1/21
Zinnen
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Oggi vado in città con il mio amico.
Vandaag ga ik naar de stad met mijn vriend.
Ieri ho letto un libro interessante.
Gisteren heb ik een interessant boek gelezen.
Mangiamo spesso insieme in un piccolo ristorante.
We eten vaak samen in een klein restaurant.
Lavora in una grande azienda a Roma.
Zij werkt in een groot bedrijf in Rome.
Perché hai comprato quell’oggetto?
Waarom heb je dat object gekocht?
Non capisco bene la domanda.
Ik begrijp de vraag niet goed.
Ha comprato una macchina nuova la settimana scorso.
Hij heeft een nieuwe auto gekocht vorige week.
Parlo con quella persona di un problema importante.
Ik spreek met die persoon over een belangrijk probleem.
Dove abitano i tuoi genitori?
Waar wonen jouw ouders?
Ieri abbiamo camminato nel parco.
Gisteren hebben we in het park gewandeld.
Scrivo un’email al mio collega.
Ik schrijf een email aan mijn collega.
Hanno preso una decisione difficile.
ZIj hebben een moeilijke beslissing genomen.
Voglio imparare di più sulla cultura italiana.
Ik wil meer leren over de Italiaanse cultuur.
Hij komt altijd te laat op het werk.
Arriva sempre in ritardo al lavora.
Che cosa fai nel tuo tempo libero?
Wat doe je in je vrije tijd?
Abbiamo visto un film insieme al cinema.
We hebben samen een film gezien in de bioscoop..
Non ho mai fatto quel tipo di cose.
Ik heb nooit dat soort dingen gedaan.
Quando inizi il nuovo progetto?
Wanneer begin je met het nieuwe project?
Ho già visto quella persona una volta.
Ik heb die persoon al een keer gezien.
Perché non vieni alla festa stasera?
Waarom kom je niet naar het feest vanavond?
Restiamo a casa perché fa brutto tempo.
We blijven thuis omdat het slecht weer is.
Abbiamo lavorato in quell’edificio vecchio.
Wij hebben in dat oude gebouw gewerkt.