1/63
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
inbreeding
zorgt voor het homozygoot worden van alle kenmerken
—> minder/geen genetische variatie
Knock-out gen
gen dat volledig is uitgeschakeld
virale vector
gemodificeerd virus dat gebruikt wordt om genetisch materiaal binnen te brengen
transgeen dier
bevat ‘vreemd’ DNA (transgen) geïncorporeerd in het genoom van alle cellen (incluis de cellen die geslachtscellen vormen). Het transgen kan doorgegeven worden aan de nakomelingen.
technieken met bevruchte oöcyt (zygote)
zygote injectie
nuclear transfer
transgen ICSI
gene targetting (recent)
technieken met embryonale stamcellen (ES-cellen)
gene targeting
technieken met spermatogoniale cellen
gene targeting
technieken met zaadcellen
large scale mutagenese
transgen ICSI
technieken met induced pluripotent stem cells (IPSCs)
gene targeting
overexpressie
cDNA
kopie van het mRNA met alle intronen er al uitgeknipt. Dit is korter dan het volledige gen want anders kan je het (bijna) nooit in het plasmide krijgen omdat het te groot is.
poly-A
zorgt voor de poly-A-staart die voor terminatie zorgt
YAC (yeast artificial chromosome)
100-1000 kb
eventueel heel gen insteken
BAC (baterial artificial chromosome)
tot 400kb
procedure zygote injectie
je geeft muis 1 de hormonen PMS & hCG die zorgen voor superovulatie
koppeling
eicellen uit de eileider verwijderen (check copulatieplug!!)
injectie in de pronucleus
terugplaatsen in een pseudo-zwangere draagmoeder (=muis 2)
psuedo-zwangere muis:
gekoppeld met een gevasectomeerd mannetje
een muis koppelt enkel op het juiste moment in zijn 4à5 dag lange hormonale cyclus
copulatieplug zegt wanner we de zygote mogen implanteren
als het 2-cellige stadia bereikt is, weet je dat :
de zygote de injectie heeft overleeft
het bevrucht is
Founder
een ‘goede’ muis, bij inbreeding geeft die verschillende kolonies
verschillende founders hebben een ander genoom want inbreng van DNA is random
verschil transgeen en mutant dier
transgeen
= zowel het eigen als het mutant eiwit is aanwezig, er is overexpressie van het eiwit
Mutant
= normale hoeveelheid van het mutant eiwit is aanwezig, het eigen eiwit wordt niet aangemaakt
verschil chimere en mozaisce muis
chimeer
= een mengdier waarvan de cellen 2 verschillende genetische oorsprongen hebben
Mozaik
= een organisme met allemaal cellen met dezelfde genetische oorsprong waarvan een deel gemuteerd zijn en een deel niet
immunofluescente kleuring
eiwitten identificeren met een primair antilichaam. Dit AL kan dan herkent worden door een secundair antilichaam waar een fluofoor op bevestigd is.
heteroplasmie
binnen 1 cel zijn er meerdere varianten van het mitochondriaal DNA aanwezig tegelijkertijd
gene transfer
introductie van genetisch materiaal in een cel
gen therapie
introductie van genetisch materiaal in cellen (gen transfer) met als doel een ziekte te genezen
transformatie
gen transfer van DNA in een bacteriecel
transfectie
kunstmatige gen transfer van DNA in cellen
transductie
gen transfer via een virale vector
infectie
gene transfer via een virus (die aan replicatie kan doen)
plasmide
episomaal, circulair DNA in een bacterie
virus
drager om genetisch materiaal in te brengen en te repliceren (infectie)
provirus
geintegreerd viraal DNA in het gastgenoom
virale vector
drager om vreemd DNA in cellen te brengen zonder replicatie (transductie)
gene replacement
vervangen van een ziekte-oorzakende mutatie van gen met een gezonde versie
gene addition
introductie van een nieuw gen in de cellen (om tegen een ziekte vechten)
gene silencing
reduceren van het mutante gen dat niet deftig werkt (siRNA, shRNA, miRNA, … )
gene editing
KO of herschrijven van een slecht functionerend gen
in vivo delivery
rechtstreeks injecteren in het lichaam
ex vivo cell-based delivery
cellen uit het lichaam halen —> cellen modificeren —> terugplaatsen in lichaam (bv. in blood)
stabiele delivery
permanent gecorrigeerd = integratie in genoom
transient delivery
geen integratie = episomaal
de meeste cellen delen niet dus dan heeft het geen nut dat het integreert in het genoom
klinische fases
preklinische fase
fase 1: is het veilig ? testen op gezonde vrijwilligers
fase 2: werkt de potentiële medicatie bij een kleine groep patiënten ?
fase 3: grote groep van patiënten met een deel placebo. Heeft het een significant voordeel?
fase 4: opvolging van de patiënten
R’s of animal research
Reduction
Refinement : reduce suffering and stress
Replacement
functies stroma
signaling & communication
immune system regulation
tissue repair and regeneration
cancer microenvironment
metabolic support
wnt-signaling
Stamcelidentiteit behouden
—> wnt activeert de b catetine pathway
—> stimuleert expressie van stamcelgenen
—> zorgt voor zelfvernieuwing
—> onderdrukking van differentiatie
wat zijn organoiden ?
3D, zelf georganiseerd
in vitromodellen die in vivo weefselstructuren nabootsen
gekweekt uit stamcellen
differentiatie in 3 kiemlagen
mesoderm, ectoderm, endoderm
verschillende types stamcellen
TDC — tissue-derived cells (uit volwassen weefsel)
PSC — pluripotent stamcel
IPSC = geïnducerde pluripotente stamcellen, typisch uit fibroblast
ESC = embryonale stamcellen uit blastocyst
CSC — cancer stem cells
rol van het Extracellulaire matrix (ECM)
het ECM omringt de epitheelcellen in alle richtingen waardoor ze in alle dimensies groeien (3D)
structurele ondersteuning
integrines (=ECM receptor) op ephitheelcellen binden aan de ECM-eiwitten waardoor het epitheel verankerd is aan het ECM
groeifactoren
wnt: stamcelonderhoud
EGF: bevordert prolferatie
polarisatie van het epitheel
apicale zijde richting lumen
basale zijde richting ECM
matrixstijfheid en samenstelling om de ruimtelijke differentiatie te sturen
zacht = meer differentiatie
stijf = meer proliferatie & migratie
FGF
zorgt dat cellen blijven delen
—> ondersteunt proliferatie
—> bevordert morfogenese en organisatie
—> belangrijk voor differentiatie
HGF - hepatocyte growth factor
—> stimuleert celoverleving, proliferatie en migratie
—> beschermt stamcellen tegen apoptose en helpt bij weefselherstel
IGF - insulin-like growth factor
—> bevordert groei en overleven van cellen
—> activeert anti-apoptotische signalen
ROCK-inhibitoren (rho associated kinase inhibitors)
—> voorkomen apoptose
—> de overlevingskans tijdens kweek
BMP-remmers
—> voorkomen differentiatie
TGF-b-remmers
—> verhindert dat epitheliale cellen EMT (epithelial-to-mesechymal transition) ondergaan
Flow (shear stress)
= sterk regelbare laminaire stroom
microfluidische kanalen
continue perfusie mbv pompen
—> endotheelcellen oriënteren zich in stroomrichting
—> nabootsen bloedcirculatie
—> beinvloedt genexpressie en functie
Het geeft een meer realistisch en physiologisch model
mechanische strectch / compressie
met flexibel membraan en vacuüm kamers
—> stimulatie van bewegingen (bv. ademhaling long)
—> beweging van cellen beïnvloedt hun gedrag
stijfheid van de matrix
= hydrogels met regelbare stijfheid en verschillende biomaterialen
—> het heeft invloed op de cel functie
—> specifiek op cel differentiatie, proliferatie & migratie
zacht = hersenachtig
stijf = botachtig
Repeats (CRISPR)
30bp
zelfde sequentie
palindromic
vormen de stem-loop of hairpin wanneer ze naar RNA worden getransleerd
Spacers (CRISPR)
kleine segmenten van faag DNA
hebben elk een andere sequentie = molecular memories
cas proteins
capture fragments of phage DNA
measure and cut a precisely sized piece of DNA
PAM (protospacer adjacent motive)
herkenningsequentie voor het binden van het cas-eiwit om er op te binden en te knippen
niet aanwezig op de spacers = veiligheid om niet eigen DNA te knippen
recognition lobe (REC) in cas9
carries guide RNA
nuclease lobe (NUC)
2 blades om de 2 strands te knippen
werking cas9 (4 stappen)
PAM herkening
Base-pairing
complete binding
DAN target cleavage
Base-editing
= voor precise editing van single nucleotides
purine —> purine & pyrimidine —> pyrimidine
benodigheden:
gRNA
nCas9 (=nicase)
deaminase
+ handig voor puntmutaties
+ geen double-stranded break = minder riskant
- gelimiteerde mogelijkheden
- ongewenste off-target editing
Prime-editing
= voor puntmutaties (pyrimidine ←→ purine)
benodigdheden:
pegRNA
spacer
scaffold
RT template
PBS = primer binding site
nCas9
reverse transcriptase (RT)
NOG INVULLLEN !!!!

CRISPRa
activation
CRISPRi
interference