Alle begrippen economie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/192

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:14 AM on 8/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

193 Terms

1
New cards

finaal goed

een item dat door de finale of eindverbruiker gekocht wordt tijdens een bepaalde periode in de tijd

2
New cards

intermediair goed

een item dat door de ene onderneming geproduceerd wordt en door een andere onderneming aangekocht wordt om vervolgens te gebruiken als component van een finaal goed of dienst

3
New cards

kringloopmodel

geeft de transacties weer tussen huishoudens, bedrijven, de overheid en het buitenland

4
New cards

waardevermindering (depreciatie)

de vermindering in de kapitaalvoorraad die voortkomt uit slijtage, gebruik en veroudering 

5
New cards

bruto investeringen

de uitgaven voor de aankoop van nieuwe kapitaalgoederen en de vervanging van kapitaalgoederen die verminderd zijn in waarde

6
New cards

netto investeringen

de veranderingen in de kapitaalvoorraad

7
New cards

reële BBP

de waarde van finale goederen en diensten in een bepaald jaar wanneer deze aan de hand van constante prijzen berekend worden

8
New cards

nominaal BBP

de waarde van goederen of diensten die in één bepaald jaar geproduceerd worden gewaardeerd aan de prijzen van datzelfde jaar 

9
New cards

deflator

het gemiddelde van de prijzen van het huidige jaar uitgedrukt als een percentage van de prijzen in een bepaald basisjaar

10
New cards

prijsniveau

gemiddelde van de prijzen in een economie

11
New cards

recessie

een periode waarbij het reëel BBP daalt gedurende minstens twee opéénvolgende kwartalen

12
New cards

expansie

een periode waarbij het reëel BBP stijgt

13
New cards

beroepsbevolking

omvat alle personen van 15 jaar of ouder die in België wonen en die op 30 juni van een bepaald jaar op de arbeidsmarkt aan de slag zijn (werkenden) of willen aan de slag gaan (werklozen)

14
New cards

werkloosheidsgraad

het percentage van de beroepsbevolking dat werkloos is

15
New cards

participatiegraad

het percentage van de bevolking op arbeidsgerechtigde leeftijd dat deel uitmaakt van de beroepsbevolking t

16
New cards

tewerkstellingsgraad

het percentage aan mensen op arbeidsgerechtigde leeftijd die werk hebben

17
New cards

frictiewerkloosheid

werkloosheid die voorkomt uit de normale werking van de arbeidsmarkt (ouderen verlaten en jongeren treden toe tot de arbeidsmarkt) → normaal

18
New cards

structurele werkloosheid

werkloosheid die gecreëerd wordt door veranderingen in de technologie en buitenlands concurrentie waardoor andere vaardigheden en arbeid op een andere locatie gevraagd worden vb Ford

19
New cards

conjuncturele werkloosheid

de schommeling in werkloosheid veroorzaakt door de conjuctuurcyclus

20
New cards

volledige tewerkstelling

komt voor wnr er geen conjuncturele werkloosheid is of, gelijkaardig, wnr alle werkloosheid frictie- of structurele werkloosheid is

21
New cards

natuurlijke werkloosheidsgraad

de werkloosheidsgraad bij volledige tewerkstelling noemt men de natuurlijke werkloosheidsgraad

22
New cards

potentieel BBP

de hoeveelheid reëel BBP dat bij volledige werkgelegenheid geproduceerd kan worden

23
New cards

output gap

reële BBP - potentiële BBP

indien de output gup negatief is, is de werkloosheidsgraad groten dan de natuurlijke werkloosheidsgraad

24
New cards

inflatie

het aanhoudend stijgen van het algemeen prijspeil

<=> deflatie: daling

25
New cards

economische groei

LT-begrip, dat meestal wordt gemeten aan de hand van de groeivoet van het reële BBP

26
New cards

potentieel BBP

de hoeveelheid BBP die geproduceerd wordt wanneer de werkgelegenheid maximaal is en er dus een maximale hoeveelheid arbeid ter beschikken is/ aan de slag is

= de reële BBP die geproduceerd wordt bij een economie met 100% tewerkstelling

27
New cards

reële loon

het nominale loon gedeeld door het prijsniveau

28
New cards

arbeidsmarktequilibrium

evenwicht waarbij de gevraagde hoeveelheid arbeid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid arbeid en dit gestuurd door het reële loon

29
New cards

arbeidsproductiviteit

de hoeveelheid reëel BBP per gepresteerd arbeidsduur

30
New cards

klassieke groeitheorie

de visie dat de groei van het reëel BBP tijdelijk is, en dat wanneer het reëel BBP boven een bepaald niveau stijgt, een bevolkingsexplosie het reëel BBP per persoon reduceert tot een niveau overeenkomstig het basis levensonderhoud

31
New cards

neoklassieke groeitheorie

het reëel BBP per persoon groeit omdat technologische vooruitgang een niveau van sparen en investeren veroorzaken, dat de hoeveelheid kapitaalgoederen per arbeidsuur doet groeien

32
New cards

nieuwe groeitheorie

het reële BBP per persoon groeit omwille van keuzes die mensen maken bij het zoeken naar winst, en dat groei oneindig kan blijven voortduren

33
New cards

geld

om het even welk goed of teken dat wordt aanvaard als betalingsmiddel

3 andere functies:

  • medium dat uitwisseling van goederen en diensten mogelijk maakt

  • rekeneenheid

  • opslaan van waarde

34
New cards

repo’s 

liquiditeiten die verkregen worden door het tijdelijk verkopen van effecten 

35
New cards

cheque

een opdracht aan je bank om geld van je eigen rekening te transfereren naar een andere rekening

36
New cards

debetkaarten

maken het mogelijk om geld te transfereren van de enen naar de andere rekening

37
New cards

kredietkaarten

maken het de houder mogelijk om snel te lenen

38
New cards

financiële instelling

een bedrijf dat stortingen (deposito’s) aanneemt van huishoudens en bedrijven en leent aan andere huishoudens en bedrijven

39
New cards

commerciële bank

een privaat bedrijf, dat een licentie heeft om stortingen te aanvaarden en leningen aan te gaan

40
New cards

verplichte kasreservecoefficiënt

het minimum percentage van stortingen (deposito’s) dat een bank verplicht is om als reserve aan te houden

41
New cards

verplichte kapitaalratio

het minimum percentage van activa dat gefinancierd moet worden door de eigenaars van de bank

42
New cards

het aantal leningen en stortingen dat de bank kan creëren zijn gelimiteerd door 3 factoren

  • de monetaire basis

  • de gewenste (verplichte) reserves

  • de gewenste hoeveelheid chartaal geld dat aangehouden wordt

43
New cards

kasreservecoëfficiënt

het aandeel van de totale tegoeden van een bank die in reserve worden gehouden

44
New cards

wettelijk vereiste kasreservecoëfficiënt

het aandeel aan kasreserves die een bank dient te hebben en te houden

45
New cards

gewenste kasreservecoëfficiënt

de verhouding van de reserves tot de stortingen dat de bank veronderstelt als “voorzichtig/gewenst” om aan te houden

46
New cards

overtollige of vrije reserves

de werkelijke reserves vermindert met de gewenste reserves

47
New cards

cash afvloeiingsratio (currency drain ratio)

de verhouding van de cash tov de deposito’s

Hoe groter de cash afvloeiingsratio, hoe minder geld het banksysteem kan creëren

48
New cards

de hoeveelheid geld die huishoudens/bedrijven wensen aan te houden (en niet vast te zetten op langere termijn) is afhankelijk van 4 factoren

  • algemeen prijsniveau

  • nominale interestvoet → gevraagde hoeveelheid

  • reëel BBP

  • financiële innovatie

49
New cards

kwantiteitstheorie van geld

op lange termijn, een toename van de geldhoeveelheid zorgt voor een gelijke percentuele toename van het prijsniveau

50
New cards

omloopsnelheid

het gemiddeld aantal keren per jaar dat een euro gebruikt wordt om de goederen en diensten aan te kopen, die deel uitmaken van het BBP

51
New cards

aangeboden hoeveelheid aan reëel BBP

de hoeveelheid die bedrijven denken te produceren geduerende een bepaalde periode (gegeven tewerkstelling, fysisch en menselijk kapitaal, technologie)

52
New cards

aankoopplannen zijn afhankelijk van vele factoren oa:

  • het algemeen prijsniveau

  • verwachtingen

  • fiscaal en monetair beleid

  • de wereldeconomie

53
New cards

Fiscaal beleid

regeringen trachten de huidige toestand van de economie te beïnvloeden door veranderingen in de belastingen of andere tussenkomsten van de overheid zoals werkloosheidsuitkeringen en pensioenen aan te brengen

54
New cards

Monetair beleid

regeringen trachten de huidige toestand van de economie te beïnvloeden door veranderingen in interestvoeten en in de hoeveelheid geld in omloop aan te brengen

= een poging om inflatie te controleren en de conjunctuurcyclus te matigen door de geldhoeveelheid, de interestvoet en de wisselkoers te wijzigen

55
New cards

inflatie

proces waarbij het algemeen prijsniveau stijgt en het geld waarde verliest

56
New cards

economische groei

continue toename in het potentieel BBP

57
New cards

Conjunctuurcyclus

doet zich voor doordat de geaggregeerde vraag en het KT geaggregeerd aanbod schommelen en de nominale loontarieven niet snel genoeg veranderen om het reëel BBP op het niveau van potentieel BBP te houden

58
New cards

inflatie gap

de afstand tussen potentieel en reëel BBP waarbij het reëel BBP hoger dan het potentieel BBP ligt

evenwicht boven volledige tewerkstelling

59
New cards

recessie gap

de afstand tussen potentieel en reëel BBP waarbij het reëel BBP lager dan het potentieel BBP ligt

evenwicht beneden volledige tewerkstelling

60
New cards

stagflatie

een recessie gecombineerd met inflatie

als reëel BBP daalt en het prijsniveau stijgt

61
New cards

kosteninflatie

een inflatie die het gevolg is van een initiële stijging in de kosten

62
New cards

stroom

hoeveelheid per tijdsenheid

63
New cards

voorraad

hoeveelheid die bestaat op een gegeven moment in de tijd

64
New cards

rijkdom

de waarde van alle goederen die mensen bezitten, is een voorraad

veranderingen in spaargelden zijn stromen die veranderingen in rijkdom veroorzaken

65
New cards

kapitaal

omvat het productie-aparaat, de installatie, de stock aan ruwe en half afgewerkte materialen die gebruikt worden om andere goederen of diensten te maken, hetgeen deel uitmaakt van de voorraad aan kapitaal

66
New cards

geldaanbod

de relatie tussen de aangeboden geldhoeveelheid (MS) en de interestvoet waarbij alle andere factoren met een invloed op de geldhoeveelheid gecreëerd door het bankensysteem gelijk blijven

67
New cards

Bestedingsinflatie

een inflatie die het gevolg is van een initiële verhoging in de geaggregeerde vraag

Bestedingsinflatie kan het gevolg zijn van om het even welke factor die de geaggregeerde vraag (AD) beïnvloedt:

  • stijging in geldhoeveelheid

  • stijging in overheidsuitgaven

  • stijging in export

68
New cards

kosteninflatie

een inflatie die het gevolg is van een initiële stijging in de kosten

2 belangrijke bronnen van kostenstijgingen

  • lonen stijgen

  • grondstoffen stijgen

69
New cards

de KT Phillips Curv

toont de relatie tussen het inflatiepercentage en de werkloosheidsgraad, waarbij:

  • verwachte inflatie

  • natuurlijke werkloosheidsgraad

constant worden verondersteld

70
New cards

de LT Phillips curve

toont de relatie tussen inflatie en werkloosheid, wanneer het werkelijke inflatiepercentage gelijk is aan het verwachte inflatiepercentage

71
New cards

verandering in productiviteit veroorzaakt twee effecten

  • verandering in de vraag naar investeringen

  • verandering in de vraag naar arbeid

72
New cards

centrale bank

de publieke instelling die

  • bankdiensten aan overheden en commerciële/particuliere banken aanbiedt,

  • financiële instituten en markten controleert en reguleert en

  • het monetaire beleid uitvoert

73
New cards

functie vne de centrale bank

  • bank van de overheid

  • bank voor de banken

  • lener in laatste instantie aan commerciële banken

  • regulator van banken

  • uitstippelen van monetair beleid

74
New cards

4-tal instrumenten van de CB

  • kredietpolitiek tav commerciële banken

  • reservecoëfficiënt

  • openmarktbeleid

  • forward guidance

75
New cards

openmarktoperatie

de aankoop of verkoop van overheidspapier door de CB in een open markt

76
New cards

nominale interestvoet

het percentage opbrengst op financiële activia zoals een obligatie, uitgedrukt in geldtermen

= de opportuniteitskost voor het bijhouden van geld

77
New cards

reële interestvoet

het percentage opbrengst op financiële activa zoals een obligatie, uitgedrukt in wat met deze opbrengst zou kunnen gekocht worden

= de opportuniteitskost voor het uitgeven van geld

78
New cards

Schaarste

onze onmogelijkheid om al onze behoeften te voldoen

79
New cards

stimulans

een beloning zijn om een actie aan te moedigen, of een bestraffing om een actie te ontmoedigen

80
New cards

economie

sociale wetenschap die de keuzes bestudeert die mensen, ondernemingen, overheden en de ganse maatschappij maken, wanneer zij geconfronteerd worden met schaarste en met stimuli die hun keuzes beïnvloeden

81
New cards

micro-economie

studie van de keuzes die individuen en ondernemingen maken

gaat over hoe deze keuzes interageren in markten, en de invloed van overheden en beleidsmaatregelen op de keuzes die gemaakt worden

82
New cards

macro-economie

studie van de effecten van de gemaakte keuzes op de nationale en globale economie

83
New cards

goederen en diensten

de zaken die mensen waarderen en produceren om aan hun behoeften en wensen te voldoen

84
New cards

marginale opbrengst

baten van het nastreven van een toename van een activiteit

= de verandering in totale opbrengst die voortkomt uit één eenheidsverhoging van de verkochte hoeveelheid

85
New cards

marginale kost

(opportuniteits)kost van het nastreven van een toename van een activiteit

86
New cards

marginale kost van een goed of dienst

de opportuniteitskost om 1 eenheid meer van dit goed of deze dienst mate produceren

87
New cards

marginale opbrengst (of marginaal nut) van een goed

het ontvangen voordeel bij de consumptie van 1 bijkomende eenheid hiervan

88
New cards

vergelijkend voordeel, ook comparatief voordeel

als hij de activiteit kan uitvoeren aan een lagere oppotuniteitskost in vergelijking met gelijk wie ander

89
New cards

competitieve markt

een markt met veel kopers en verkopers zodat geen enkele individuele koper of verkoper de prijs kan beïnvloeden

90
New cards

relatieve prijs van een goed

de ratio van de geldelijke prijs van het goed en deze van het beste alternatief

is de opportuniteitskost van dat goed

91
New cards

behoeften

de ongelimiteerde verlangens of wensen van mensen naar bepaalde goederen en diensten

92
New cards

de gevraagde hoeveelheid van een goed of dienst

de hoeveelheid die verbruikers van plan zijn te kopen op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijdspanne tegen een bepaalde prijs

93
New cards

vraagcurve

de relatie weer tussen de gevraagde hoeveelheid van een goed en zijn prijs wanneer alle andere invloeden op de geplande aankopen van de consumenten gelijk blijven

94
New cards

substitutiegoed

een goed dat kan gebruikt worden in de plaats van een anders goed vb koffie ipv energiedrank

95
New cards

complementair goed

een goed dat gebruikt wordt in combinatie met een ander goed vb melk bij de koffie

96
New cards

normaal goed

de vraag stijgt als het inkomen stijgt

97
New cards

inferieur goed

de vraag daalt als het inkomen stijgt

98
New cards

aangeboden hoeveelheid

de hoeveelheid die produceren van plan zijn te verkopen gedurende een bepaalde periode aan een welbepaalde prijs

99
New cards

aanbodcurve

de relatie tussen de aangeboden hoeveelheid van een goed en zijn prijs weer wanneer alle andere invloeden op de geplande verkoop door producenten gelijk blijven

100
New cards

evenwichtprijs

prijs waarbij de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid gelijk zijn