thema 3 - alles 2

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/92

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 7:02 PM on 7/2/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

93 Terms

1
New cards

hydronefrose

verwijding van pyelum en nierkelken als gevolg van obstructie in urineafvoer

  • echo: nierbekken (pyelum) en nierkelkjes verwijd zichtbaar

  • bij langdurge opstructie kan nier groter worden

  • obstructie kan in ureter, thv blaasuitgang of in urethra zitten

  • oudere mannen = subcesicale obstructie door benigne prostaathyperplasie (BPH) meest voorkomende oorzaak

2
New cards

kleine nieren

  • belangrijk teken van chronische nierziekten

  • schade onstaat: fibrose, verlies nefronen, corticale atrofie

  • wijzen op irreversibel proces dat langere tijd bestaat

  • kenmerken:

    • langzaam stijgende creatinine

    • proteinurie

    • afwezigheid actief urinesediment

      • verkleinde nieren op echo

3
New cards

kenmerken voor ADPKD

  • progressieve vroming van talrijke niercysten

  • toename niergrootte

  • hypertensie

  • hematurie

  • buikomvang neemt toe

  • uiteindelijk nierfunctieverlies

4
New cards

autosomaal dominante polycysteuze nierziekte (ADPKD)

  • meest voorkomende erfelijke cystenierziekte

  • echo: meerdere cysten zichtbaar met verschillende afmetingen en echogeniciteiten

  • belangrijke oorzaak van vergrote nieren

5
New cards

uretersteen

veroorzaakt obstructie van urineafvoer

  • onstaat: koliekpijn, hematurie, soms hydronefrose

  • diagnostiek: CT-abdomen

    • steen zichtbaar als hyperdens concrement

6
New cards

renovasculaire hypertensie

onstaat door vernauwing van nierarterie (nierarteriestenose)

  • gevolgen

    • verminderde nierdoorbloeding

    • activatie van RAAS

    • ernstige hypertensie

    • uiteindelijk verkleining aangedane nier

  • oorzaken: atherosclerose (meest voorkomend oudere pt’s) of fibromusculaire dysplasie (vaker jongere vrouwen)

  • verdenking op nierateriestenose = ACE-remmers voorzichtig gebruikt - kan nierfucite verslechteren bij signifcante stenosen

7
New cards

nierinfarct

onstaat door acute afsluiting van een nierarterie/vertakking daarvan

  • belangrijke kenmerken: acute flankpijn, hematurie, verhoogde LDH, vaak embolische bron, bv atriumfibrilleren

  • CT met contrast: wigvorming gebied zonder constrastopname passend bij ischemie

8
New cards

nierbiopsie

  • dunne naald een klein stukje niercortex verkrijgen voor microscopisch onderzoek

  • maak mogelijk specifieke nierziekten te diagnostiseren en resopons op behandeling te beoordelen

9
New cards

immuunsysteem

  • kerntaak: beschermen van lichaam tegen pathogenen (bac, virus)

  • immuuncellen ontwikkelen in primaire lymfoide organen: beenmerg + thymus

  • meeste immuunreacteis vinden plaats in secundaire lymfoide organen: milt + lymfeklieren

  • schade/onsteking → immuuncellen verplaatsen naar perifere organen; bv nier

  • 2 soorten immuunsystemen: aangeboren (innate) en adaptieve

10
New cards

aangeboren (innate) immuniteit

vanaf geboorte aanwezig en omvat onder andere macrofagen, granulocyten, NK-cellen, complementfactoren en cytokinen

  • deze reageren snel en aspecifiek op infecties

11
New cards

adaptieve immuniteit

ontwikkeld gedurende leven op basis van blootstelling aan pathogenen en bestaat uit T-cellen, B-cellen en antilichamen

  • respons is specifiek en beschikt over immunologisch geheugen

12
New cards

zelf-herkkenning en rol van MHC/HLA

  • immuunsysteem heeft vermogen om ‘zelf’ en ‘niet-zelf’ te onderscheiden

  • hierbij spelen MHC-moleculen (bij mensen HLA) een rol

    • HLA presenteren kleine peptidefragmenten aan T-cellen

    • de peptiden fungeren als soort moleculaire handtekening van intracellulaire of extracellulaire eiwitten

    • als T-cellen lichaamsvreemde peptiden herkenen → activatie + immuunrespons

    • tegerlijk ontstaat immunoligsch geheugen → volgende blootstelling snellere + krachtigere reactie

  • 2 soorten MHC, nm: MHC klasse 1 en MHC klasse 2

  • essentieel voor antigeenspecifieke activatie van T-cellen

  • zonder peptidepresentatie = geen effectieve adaptieve immuunrespons

13
New cards

MHC klasse 1

  • komt voor op vrijwel elke kernhoudende cel

  • bestaan uit 1 variabel keten gekoppeld aan beta-2-microglobuline

  • presenteren korte peptiden (meestal 9 aminozuren lang, afkomstig van intracellulaire eiwitten, bv viraal)

  • presenteren aan CD8-positieve cytotoxische T-cel (zal geinfecteerde cel vernietigen)

14
New cards

MHC klasse 2

  • zit alleen op professionele antigeenpresenterende cellen; dendritische cellen, macrofagen en B-cellen

  • bestaan uit 2 ketens

  • presenteren lange peptide afkomstig van extracellulaire eiwitten die door de cel zijn opgenomen

  • stimuleert CD4-positieve helper T-cellen → coordineren onderdelen in immuunsysteem

15
New cards

polymorfisme van HLA en transplantatiebarriere

  • HLA-genen zijn sterk polymorf = enorm genetische variatie van MHC-moleculen in menselijke populatie

  • evolutionair voordeel: verschillende individuen kunnen verschillende pathogenen herkennen = populatie in geheel beter beschermt

  • vormt een transplantatiebarriere → donor en ontvanger vaak verschillende HLA-profielen → donorweefsel door immuunsysteem van ontvanger als lichaamsvreemd gezien → activatie T-cellen → afstoting (tenzij immunosuppressieve therapie)

16
New cards

onderscheiden niet-zelf van zelf en MHC

  • MHC maakt geen onderscheid tussen lichaamseigen en lichaamsvreemde peptiden → zij presenteren beide typen peptiden zonder discriminatie

  • onderscheidt wordt gemaakt door T-cellen en mechanismen van immuuntolerantie

17
New cards

1 MHC-molecuul kan vele verschillende peptide presenteren doordat

slechts enkele zogenaamde ‘anchor residues’ bepalen zijn voor de binding in de peptidegroeve

  • elk individu eeft slechts 2 kopieen van elk HLA-gen → hierdoor is aantal MHC-moleculen beperkt = dus opgelost met dit systeem

<p>slechts enkele zogenaamde ‘anchor residues’ bepalen zijn voor de binding in de peptidegroeve</p><ul><li><p>elk individu eeft slechts 2 kopieen van elk HLA-gen → hierdoor is aantal MHC-moleculen beperkt = dus opgelost met dit systeem</p></li></ul><p></p>
18
New cards

humorale immuunsysteem

  • vormt essentieel onderdeel van adaptieve afweer

  • bestaat voornamelijk uit B-cellen en de antilichamen die ze produceren

  • B-cellen ontwikkelen in beenmerg en dragen op hun oppervlak een B-celreceptor (BCR)

    • deze receptor is een membraangebonden vorm van een antilichaam

    • bestaat uit een constant gedeelte (verankerd in celmembraan) en 2 variabele uiteinden die voor antigeenherkenning zorgen

  • BCR variabiliteit bevind zich niet op populatieniveau (net als MHC/HLA) maar binnen individu zelf

    • iedere B-cel bezit nm 1 unieke specificiteit → gezamelijk kan individu hierdoor tot 1 miljard verschillende specificiteiten genereren

19
New cards

ontstaan van receptorvariatie (Bcel)

  • onstaat vaak via recombinatie van verschillende gensegmenten: V (variabel), D (diversity) en C (constant)

  • tijdens ontwikkeling van B cellen worden willekeurige combis van deze segmenten samengevoegd tot functioneel gen

  • vooral variablele in regio’s van de receptor worden hierdoor uiterst divers

    • dit mechanisme maakt mogelijk dat immuunsysteem vrijwel onbeperkt verschillende antigenen kan herkennen

20
New cards

antigeen

iedere stof die een adaptieve immuunrespons kan opweken

  • specifieke deel van antigeeen dat door receptor wordt herkent heet epitoop

    • hierbij is fundamenteel verschil tussen T-cellen en B-cellen

    • T cel = herkent peptiden die gepresenteerd worden door lichaamseigen MHC-moleculen

    • B cel = herkennen intacte antigenen rechtstreeks, zonder MHC-presentatie

      • epitopen die door b cellen worden herkent zijn lineair (opeenvolgende aminozuren) of discontinue/conformationeel (ruimtelijke structuur van eiwit bepalend)

21
New cards

activatie van B-cellen en productie van antilichamen

  • als BCR bindt aan specifiek antigeen → activatie van B-cel → cel gaat proliereren + differentieren tot plasmacel

  • plasmacellen functioneren als gespecialiseerde ‘antigeenfabrieken’ en kunnen duizenden antilichamen per sec produceren

  • ze migreren uiteindelijk terug naar beenmerg → vind langdurge productie van antilichamen plaats

  • geproduceerde antilichamen behouden exact dezelfde specificiteit als oorspronkelijke BCR

    • variabele regio van antilichaaam bindt antigeen

    • constante regio (Fc-gedeelte) → verantwoordelijk voor effectorfunctie van antilichaam

22
New cards

antilichaam-isotypen en effectorfunctie

  • constante deel van antilichaam heeft verschillende variaties (zogenaamde isotypen); IgG1-4, IgM, IgA, IgD en IgE

    • verschillen in weefseldistributie en biologische functie

    • functies overlappen wel deels, vervullen alle een specifieke rol binnen imuunrespons

  • belangrijke effectormechanisme van antilichamen

    • neutralisatie antigenen

    • antibody-dependent cellular cytotocity (ADCC)

    • complement-dependent cytotoxic (CDC)

  • deze mechanisme maken mogelijk om pathogenen of lichaamsvreemde cellen effectief te elimineren

23
New cards

immunologisch geheugen

  • na bloodstelling aan een antigeen onstaat niet alleen plasmacellen, maar ook geheugen-B-cellen → hierdoor blijven specifieke antilichamen circuleren in bloed (= serologisch geheugen) + immuunsysteem bij hernieuwede blootstelling sneller en krachtiger reageren

  • primair immuunrespons verloopt relatief traag + beperkt, secundair geheugenrespons is snel en intens → beetje iets als immuunsysteem trainen

24
New cards

transplantaatafstoting

  • snelle en krachtige antilichaamrespons tegen donororgaan, die onstaat doordat pt gesensitiseerd is tegen bepaalde HLA- of bloedgroepantigenen

    • kan bv door eerdere transplantaties, zwangerschap of bloedtransfusies

  • antilichamen in transplantatie zijn voornamelijk gericht tegen mismatch in bloedgroepantigenen of HLA-weefselantigenen

  • aanwezigheid van bestaande geheugen-B-cellen en circulerende antilichame vormt een belangrijke immunologische barriere voor succesvolle transplantatie

25
New cards

normale glucoseregulatie en onstaan diabetes

  • glucosehomeostase geregeld door darm, lever, pancreas, spier en vetweefsel

  • na inname glucose stijgt bloedglucosespiegel → beta-cellen in einlandjes van Langerhans gaan insuline afscheiden

  • insuline remt glucoseproductie van lever + stimuleert opname glucose in perifere weefsel, met name spier/vetweefsel = glucosespiegel binnnen nauwe grenzen houden

  • bij obesitas en lichamelijke inactiviteit → insulineresistentie: perifere weefsels reageren minder gevoelig op insuline, terwijl de lever juist meer glucose produceert

  • om normoglycemie te houden → pancreas insulineproductie verhogen → als compensatie tekortschiet = hyperglykemie → DM

26
New cards

type 1-diabetes

veroorzaakt door auto-immuundestructie van beta-cellen, waardoor absoluut insulinetekort onstaat

  • jonge leeftijd diagnose

  • aanwezigheid van auto-antistoffen

  • snelle noodzaak tot insulinebehandeling

27
New cards

type 2-diabetes

insulineresistentie in combi met onvoldoende compensatoire insulinesecretie

  • onstaat meestal op oudere leeftijd + hangt sterk samen met obesitas, ongezonde voeding en gebrek aan beweging

  • leefstijlinterventies + orale antihyperglycemiesche meds → later pas insuline noodzakelijk door progressieve beta-celdisfucntie

28
New cards

vasculaire complicaties van diabetes

belangrijkste determinant van morbiditeit en mortaliteit door DM

  • onderscheid maken tussen microvasculaire en macrovasculaire complicaties

29
New cards

microvasculaire complicaties

  • onstaan door beschadiging van kleine bloedvaten en omvat diabetische retinopathie, neuropathie, nefropathie

  • vooral diabetische nefropathie is relevant in context van transplantatie → DM pts hebben 60x meer risico op hebben ESRD dan algmene populatie

30
New cards

macrovasculaire complicaties

  • betreffen scahde aan grote arterieen en leiden tot cerebrovasculaire aandoeningen, coronairlijden en perifeer arterieel vaatlijden

  • uitgebreide arteriele calcificaties, onder andere in aorta + arteriae iliacae komen vaak voor

  • van groot belang bij transplantatie → ernstig vasculaire schade zowel operatieve haalbaarheid als postoperatieve prognose beinvloed

31
New cards

antihyperglycemische therapie

  • doel is zowel acute als chronische complicaties van DM verminderen

  • acute complicaties: hyperglucemische crises, polyuria en dehydratie

  • chronisch: vooral vasculair

  • intensief glykemische controle (gemeten met HbA1c) → verlaagt risico op D. nefropathie en andere complicaties

  • wel blijft sterfterisico hoger dan in algemene populatie

    • risico stijgt exponentieel bij slechte glykemische controle en in combi met ESRD al helemaal

  • insulinebehandeling → brengt vooral bij ernstige beta-celfalen (bv DM1) hoog risico op hypoglykemie met zich mee

    • kan leiden tot psychosociale belasting + verminderde kwaliteit leven

32
New cards

klinische betekenis diabetes

  • systemische vasculaire aandoening met ernstige gevolgen voor nierfunctie, cardiovasculaire gezondheid en levensverwachting

  • risico op mortaliteit + progressieve orgaanschade hoog, vooral bij pt’s met ESRD - ook als intensieve antihyperglycemische behandeling ondergaan

  • beta-cel vervangende therapie beieden potentieel curatieve benadering → herstel van endogene insulineproductie = pancreas + eilandjestranplantatie leiden tot beter glykemische stabiliteit, minder complacties + beter levensverwachting/kwaliteit

  • keuze tussen behandelsopties goed gekeken naar mate beta-celdisfunctie, aanwezigheid vasculaire complicaties + pt’s algemene conditie

33
New cards

beta-celvervangende therapieen en transplantatie-optie

  • kunnen als alternatief van conventionele behandeling (mortaliteit + complicaties daar hoog)

  • 2 soorten:

    • pancreastransplantatie

    • eilandjestransplantatie

34
New cards

pancreastransplantatie

  • vaak in combi met niertrnsplantatie bij pt’s met gevorderde chronische nierziekte

  • simultane pancreas-niertransplantatie (SPK) → zowel endogene + insulieproductie hersenen

  • bestaat ook solitaire pancreastransplantatie → meestal bij pt’s die al eerder niertransplantatie hebben gehad

35
New cards

eilandjestransplantati

eilandjes van Langerhans geisoleert uit een donorpancreas en vervolgens getransplanteerd

  • produce is technisch minder invasief dan pancreastransplantatie en vooral interessant voor pt’s met instabiele diabetes na niertransplantatie

  • simultane eilandjes-niertransplantatie → weinig uitgevoerd

36
New cards

nefrotisch syndroom

  • hierbij is glomerulaire filtratiebarriere beschadig → grote hoeveelheiden eiwit in urine

  • normaal: urine kleine hoeveelheid eiwit → omdat proximale tubulus alles terugresobeerdt

  • balans verstoordt → bedraagt eiwitverlies van min 3,5 g/dag

37
New cards

glomerulaire filtratieberriere

bestaat uit 3 componenten:

  • vanuit het bloed richting de urine passeert filtratie eerst het endotheel van capillairen, waarin negatief geladen glycoproteine aanwezig zijn

    • neg lading speelt rol in afstoten van neg geladen plasma-eiwitten

  • dan komt glomerualair basaalmembraan → biedt vooral mechanische stevigheid

    • dan podocyten met filtratiespleten → zorgen voor grootte-selectiviteit: grote eiwitten worden hier normaal tegengehouden

38
New cards

minimal change disease

  • vooral bij kids

  • histologisch (licht microscopie) weinig te zien

  • filtratie barriere functioneert niet goed

  • onderliggend mechanisme berust op positief geladen moleculen in bloed die neg lading van glycoproteinen in endotheel neutraliseren → hierdoor verdwijnt elektrostatische afstotingsmechanisme dat normaal eiwitten tegenhoudt (albumine normaal neg lading = tegenhouden)

    • voornamelijk kleine eiwitten → selectieve proteinurie

  • structuur basaalmembraan + filtratiespleten blijft grotendeels intact

39
New cards

onderliggend mechanisme minimal change disease

onderliggend mechanisme berust op positief geladen moleculen in bloed die neg lading van glycoproteinen in endotheel neutraliseren → hierdoor verdwijnt elektrostatische afstotingsmechanisme dat normaal eiwitten tegenhoudt

  • albumine is relatief klein + kan qua grootte filtratiebarriere passeren → normaal verhinderd door neg lading

    • wegvallen neg lading → albumine in urine

  • doordat voornamelijk kleine eiwitten verloren gaan → selectieve proteïnurie

  • structuur basaalmembraan + filtratiespleten blijft grotendeels intact

40
New cards

membraneuze glomerulopathie

  • vooral oudere patienten

  • antistoffen richten tegen specifieke eiwitten op podocyten

  • sprake van destructie van filtratiebarriere → pt verliest barrierefunctie van zowel grote (zoals IgG) als kleine eiwitten

    • probleem zit NIET primair in ladingsselectiviteit, maar anatmisch integriteit van barriere functie

  • heeft niet-selectieve proteïnurie (gekenmerkt door verleis albumine + grotere eiwitten)

41
New cards

selectiviteitsindex

maat die helpt bepalen of het eiwitverlies vooral selectief of niet-selectief is en daarmee indirect info geeft over type glomerulaire beschadiging

42
New cards

hypoalbuminemie en verlaagde oncotische druk (klassieke verklaring)

  • bij nefrotisch syndroom verliezen pts grote hoeveelheden eiwit, vooral albumine via urine → hierdoor daalt plasma-albumineconcentratie = hypoalbuminemie

  • albumine levert normaal bijdrage aan colloïden-osmotische (oncogische) druk van plasma → die water vanuit interstitium terugktrekt naar bloedbaan

  • albuminespiegels dalen = oncotische druk dalen → relatief meer vocht achterblijven in interstitiele compartement = oedeemvorming

  • klassieke theorie: plasmavolume neemt af, omdat vocht verplaatst vanuit bloedbaan naar perifeer weefsel

  • klinische realiteit: complexer → vaak plasmavolume niet verlaagd, maar verhoogd → wijst op hypoalbuminemie slechts een gedeeltelijke verklaring vormt

43
New cards

natriumretentie als primair mechanisme oedeemvorming bij nefrotisch syndroom (moderne verklaring)

  • belangrijkste mechanisme achter oedeemvorming bij nefrotisch syndroom blijkt verhoogde Na-retentie in nier te zijn

  • in nefron - proximale tubulus, lis van Henle, distale tubulus + verzamelbuis is Na-reabsorptie verhoogd → vooral distaal in nier speelt dit proces grote rol

  • door beschadiging van glomerulaire filtratie komen naast albumine ook enzymen in voorurine die daar normaal niet zitten

    • een van die enzymen activeert epitheliale Na-kanalen (ENaC) in verzamelbuis door regulerende stukjes af te knippen

    • hierdoor in kanaal permanent in geactiveerd toestand

    • normaal EnaC gereguleerd door aldosteron - maar nu dus altijd open = voordurend reabosportie Na → H2O volgt door osmotische druk = oedeem

44
New cards

vorming van cilinders in de nier

  • in lis van Henle en tubuli van nier wordt Tamm-Horsfall-eiwit (uromoduline) gemaakt → kan in tubuli neerslaan en cilindervormige afgietsels vormen - cilinders

  • deze onstaant fysiologisch bij vrijwel iedereen en bevatten normaal gesproken voornamelijk eiwitmateriaal

  • bij glomerulaire nierziekte kunnen erytrocyten vanuit bloed in tubuli komen → als tijdens vorming van cilinder rode bloedcellen aanwezig zijn in tubuli, worden deze ‘ingesloten’ in afgietsel = erytrocytenciliader

45
New cards

erytrocytencilinders als bewijs coor renale hematurie

  • ery. cilinders in urinesediment = grote diagnostische waarde → probleem zit in glomerulus of tubulus

  • belangrijke onderscheidend kenmerk tussen glomerulaire hematurie en hematurei uit lagere urinewegen

46
New cards

van diabetes tot nierfalen

  • DM zogt voor dilatatie afferente arteriole van glomerulus → hierdoor veranderd vaatweerstand = neemt bloedtoevoer toe + stijgen intraglomerulaire druk → gevolg verhoogde GFT = hyperfiltratie

    • dit kan lijken op een ‘goede’ nierfunctie, maar is in werkelijkeheid schadelijk

  • voordurend verhoogde druk veroorzaakt structurele beschadiging van glomerulaire capillairen

  • plaatsen waar druk hoogste is → onstaan fibrotische afwijkingen

    • leidt histologisch tot Kimmelsteil-Wilson-laesies (= nodulaire gebieden van glomerulosclerose - typisch voor D. nefropathie

  • na initiele fase van hyperfiltratie begint GFR geleidenlijk te dalen als gevolg van progresseive nierschade

47
New cards

albuminurie en vroeg tekenen van schade nier

  • door verhoogde intraglomerulaire druk raakt filtratiemembraan beschadigd → eiwitten in urine komen

  • daarom microalbuminurie vroeg teken van D. nefropathie

  • gevorderd aandoening = proteinurie kan zelfs op niveau konem van nefrotisch syndroom - 3,5 g eiwitverlies/dag

48
New cards

progressie van diabetische nefropathie

niet iedere pt met DM ontwikkelt niercomplicaties - heeft genetische factoren te maken

  • wel complicaties verloopt ziekteproces:

    • aanvankelijk normale nierfunctie

    • vervolgens hyperfiltratie met lichte albuminurie

    • progressieve protenurie

    • afname van GFR

    • einstadium nierfamen met noodzaak tot nierfunctievervangende therapie; dialyse

49
New cards

metabole factoren en structurele veranderingen

  • door langdurige hyperglykemie onstaat processen van ‘versuikering’ van eiwitten → structuur + functie van basaalmembraan + bloedvaten aangetast

  • treedt verdikking op van glomerulaire basaalmembraan + onstaat expansie van mesangium door ophoping extracellulaire matrix

  • deze structurele veranderingen versterken glomerulaire beschadiding en dragen bij aan verdere achteruitgang filtratiefunctie

50
New cards

remming van RAAS bij D. nefropathie

  • behandeling ricth zich op verlagen van intraglomerulaire druk → door dilatatie van efferente arteriole (afvoer glomerulus)

  • de tonus van deze arteriole wordt gereguleerd door angiotensine II

  • daarom ACE-remmers of angiotensine-II-receptorblokkers (ARB’s) essentieel in behandeling D. nefropathie

    • behandeling verlaagt I. druk, corrigeert hyperfiltratie + verlaagt progressie nierschade

    • OOK strikte bloeddrukcontrole van belang → 130/80 mmHg = doel

51
New cards

52
New cards

tubero-interstitiele nefritis

  • alle types zien ± hetzelfde uit voor patholoog → vaak daarom tubero-interstitiele onsteking

  • klachten: niefunctieverlies, lichte hematurie en lichte proteinurie

  • bij ¾ van pt is oorzaak overgevoeligheidsreactie doro meds

  • klein deel is auto-immuunziekte → antitoffen zijn gerelateerd aan onderdelen buiten glomeruli

  • ander deel komt door infecties

53
New cards

aantal mogelijke clues om stellen specifieke diagnoste bij tuberoos-interstitiele nefritis

  • sprake van immuundepositie in tubuli → dit is granulaire depositie, treft kapsel van Bowman + randen van tubuli (pt’s met sjogren of lupus)

  • klompje cellen zichtbaar: granuloom → kan door sarcoidose (vaak maar 1 type cel aanwezig), tuberculose en toxische reacties

  • eosinofiele granulocyten zijn suggestief voor type 1 overgevoeligheids reactie - bv van toxiciteit

  • soms virus in biopt → te zien met speciale kleuring voor dat virus (vaak bij transplantatie pt’s)

54
New cards

minimal cange nefropatie (MCN)

  • zelfzame aandoening waarbij nieren ‘lek’ zijn en eiwitten langs glomeruli gaan en in grote hoeveelheden het lichaam verlaten

  • oorzaak onbekend

  • piekincidentie 4-8, waarbij oedeem vooral in ogenen + enkels met masaal eiwitverlies klinisch beeld is

  • nierfunctie (creatinineklaring) blijft normaal

  • microscopisch geen afwijkingen, elektronenmicroscopie = afwijking in podocyten van nefronen gezien, lab = laag albumine, verhoogd cholesterol (door compensatiemechanisme van lever om lage eiwitgehalte in bloed tegen te gaan)

55
New cards

behandeling nefrotisch syndroom (en ook MCN)

  • zoutarm dieet (om zoveel mogelijk vocht te verliezen

  • plastabletten

  • prednisonkuur om afweersysteem te onderdrukken → hoge kans infecties + andere belangrijke bijwerkingen van corticosteroïden

  • bij herhaalde recidief = ciclosporine geadviseerd

  • soms ook tacrolimus → maar gaat gepaard met kans op ontikkeling DM2

  • ook kan rituximab gebruikt worden

  • pt met MCN slikken vaak ook onderdrukking meds voor andere aandoeningen

56
New cards

acute nierinsufficientie

  • snelle steiging van serumcreatinine (>25% in 48h of > 50% in 1week)

57
New cards

chronische nierschade (CNS)

  • vastgesteld bij een blijvend verlaagde eGFR (< 60ml/min/1,73m2)

  • verhoogde albumine-creatinine-ratio (ACR _> 3mg/mmol) gedurende min 3 maand

58
New cards

CNS oorzaken

  • hypertensie, DM2, atherosclerose

  • vroeger auto-immuunziekten vaker de oorzaak, bv DM1

  • vanaf 40e levensjaar daalt eGFR. fysiologisch ong met 0,4 ml/min/jaar

  • ong 12% van bevoling heeft vorm van CNS en daarmee gepaard hoger risico op: cardiovasculaire morbiditeit, sterfte en progressie einstadium nierfalen

  • vaak pas laat ontdekt; tot eGFR van 30 ml/min vaak geen klachten

    • klachten bij nog latere nierfunctie: anemie, metabole acidose, jeuk, jicht, misselijkheid, ondervoeding, hyperkaliemie + vermoeidheid

59
New cards

afwijkende eGFR of ACR-waarden

alert zijn op niet-nefrogene oorzaken van albuminurie, zoals koorts, UWI, intesieve inspanning of hartfalen

60
New cards

therapie eerste lijn zorg - tegen CNS

  • leefstijladviezen: zoutreductie, bewegen, stoppen roken

  • optimaliseren van cardiovasculair risico

  • streven bij DM naar HbA1c _< 53mmol/mol

  • bloeddrukstreefwaarde < 130/80 mmHG, bij voorkeur met ACE remmers of ARB’s

  • statines inzetten bij hoger risico CV-ziekte

  • dreigende dehydratie = altert zijn verslechtering nierfunctie

  • meds bewaking belangrijk bij verminderde nierfunctie: sommige middelen nefrotoxisch/minder goede klaring → aanbevolen eGFR < ml/min te registreren in HIS + bij apotheek

    • (half) jaarlijkse afhankelijk risicoprofiel: eGFR, bloeddruk, ACR, leefstijl, etc

    • ook metabole complicaties (afwijkin fosfaat, kalium, calcium, Hb) paar keer per jaar controleren

  • eindstadium: kiezen voor geen nierfunctie vervangende therapie = vooral zorg bij huisarts

61
New cards

DD tabel van glomerulaire hematurie

knowt flashcard image
62
New cards

aflezen urine dipstick als eiwit +++ (3+) toont, dan zit er per L urine …. eiwit

3,5 g/L

63
New cards

welk odnerdeel van glomerulus is over algemeen beschadigd bij nefrotisch syndroom

podocyten

64
New cards

over algmeen WEL de oorzaak van onstaat oedeem bij nefrotisch syndroom

vooral zout- en waterretentie in nieren

65
New cards

welk type anti-hypertensivum beinvloedt de renale auto-regulatie

ACE-remmers

66
New cards

DD van perifeer oedeem

  • nefrotisch syndroom: gewicht- en eiwitverlies, schuimende urine, hypoalbuminemie

  • hartfalen: oedeem + kortademigheid + afwijkende ECG/echo

  • veneuze insufficiëntie/DVT: asymmetrisch of eenzijdig

  • medicatie-geinduceerd (bv. calsiumantagonisten): enkel oedeem

  • eidstadium nierfalen: moe, hypertensie, metabole stoornissen

67
New cards

criteria nefrotisch syndroom

  • proteinurie > 3,5 g/24h

  • hypoalbuminemie < 30 g/L

  • oedeem

  • hyperlipidemie (vaak)

68
New cards

wanneer is dipstick vals-positief

  • bij spierverval → myoglobinurie

  • na intensieve inspanning of rhabdomyolyse

69
New cards

urinemonster en afname

  • midstream urine: na schoonvegen, eerste deel uitplassen, middenstroom opvangen

  • niet tijdens/net na menstruatie

  • doel: vermijden contaminatie door epitheelcellen of bac

herkennen vervuild monster

  • aawnezigheid van plaveislepitheel in het sediment (vaginaal oorsporng)

  • let op: sediment bij vrouwen vaker vervuild

70
New cards

glomerulaire filtratiebarriere bstaat uit

  • gefenesteerde endotheel

  • glomerulair basaalmembraan

  • podocyten met filtratiespleten

» schade aan 1 van deze structuren geeft hematurie en/of proteinurie

71
New cards

klassiek kenmerk van IgA-nefropathie

macroscopische hematurie - vrijwel direct na optreden luchtweginfectie

72
New cards

urologische vs glomerulaire hematurie

  • glomerulair = dysmorfe erytrocyten en erytrocytencilinders

  • urologisch = normale (monomore) erytrocyten en geen cilinders

73
New cards

nierstenen

  • meest waarschijnlijke verklaring voor urolithiasis

  • koliekpijk onstaat door:

    • steen beklemt urineafvoer

    • druk in pyelum stijgt

    • ureter spasmeert

    • pijnreceptoren worden geactiveerd

74
New cards

bloeddrukregulatie en RAAS

  • de nier activeerd RAAS bij verlaagd arterieel volume

  • renine vrijggegeven door juxtaglomerulaire cellen bij lage perfusiedruk, sympatische activatie en/of laag natriumaanbod aan macula densa

  • renine activeert angiotensine I → activeert ACE = zet angiontesnise I om in angiotensine II

  • angiotensine II zorgt voor vasoconstrictie, aldosteronsecretie, ADH-afgifte en dorststimulatie → doel is herstel van perfusie en bloeddruk

75
New cards

lage bloeddruk en oedeem

  • lijkt paradoxaal (tegenstrijdig)

    • verklaring: verschil tussen extracellulair volume en effectief arterieel volume

  • bij hartfalen, leverfalen of ernstige nierziekte kan veel vocht aawezig zijn in het interstitium (oedeem), terwijl arteriele circulatie toch onvoldoende gevuld blijft

76
New cards

endocriene functie nier

  • zorgt voor productie erytropoetine → stimuleert erytrocytenvorming

    • bij nierfalen ontstaat daarom EPO-terkort en normocytaire anemie

  • zet calcidol → om in calcitriol: activatie van vit D

    • nierfalen = ontstaat hypocalciemie, secundarire hyperparathyreoidie en renale osteodystofie

77
New cards

bepaling nierfunctie

  • creatinine alleen is onvoldoende → nm afhankelijk van spiermassa

  • daarom ook meten;

    • Cockcroft-gault

    • MDRD

    • CKD-EPI

      • deze schatten de GFR nauwkeuriger

78
New cards

osmolaliteit formule

2 ( Na + K ) + ureum + glucose

79
New cards

ADH-regulatie

  • als osmolaliteit stijgt neemt dorst toe + stijgt ADH-productie

  • ADH = maakt verzamelbuizen permeabel voor water → meer waterretentie en urine geconcentreerder

  • te veel water gedronen = tegenovergestelde → osmolaliteit daalt = ADH-productie daalt = verdunde urine

  • longcarcinomen kunnen ectopisch ADH produceren → onstaat waterretentie, verdunning van Na + hyponatriemie

80
New cards

verhoogde pH en verhoogde bicarbonaat geeft aanleiding tot

metabole alkalose

» maag verliest H+ en CL- aan lichaam = alkalose + hypochloremie

81
New cards

effect van ACE remmers

verlagen intraglomerulaire druk doordat ze efferente arteriole dilateren

  • hierdoor neemt glomerulaire filtratiedruk af en vermindert proteinurie

82
New cards

anti-GBM-nefritis

  • auto-antistoffen tegen glomerulaire basaalmembraan gevormd

  • deze antistoffen activeren de complementeiwitten en veroorzaken ernstige onstekingsreacties met beschadiding van filtratiebarriere

  • onstekingen leiden tot

    • beschadiging cappilairen

    • eiwitverleis

    • hematurie

    • snel nierfunctieverlies

83
New cards

nefrotisch syndroom kenmerken

  • proteinurie > 3,5g/24h

  • hypoalbuminemie

  • oedeem

  • hyperlipidemie

» albumineverlies verlaagd colloid-osmotische druk van plasma = vocht naar interstitium verplaatsen = oedeem ontstaan

» nier activeert ook Na/H2O retentie = versterkt oedeem

84
New cards

microalbuminurie is vroeg teken van

glomerulaire schade

» persisterend gezien bij DM, hypertensie, metabool syndroom, atherosclerose

85
New cards

albuminurie vs proteinurie

A

Normaal

  • Alb in 24h urine: <30mg

  • alb/creatinine-ratio: <3 mg/mmol

micro = beginnende glomerularie beschadiging, kenmerken:

  • Alb in 24h urine: 30-300mg

  • alb/creatinine-ratio: 3-30 mg/mmol

macro, kenmerken

  • Alb in 24h urine: >300mg

  • alb/creatinine-ratio: >30 mg/mmol

P

= niet alleen albumine verloren, maar ook andere eiwitten, kenmerken:

  • totaal eiwit in 24h urine: > 300 mg

  • eiwit/creatinine-ratio: > 30mg/mmol

86
New cards

vetcilinders in urinesediment is typisch voor

nefrotisch syndroom

87
New cards

leukocytencilinders wijzen op

onsteking of pyelonefritis

88
New cards

chronische nierinsufficientie

  • ontstaat door progressief verlies van nierfucntie gedurende maand-jaren

  • belangrijkste oorzaken: DM en hypertensie

    • DM leidt tot → diabetische nefropathie

    • hyertenie → nefrosclerose

  • andere mogelijke oorzaken: refluxnefropathie, interstitiele nierziekten, cystenieren, chronische tranplantaatdysfunctie, glomerulaire ziekten

89
New cards

diabetische nefropathie

  • diabetes veroorzaakt structurele veranderingen in de glomeruli

  • kenmerkende histologische bevindingen:

    • matrixexpansie: toename van extracelullaire matrix in mesangium

    • kimmelstiel-Wilson laesies: nodulaire glomerulosclerose (karakteristiek voor D. neuropathie)

90
New cards

acute nierinsufficientie indelen 3 hoofdgroepen

  • prerenale oorzaken

  • renale oorzaken

  • postrenale oorzaken

91
New cards

prerenale oorzaak van acute nierinsufficientie

doorbloeding naar nier is onvoldoende door braken, diarree, bloedverlies, uitdroging, lage bloeddruk of hartfalen

  • gekenmerkdt door vermidnerde extracellulair volume (ECV)

  • lab bevindingen meestal:

    • normaal urinesediment

    • urine Na < 20 mmol/L

    • FE-Na < 1%

    • urine-osmolaliteit > 500 mOsm/kg

    • goed resposn op vochttoediening

  • nier probeert hierbij zout en water max vast te houden

92
New cards

renale oorzaak van acute nierinsufficientie

zitten in nierweefsel zelf, oorzaken

  • vasculaire oorzaken: trombose, embolie, vasculitis

  • glomerulaire oorzaken

    • anti-GBM ziekte (goodpasture)

    • lupusnefritis: kenmerk is granulaire immunofluorecentie

    • granulomateuze polyangiitis

    • acute tubulusnecrose (ATM)

    • interstitiele nefritis: veroorzaakt door meds, infectie of infiltratieve aandoeningen

93
New cards

postrenale oorzaken van acute nierinsufficientie

  • onstaat door obstructie van urinewegen

  • kan komen door benigne prostaathyperplasie, tumoren, nierstenen of urethrale obstructie

  • kenmerkend is hydronefrose op beeldvorming