare stoffen die de darmwerking stimuleren maar niet worden opgenomen door het bloed.
Voedingswaarde
Informatie die aangeeft hoeveel energie en voedingsstoffen 100g van een product levert.
Voedingsdriehoek
Model dat aangeeft welke voedingsmiddelen we meer of minder moeten eten voor een gezond dieet.
Neusholte
Onderdeel van het ademhalingsstelsel dat de lucht zuivert via trilharen en verwarmt.
Keelholte
Heeft een functie bij het slikken om te vermijden dat er voedsel in de luchtpijp terechtkomt.
Longblaasjes
Kleine zakjes in de longen waar de gasuitwisseling met de haarvaten plaatsvindt.
Gasuitwisseling
Het proces waarbij zuurstofgas aan het bloed wordt afgegeven en koolstofdioxide wordt opgenomen.
Longademhaling
De uitwisseling van gassen (O2,CO2,H2O) tussen de longen en de buitenlucht.
Roken en Vapen
Gedragingen die leiden tot ontstekingen, vernauwing van de luchtwegen en schade door giftige stoffen.
Bloedplasma
Een vloeibaar mengsel van water en opgeloste stoffen dat dient als transportmiddel voor bloedcellen en gassen.
Functie van bloed (temperatuur)
Het reguleren van de lichaamstemperatuur op ongeveer 37oC door het transporteren van warmte.
Linkerkamer
De hartkamer met de sterkst gespierde wand omdat deze het bloed door het hele lichaam moet pompen.
Slagaders
Bloedvaten die bloed van het hart naar de organen voeren; ze hebben dikke, gespierde en elastische wanden.
Aders
Bloedvaten die bloed van de organen terug naar het hart voeren; ze bevatten kleppen om terugstroom te voorkomen.
Dubbele bloedsomloop
Systeem waarbij het bloed per volledige ronde twee keer door het hart stroomt.
Kleine bloedsomloop
De route van het bloed tussen het hart en de longen voor gasuitwisseling.
Kransslagader
Het bloedvat dat de hartspier zelf voorziet van zuurstofrijk bloed.
Hartinfarct
Het afsterven van een deel van de hartspier als gevolg van een volledige verstopping van de kransslagader.