Hoofdstuk 2. Neurobiologische benadering van psychopathologie - Ankikaartjes

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/51

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 6:12 PM on 8/3/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

52 Terms

1
New cards

Wat is de neurobiologische benadering van psychopathologie?

Een benadering waarin psychopathologie wordt verklaard vanuit de samenhang tussen genen, hersenen, neurotransmitters, hormonen en omgeving. Geen enkel onderdeel verklaart psychopathologie volledig op zichzelf.

2
New cards

Wat is genotype?

De genetische aanleg of erfelijke informatie die iemand met zich meedraagt. In dit hoofdstuk gaat het vooral om genetische kwetsbaarheid, niet om rechtstreekse overdracht van één specifieke stoornis.

3
New cards

Wat is fenotype?

De zichtbare of merkbare uiting van aanleg in eigenschappen, gedrag, klachten of psychopathologie. Het fenotype ontstaat uit interactie tussen genotype, neurobiologische processen en omgeving.

4
New cards

Wat is concordantie?

De mate waarin een eigenschap of stoornis bij beide leden van een tweeling voorkomt. Een hogere concordantie bij eeneiige dan bij twee-eiige tweelingen ondersteunt genetische invloed.

5
New cards

Wat is het limbische systeem?

Een netwerk van hersenstructuren dat betrokken is bij emotie, motivatie, genot, emotioneel geheugen en vooral angst. Belangrijke onderdelen zijn amygdala, hippocampus en hypothalamus.

6
New cards

Wat is de prefrontale cortex?

Het voorste deel van de neocortex, betrokken bij aandacht, planning, remming, zelfevaluatie, zelfcorrectie en doelgericht gedrag. Dit gebied reguleert mede emoties en gedrag via samenwerking met subcorticale structuren.

7
New cards

Wat is neurotransmissie?

Signaaloverdracht tussen neuronen via neurotransmitters. Neurotransmitters worden vrijgegeven door het presynaptische neuron, komen in de synaptische spleet en binden aan receptoren op het postsynaptische neuron.

8
New cards

Wat is de HPA-as?

De hypothalamus-hypofyse-bijnier-as. Dit systeem reguleert cortisolproductie bij voortdurende stress. Ontregeling kan leiden tot verhoogde cortisolniveaus en samenhangen met hippocampale atrofie.

9
New cards

Wat is gen-omgevingsinteractie?

De wederzijdse beïnvloeding tussen genetische aanleg en omgevingsfactoren. Psychopathologie ontstaat uit interactie tussen aangeboren kwetsbaarheid, neurobiologie, omgeving en aangeleerde coping.

10
New cards

Wat is RDoC?

Research Domain Criteria: een raamwerk dat psychopathologie onderzoekt via onderliggende processen en domeinen op een continuüm van normaal tot abnormaal, gekoppeld aan neurobiologische, gedragsmatige en ontwikkelingsgerichte processen.

11
New cards

Je ziet in een tentamenvraag dat één hersengebied als enige oorzaak van depressie wordt genoemd. Wat herken je?

Een valkuil: psychopathologie moet niet worden gereduceerd tot één hersengebied. Depressie wordt beter begrepen als netwerk- en interactieprobleem met prefrontale hypoactiviteit, verhoogde limbische activiteit, neurotransmitters, cortisol en omgeving.

12
New cards

Een studie vindt hogere concordantie voor een stoornis bij eeneiige dan bij twee-eiige tweelingen. Wat wijst dit aan?

Dit ondersteunt genetische invloed, maar bewijst geen volledige genetische oorzaak. Omgevingsinvloed blijft mogelijk, zeker als eeneiige tweelingen meer hetzelfde worden behandeld.

13
New cards

Een patiënt heeft hallucinaties na amfetaminegebruik. Welk mechanisme past hierbij?

Verhoogde dopamineactiviteit kan psychotische klachten zoals hallucinaties uitlokken. Dit past bij de dopaminehypothese, maar dopamine alleen verklaart psychose niet volledig.

14
New cards

Een kind is mishandeld maar ontwikkelt later geen antisociaal gedrag; het kind heeft hoge MAO-A-niveaus. Wat herken je?

Gen-omgevingsinteractie. Dezelfde negatieve omgeving leidt niet bij iedereen tot dezelfde uitkomst; biologische kwetsbaarheid of bescherming speelt mee.

15
New cards

Een kind met hoge cortisolreactiviteit functioneert prosociaal in een gunstige omgeving. Wat herken je?

Cortisolreactiviteit als gevoeligheidsmodel: biologische gevoeligheid kan onder ongunstige omstandigheden risico geven, maar onder gunstige omstandigheden juist positief uitpakken.

16
New cards

Een vraag noemt ademhalingsoefeningen bij spanning en stress. Bij welk behandel¬niveau hoort dit?

Arousalregulatie: het basale niveau van behandeling gericht op lichamelijke activatie die samenhangt met spanning en stress.

17
New cards

Vergelijk genotype en fenotype.

Genotype is genetische aanleg; fenotype is de zichtbare uiting in eigenschappen, gedrag, klachten of stoornissen. Het fenotype ontstaat niet rechtstreeks uit genotype, maar via interactie met hersenen, neurotransmitters, hormonen, omgeving, stress, temperament en coping.

18
New cards

Vergelijk familiestudies, tweelingstudies en adoptiestudies.

Familiestudies onderzoeken familiaire clustering maar kunnen genen en omgeving moeilijk scheiden. Tweelingstudies vergelijken eeneiige en twee-eiige tweelingen via concordantie. Adoptiestudies vergelijken biologische en adoptieouders, maar selectieve plaatsing blijft een beperking.

19
New cards

Vergelijk limbisch systeem en prefrontale cortex.

Het limbisch systeem is vooral betrokken bij emotie, motivatie, angst en emotioneel geheugen. De prefrontale cortex reguleert aandacht, planning, remming, zelfevaluatie en gedrag. Samen zijn ze belangrijk voor emotieregulatie en psychopathologie.

20
New cards

Vergelijk neurotransmitters en hormonen.

Neurotransmitters werken tussen neuronen via synaptische overdracht en meestal snel/lokaal. Hormonen worden via endocriene klieren geproduceerd, via de bloedbaan vervoerd en werken doorgaans langzamer en over grotere afstand.

21
New cards

Vergelijk DSM en RDoC.

DSM classificeert psychische stoornissen in categorieën. RDoC onderzoekt symptomen en onderliggende processen op een continuüm van normaal tot abnormaal en koppelt die aan neurobiologische, gedragsmatige en ontwikkelingsgerichte processen.

22
New cards

Vergelijk ECT, rTMS en diepe hersenstimulatie.

ECT gebruikt elektrische stimulatie onder anesthesie en wordt toegepast bij ernstige of therapieresistente depressie. rTMS gebruikt magnetische pulsen en is veelbelovend bij therapieresistente depressie. Diepe hersenstimulatie gebruikt geïmplanteerde elektroden en kan helpen bij Parkinson en ernstige obsessieve-compulsieve stoornis.

23
New cards

Casus: iemand heeft beschadiging in de prefrontale cortex en toont initiatiefverlies, affectieve vervlakking en sociale teruggetrokkenheid. Welke verklaring past?

Beschadiging van de prefrontale cortex kan leiden tot een pseudodepressief beeld met initiatiefverlies, affectieve vervlakking en sociale teruggetrokkenheid. Dit kan ten onrechte als psychiatrische stoornis worden gezien.

24
New cards

Casus: iemand reageert zeer alert op dreigende informatie en heeft angstklachten. Welke hersenstructuur is relevant?

De amygdala. Hyperactiviteit van de amygdala wordt gekoppeld aan angststoornissen en beïnvloedt emotieverwerking, opslag van emotionele herinneringen en bekrachtiging van gedrag.

25
New cards

Casus: bij depressie zijn psychomotorische vertraging, apathie en planningsproblemen aanwezig. Welke hersenactiviteit past hierbij?

Hypoactiviteit in onder meer prefrontale cortex, anterieure cingulate cortex en hippocampus. Dit wordt gekoppeld aan depressieve verschijnselen en verstoorde planning.

26
New cards

Casus: iemand met psychotische klachten verbetert niet door dopamineblokkerende medicatie. Wat is de belangrijke nuance?

De dopaminehypothese is geen volledige verklaring voor psychose. Ook andere neurotransmitters, zoals serotonine en glutamaat, spelen waarschijnlijk een rol.

27
New cards

Casus: langdurige stress gaat samen met verhoogd cortisol en hippocampale atrofie. Welk model past?

HPA-as en stressmodel. Voortdurende stress verhoogt cortisolproductie via de HPA-as; verhoogde cortisolniveaus kunnen neurotoxisch werken en samenhangen met atrofie, vooral in de hippocampus.

28
New cards

Casus: bij ernstige obsessieve-compulsieve stoornis worden elektroden in hersenstructuren geplaatst. Welke behandeling is dit?

Diepe hersenstimulatie. Deze behandeling gebruikt chirurgisch geïmplanteerde elektroden en kan bij ernstige, invaliderende obsessieve-compulsieve stoornis klachten zoals dwang, angst en somberheid verminderen.

29
New cards

Valkuil: “Er is één gen voor een psychische stoornis.”

Onjuist. De tekst benadrukt dat psychische stoornissen meestal niet door één gen worden veroorzaakt. Waarschijnlijk dragen meerdere genen bij aan kwetsbaarheid.

30
New cards

Valkuil: “Erfelijkheid betekent determinisme.”

Onjuist. Erfelijkheid wijst op kwetsbaarheid of waarschijnlijkheid, niet op onvermijdelijke ontwikkeling van een stoornis. Omgeving blijft essentieel.

31
New cards

Valkuil: “Een hersengebied veroorzaakt rechtstreeks een stoornis.”

Te simplistisch. Psychopathologie wordt beter begrepen als verstoring in neurale netwerken. Beeldvormend onderzoek toont verbanden, maar oorzaak en gevolg blijven voorzichtig te interpreteren.

32
New cards

Valkuil: “Dopamine verklaart psychose volledig.”

Onjuist. Dopamine speelt een rol bij psychotische klachten, maar serotonine en glutamaat maken de verklaring complexer. Niet alle patiënten reageren op dopamineblokkerende medicatie.

33
New cards

Valkuil: “Cortisol is altijd negatief.”

Te simpel. Verhoogd cortisol bij langdurige stress kan schadelijk zijn, maar cortisolreactiviteit kan onder gunstige omstandigheden ook samengaan met meer prosociaal gedrag.

34
New cards

Valkuil: “DSM is een verklaring voor klachten.”

Onjuist. DSM classificeert stoornissen, maar verklaart niet automatisch waardoor klachten ontstaan. Verklaring vraagt integratie van genetica, hersenen, neurotransmitters, hormonen, omgeving en ontwikkeling.

35
New cards

Welke auteur/denker koppelde afwijkend gedrag al vroeg aan de hersenen?

Hippocrates. Hij stelde dat afwijkend gedrag en gevoel voortkwamen uit de werking van de hersenen en verzette zich daarmee tegen bovennatuurlijke verklaringen.

36
New cards

Wat stelde Descartes over lichaam en geest?

Descartes stelde dat de ziel in het hoofd zetelt, namelijk in de pijnappelklier. Dit droeg bij aan de discussie over de verhouding tussen lichaam en geest.

37
New cards

Welke bijdrage leverde Gall, ondanks de onwetenschappelijkheid van frenologie?

Gall droeg bij aan het idee dat specifieke hersengebieden gekoppeld kunnen zijn aan mentale functies en afwijkend gedrag.

38
New cards

Wat liet Broca’s casus zien?

Beschadiging van de linkerfrontaalkwab kan leiden tot Broca’s afasie: langzaam, slecht articulerend spreken in telegramstijl. Dit ondersteunt een verband tussen hersengebied en functie.

39
New cards

Wat lieten Fritsch en Hitzig zien?

Elektrische stimulatie van hersengebieden kan gecoördineerde bewegingen oproepen. Dit ondersteunde het idee dat hersenactiviteit samenhangt met gedrag.

40
New cards

Wat bedoelde Griesinger met psychische stoornissen als hersenziekten?

Hij benadrukte de betrokkenheid van hersenen bij psychische stoornissen, maar erkende ook dat psychologie en antropologie nodig blijven omdat niet al het gedrag volledig tot hersenprocessen kan worden gereduceerd.

41
New cards

Welke cijfers horen bij frontale lobotomie?

Tussen 1935 en 1955 werden tienduizenden psychiatrische patiënten behandeld met frontale lobotomie. Goed onderzoek ontbrak en de ingreep had veel bijwerkingen.

42
New cards

Welke cijfers horen bij concordantie?

Concordantie wordt uitgedrukt in een coëfficiënt tussen 0 en 1. Hoe hoger de coëfficiënt, hoe sterker de aanwijzing voor genetische bijdrage aan variantie in het kenmerk.

43
New cards

Wat is de uitzondering bij specifieke fobieën?

Specifieke fobieën komen in sommige families vaker voor, maar de concordantie bij eeneiige tweelingen is vrijwel even hoog als bij twee-eiige tweelingen. Dat suggereert weinig of beperkte genetische invloed.

44
New cards

Welke middelen kunnen via dopamineactiviteit hallucinaties uitlokken?

Amfetamine, cocaïne en L-dopa kunnen hallucinaties uitlokken doordat zij dopamineactiviteit beïnvloeden.

45
New cards

Waarom is depressie een goed voorbeeld van een interactieprobleem?

Depressie wordt gekoppeld aan genetische kwetsbaarheid, negatieve levensgebeurtenissen, verlaagd serotonineniveau, verminderde noradrenaline, verhoogd cortisol, hippocampale atrofie, prefrontale hypoactiviteit en verhoogde limbische activiteit.

46
New cards

Welke neurotransmitters zijn belangrijk in de klinische praktijk?

Glutamaat, GABA, dopamine, serotonine en noradrenaline.

47
New cards

Wat zijn de vijf factoren die synaptische overdracht beïnvloeden?

Hoeveelheid neurotransmitter in de synaptische spleet, blocking agents, remmende neuronen, neuronengevoeligheid en aantal receptoren op het postsynaptische neuron.

48
New cards

Welke drie processen bepalen de hoeveelheid neurotransmitter in de synaptische spleet?

Productie, katabolisme en heropname.

49
New cards

Wat is het verschil tussen hyperactiviteit en onderactiviteit van het limbische systeem?

Hyperactiviteit van de amygdala wordt gekoppeld aan angst, obsessieve-compulsieve stoornis, posttraumatische-stressstoornis, borderline-persoonlijkheidsstoornis, sociale-angststoornis en depressie. Onderactiviteit kan samenhangen met lage angstgevoeligheid, strafongevoeligheid en antisociaal of agressief gedrag.

50
New cards

Welke kenmerken horen bij het frontaal syndroom?

Ontremming, euforie, affectvervlakking, apathie, decorumverlies, oordeels- en kritiekstoornissen, gebrek aan ziekte-inzicht, overmatig eten en egocentrisch of kinderlijk gedrag.

51
New cards

Wat is het tentamenbelang van Phineas Gage?

De casus illustreert dat beschadiging van de frontaalkwabben kan samengaan met opvallende veranderingen in gedrag en persoonlijkheid, en is historisch belangrijk voor begrip van het frontaal syndroom.

52
New cards

Waarom is RDoC belangrijk naast DSM?

DSM classificeert stoornissen in categorieën; RDoC onderzoekt symptomen en onderliggende processen dimensioneel op een continuüm van normaal tot abnormaal en integreert neurobiologie, gedrag, ontwikkeling en genetica.