1/192
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
finaal goed
een item dat door de finale of eindverbruiker gekocht wordt tijdens een bepaalde periode in de tijd
intermediair goed
een item dat door de ene onderneming geproduceerd wordt en door een andere onderneming aangekocht wordt om vervolgens te gebruiken als component van een finaal goed of dienst
kringloopmodel
geeft de transacties weer tussen huishoudens, bedrijven, de overheid en het buitenland
waardevermindering (depreciatie)
de vermindering in de kapitaalvoorraad die voortkomt uit slijtage, gebruik en veroudering
bruto investeringen
de uitgaven voor de aankoop van nieuwe kapitaalgoederen en de vervanging van kapitaalgoederen die verminderd zijn in waarde
netto investeringen
de veranderingen in de kapitaalvoorraad
reële BBP
de waarde van finale goederen en diensten in een bepaald jaar wanneer deze aan de hand van constante prijzen berekend worden
nominaal BBP
de waarde van goederen of diensten die in één bepaald jaar geproduceerd worden gewaardeerd aan de prijzen van datzelfde jaar
deflator
het gemiddelde van de prijzen van het huidige jaar uitgedrukt als een percentage van de prijzen in een bepaald basisjaar
prijsniveau
gemiddelde van de prijzen in een economie
recessie
een periode waarbij het reëel BBP daalt gedurende minstens twee opéénvolgende kwartalen
expansie
een periode waarbij het reëel BBP stijgt
beroepsbevolking
omvat alle personen van 15 jaar of ouder die in België wonen en die op 30 juni van een bepaald jaar op de arbeidsmarkt aan de slag zijn (werkenden) of willen aan de slag gaan (werklozen)
werkloosheidsgraad
het percentage van de beroepsbevolking dat werkloos is
participatiegraad
het percentage van de bevolking op arbeidsgerechtigde leeftijd dat deel uitmaakt van de beroepsbevolking t
tewerkstellingsgraad
het percentage aan mensen op arbeidsgerechtigde leeftijd die werk hebben
frictiewerkloosheid
werkloosheid die voorkomt uit de normale werking van de arbeidsmarkt (ouderen verlaten en jongeren treden toe tot de arbeidsmarkt) → normaal
structurele werkloosheid
werkloosheid die gecreëerd wordt door veranderingen in de technologie en buitenlands concurrentie waardoor andere vaardigheden en arbeid op een andere locatie gevraagd worden vb Ford
conjuncturele werkloosheid
de schommeling in werkloosheid veroorzaakt door de conjuctuurcyclus
volledige tewerkstelling
komt voor wnr er geen conjuncturele werkloosheid is of, gelijkaardig, wnr alle werkloosheid frictie- of structurele werkloosheid is
natuurlijke werkloosheidsgraad
de werkloosheidsgraad bij volledige tewerkstelling noemt men de natuurlijke werkloosheidsgraad
potentieel BBP
de hoeveelheid reëel BBP dat bij volledige werkgelegenheid geproduceerd kan worden
output gap
reële BBP - potentiële BBP
indien de output gup negatief is, is de werkloosheidsgraad groten dan de natuurlijke werkloosheidsgraad
inflatie
het aanhoudend stijgen van het algemeen prijspeil
<=> deflatie: daling
economische groei
LT-begrip, dat meestal wordt gemeten aan de hand van de groeivoet van het reële BBP
potentieel BBP
de hoeveelheid BBP die geproduceerd wordt wanneer de werkgelegenheid maximaal is en er dus een maximale hoeveelheid arbeid ter beschikken is/ aan de slag is
= de reële BBP die geproduceerd wordt bij een economie met 100% tewerkstelling
reële loon
het nominale loon gedeeld door het prijsniveau
arbeidsmarktequilibrium
evenwicht waarbij de gevraagde hoeveelheid arbeid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid arbeid en dit gestuurd door het reële loon
arbeidsproductiviteit
de hoeveelheid reëel BBP per gepresteerd arbeidsduur
klassieke groeitheorie
de visie dat de groei van het reëel BBP tijdelijk is, en dat wanneer het reëel BBP boven een bepaald niveau stijgt, een bevolkingsexplosie het reëel BBP per persoon reduceert tot een niveau overeenkomstig het basis levensonderhoud
neoklassieke groeitheorie
het reëel BBP per persoon groeit omdat technologische vooruitgang een niveau van sparen en investeren veroorzaken, dat de hoeveelheid kapitaalgoederen per arbeidsuur doet groeien
nieuwe groeitheorie
het reële BBP per persoon groeit omwille van keuzes die mensen maken bij het zoeken naar winst, en dat groei oneindig kan blijven voortduren
geld
om het even welk goed of teken dat wordt aanvaard als betalingsmiddel
3 andere functies:
medium dat uitwisseling van goederen en diensten mogelijk maakt
rekeneenheid
opslaan van waarde
repo’s
liquiditeiten die verkregen worden door het tijdelijk verkopen van effecten
cheque
een opdracht aan je bank om geld van je eigen rekening te transfereren naar een andere rekening
debetkaarten
maken het mogelijk om geld te transfereren van de enen naar de andere rekening
kredietkaarten
maken het de houder mogelijk om snel te lenen
financiële instelling
een bedrijf dat stortingen (deposito’s) aanneemt van huishoudens en bedrijven en leent aan andere huishoudens en bedrijven
commerciële bank
een privaat bedrijf, dat een licentie heeft om stortingen te aanvaarden en leningen aan te gaan
verplichte kasreservecoefficiënt
het minimum percentage van stortingen (deposito’s) dat een bank verplicht is om als reserve aan te houden
verplichte kapitaalratio
het minimum percentage van activa dat gefinancierd moet worden door de eigenaars van de bank
het aantal leningen en stortingen dat de bank kan creëren zijn gelimiteerd door 3 factoren
de monetaire basis
de gewenste (verplichte) reserves
de gewenste hoeveelheid chartaal geld dat aangehouden wordt
kasreservecoëfficiënt
het aandeel van de totale tegoeden van een bank die in reserve worden gehouden
wettelijk vereiste kasreservecoëfficiënt
het aandeel aan kasreserves die een bank dient te hebben en te houden
gewenste kasreservecoëfficiënt
de verhouding van de reserves tot de stortingen dat de bank veronderstelt als “voorzichtig/gewenst” om aan te houden
overtollige of vrije reserves
de werkelijke reserves vermindert met de gewenste reserves
cash afvloeiingsratio (currency drain ratio)
de verhouding van de cash tov de deposito’s
Hoe groter de cash afvloeiingsratio, hoe minder geld het banksysteem kan creëren
de hoeveelheid geld die huishoudens/bedrijven wensen aan te houden (en niet vast te zetten op langere termijn) is afhankelijk van 4 factoren
algemeen prijsniveau
nominale interestvoet → gevraagde hoeveelheid
reëel BBP
financiële innovatie
kwantiteitstheorie van geld
op lange termijn, een toename van de geldhoeveelheid zorgt voor een gelijke percentuele toename van het prijsniveau
omloopsnelheid
het gemiddeld aantal keren per jaar dat een euro gebruikt wordt om de goederen en diensten aan te kopen, die deel uitmaken van het BBP
aangeboden hoeveelheid aan reëel BBP
de hoeveelheid die bedrijven denken te produceren geduerende een bepaalde periode (gegeven tewerkstelling, fysisch en menselijk kapitaal, technologie)
aankoopplannen zijn afhankelijk van vele factoren oa:
het algemeen prijsniveau
verwachtingen
fiscaal en monetair beleid
de wereldeconomie
Fiscaal beleid
regeringen trachten de huidige toestand van de economie te beïnvloeden door veranderingen in de belastingen of andere tussenkomsten van de overheid zoals werkloosheidsuitkeringen en pensioenen aan te brengen
Monetair beleid
regeringen trachten de huidige toestand van de economie te beïnvloeden door veranderingen in interestvoeten en in de hoeveelheid geld in omloop aan te brengen
= een poging om inflatie te controleren en de conjunctuurcyclus te matigen door de geldhoeveelheid, de interestvoet en de wisselkoers te wijzigen
inflatie
proces waarbij het algemeen prijsniveau stijgt en het geld waarde verliest
economische groei
continue toename in het potentieel BBP
Conjunctuurcyclus
doet zich voor doordat de geaggregeerde vraag en het KT geaggregeerd aanbod schommelen en de nominale loontarieven niet snel genoeg veranderen om het reëel BBP op het niveau van potentieel BBP te houden
inflatie gap
de afstand tussen potentieel en reëel BBP waarbij het reëel BBP hoger dan het potentieel BBP ligt
evenwicht boven volledige tewerkstelling
recessie gap
de afstand tussen potentieel en reëel BBP waarbij het reëel BBP lager dan het potentieel BBP ligt
evenwicht beneden volledige tewerkstelling
stagflatie
een recessie gecombineerd met inflatie
als reëel BBP daalt en het prijsniveau stijgt
kosteninflatie
een inflatie die het gevolg is van een initiële stijging in de kosten
stroom
hoeveelheid per tijdsenheid
voorraad
hoeveelheid die bestaat op een gegeven moment in de tijd
rijkdom
de waarde van alle goederen die mensen bezitten, is een voorraad
veranderingen in spaargelden zijn stromen die veranderingen in rijkdom veroorzaken
kapitaal
omvat het productie-aparaat, de installatie, de stock aan ruwe en half afgewerkte materialen die gebruikt worden om andere goederen of diensten te maken, hetgeen deel uitmaakt van de voorraad aan kapitaal
geldaanbod
de relatie tussen de aangeboden geldhoeveelheid (MS) en de interestvoet waarbij alle andere factoren met een invloed op de geldhoeveelheid gecreëerd door het bankensysteem gelijk blijven
Bestedingsinflatie
een inflatie die het gevolg is van een initiële verhoging in de geaggregeerde vraag
Bestedingsinflatie kan het gevolg zijn van om het even welke factor die de geaggregeerde vraag (AD) beïnvloedt:
stijging in geldhoeveelheid
stijging in overheidsuitgaven
stijging in export
kosteninflatie
een inflatie die het gevolg is van een initiële stijging in de kosten
2 belangrijke bronnen van kostenstijgingen
lonen stijgen
grondstoffen stijgen
de KT Phillips Curv
toont de relatie tussen het inflatiepercentage en de werkloosheidsgraad, waarbij:
verwachte inflatie
natuurlijke werkloosheidsgraad
constant worden verondersteld
de LT Phillips curve
toont de relatie tussen inflatie en werkloosheid, wanneer het werkelijke inflatiepercentage gelijk is aan het verwachte inflatiepercentage
verandering in productiviteit veroorzaakt twee effecten
verandering in de vraag naar investeringen
verandering in de vraag naar arbeid
centrale bank
de publieke instelling die
bankdiensten aan overheden en commerciële/particuliere banken aanbiedt,
financiële instituten en markten controleert en reguleert en
het monetaire beleid uitvoert
functie vne de centrale bank
bank van de overheid
bank voor de banken
lener in laatste instantie aan commerciële banken
regulator van banken
uitstippelen van monetair beleid
4-tal instrumenten van de CB
kredietpolitiek tav commerciële banken
reservecoëfficiënt
openmarktbeleid
forward guidance
openmarktoperatie
de aankoop of verkoop van overheidspapier door de CB in een open markt
nominale interestvoet
het percentage opbrengst op financiële activia zoals een obligatie, uitgedrukt in geldtermen
= de opportuniteitskost voor het bijhouden van geld
reële interestvoet
het percentage opbrengst op financiële activa zoals een obligatie, uitgedrukt in wat met deze opbrengst zou kunnen gekocht worden
= de opportuniteitskost voor het uitgeven van geld
Schaarste
onze onmogelijkheid om al onze behoeften te voldoen
stimulans
een beloning zijn om een actie aan te moedigen, of een bestraffing om een actie te ontmoedigen
economie
sociale wetenschap die de keuzes bestudeert die mensen, ondernemingen, overheden en de ganse maatschappij maken, wanneer zij geconfronteerd worden met schaarste en met stimuli die hun keuzes beïnvloeden
micro-economie
studie van de keuzes die individuen en ondernemingen maken
gaat over hoe deze keuzes interageren in markten, en de invloed van overheden en beleidsmaatregelen op de keuzes die gemaakt worden
macro-economie
studie van de effecten van de gemaakte keuzes op de nationale en globale economie
goederen en diensten
de zaken die mensen waarderen en produceren om aan hun behoeften en wensen te voldoen
marginale opbrengst
baten van het nastreven van een toename van een activiteit
= de verandering in totale opbrengst die voortkomt uit één eenheidsverhoging van de verkochte hoeveelheid
marginale kost
(opportuniteits)kost van het nastreven van een toename van een activiteit
marginale kost van een goed of dienst
de opportuniteitskost om 1 eenheid meer van dit goed of deze dienst mate produceren
marginale opbrengst (of marginaal nut) van een goed
het ontvangen voordeel bij de consumptie van 1 bijkomende eenheid hiervan
vergelijkend voordeel, ook comparatief voordeel
als hij de activiteit kan uitvoeren aan een lagere oppotuniteitskost in vergelijking met gelijk wie ander
competitieve markt
een markt met veel kopers en verkopers zodat geen enkele individuele koper of verkoper de prijs kan beïnvloeden
relatieve prijs van een goed
de ratio van de geldelijke prijs van het goed en deze van het beste alternatief
is de opportuniteitskost van dat goed
behoeften
de ongelimiteerde verlangens of wensen van mensen naar bepaalde goederen en diensten
de gevraagde hoeveelheid van een goed of dienst
de hoeveelheid die verbruikers van plan zijn te kopen op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijdspanne tegen een bepaalde prijs
vraagcurve
de relatie weer tussen de gevraagde hoeveelheid van een goed en zijn prijs wanneer alle andere invloeden op de geplande aankopen van de consumenten gelijk blijven
substitutiegoed
een goed dat kan gebruikt worden in de plaats van een anders goed vb koffie ipv energiedrank
complementair goed
een goed dat gebruikt wordt in combinatie met een ander goed vb melk bij de koffie
normaal goed
de vraag stijgt als het inkomen stijgt
inferieur goed
de vraag daalt als het inkomen stijgt
aangeboden hoeveelheid
de hoeveelheid die produceren van plan zijn te verkopen gedurende een bepaalde periode aan een welbepaalde prijs
aanbodcurve
de relatie tussen de aangeboden hoeveelheid van een goed en zijn prijs weer wanneer alle andere invloeden op de geplande verkoop door producenten gelijk blijven
evenwichtprijs
prijs waarbij de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid gelijk zijn