1/92
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
hydronefrose
verwijding van pyelum en nierkelken als gevolg van obstructie in urineafvoer
echo: nierbekken (pyelum) en nierkelkjes verwijd zichtbaar
bij langdurge opstructie kan nier groter worden
obstructie kan in ureter, thv blaasuitgang of in urethra zitten
oudere mannen = subcesicale obstructie door benigne prostaathyperplasie (BPH) meest voorkomende oorzaak
kleine nieren
belangrijk teken van chronische nierziekten
schade onstaat: fibrose, verlies nefronen, corticale atrofie
wijzen op irreversibel proces dat langere tijd bestaat
kenmerken:
langzaam stijgende creatinine
proteinurie
afwezigheid actief urinesediment
verkleinde nieren op echo
kenmerken voor ADPKD
progressieve vroming van talrijke niercysten
toename niergrootte
hypertensie
hematurie
buikomvang neemt toe
uiteindelijk nierfunctieverlies
autosomaal dominante polycysteuze nierziekte (ADPKD)
meest voorkomende erfelijke cystenierziekte
echo: meerdere cysten zichtbaar met verschillende afmetingen en echogeniciteiten
belangrijke oorzaak van vergrote nieren
uretersteen
veroorzaakt obstructie van urineafvoer
onstaat: koliekpijn, hematurie, soms hydronefrose
diagnostiek: CT-abdomen
steen zichtbaar als hyperdens concrement
renovasculaire hypertensie
onstaat door vernauwing van nierarterie (nierarteriestenose)
gevolgen
verminderde nierdoorbloeding
activatie van RAAS
ernstige hypertensie
uiteindelijk verkleining aangedane nier
oorzaken: atherosclerose (meest voorkomend oudere pt’s) of fibromusculaire dysplasie (vaker jongere vrouwen)
verdenking op nierateriestenose = ACE-remmers voorzichtig gebruikt - kan nierfucite verslechteren bij signifcante stenosen
nierinfarct
onstaat door acute afsluiting van een nierarterie/vertakking daarvan
belangrijke kenmerken: acute flankpijn, hematurie, verhoogde LDH, vaak embolische bron, bv atriumfibrilleren
CT met contrast: wigvorming gebied zonder constrastopname passend bij ischemie
nierbiopsie
dunne naald een klein stukje niercortex verkrijgen voor microscopisch onderzoek
maak mogelijk specifieke nierziekten te diagnostiseren en resopons op behandeling te beoordelen
immuunsysteem
kerntaak: beschermen van lichaam tegen pathogenen (bac, virus)
immuuncellen ontwikkelen in primaire lymfoide organen: beenmerg + thymus
meeste immuunreacteis vinden plaats in secundaire lymfoide organen: milt + lymfeklieren
schade/onsteking → immuuncellen verplaatsen naar perifere organen; bv nier
2 soorten immuunsystemen: aangeboren (innate) en adaptieve
aangeboren (innate) immuniteit
vanaf geboorte aanwezig en omvat onder andere macrofagen, granulocyten, NK-cellen, complementfactoren en cytokinen
deze reageren snel en aspecifiek op infecties
adaptieve immuniteit
ontwikkeld gedurende leven op basis van blootstelling aan pathogenen en bestaat uit T-cellen, B-cellen en antilichamen
respons is specifiek en beschikt over immunologisch geheugen
zelf-herkkenning en rol van MHC/HLA
immuunsysteem heeft vermogen om ‘zelf’ en ‘niet-zelf’ te onderscheiden
hierbij spelen MHC-moleculen (bij mensen HLA) een rol
HLA presenteren kleine peptidefragmenten aan T-cellen
de peptiden fungeren als soort moleculaire handtekening van intracellulaire of extracellulaire eiwitten
als T-cellen lichaamsvreemde peptiden herkenen → activatie + immuunrespons
tegerlijk ontstaat immunoligsch geheugen → volgende blootstelling snellere + krachtigere reactie
2 soorten MHC, nm: MHC klasse 1 en MHC klasse 2
essentieel voor antigeenspecifieke activatie van T-cellen
zonder peptidepresentatie = geen effectieve adaptieve immuunrespons
MHC klasse 1
komt voor op vrijwel elke kernhoudende cel
bestaan uit 1 variabel keten gekoppeld aan beta-2-microglobuline
presenteren korte peptiden (meestal 9 aminozuren lang, afkomstig van intracellulaire eiwitten, bv viraal)
presenteren aan CD8-positieve cytotoxische T-cel (zal geinfecteerde cel vernietigen)
MHC klasse 2
zit alleen op professionele antigeenpresenterende cellen; dendritische cellen, macrofagen en B-cellen
bestaan uit 2 ketens
presenteren lange peptide afkomstig van extracellulaire eiwitten die door de cel zijn opgenomen
stimuleert CD4-positieve helper T-cellen → coordineren onderdelen in immuunsysteem
polymorfisme van HLA en transplantatiebarriere
HLA-genen zijn sterk polymorf = enorm genetische variatie van MHC-moleculen in menselijke populatie
evolutionair voordeel: verschillende individuen kunnen verschillende pathogenen herkennen = populatie in geheel beter beschermt
vormt een transplantatiebarriere → donor en ontvanger vaak verschillende HLA-profielen → donorweefsel door immuunsysteem van ontvanger als lichaamsvreemd gezien → activatie T-cellen → afstoting (tenzij immunosuppressieve therapie)
onderscheiden niet-zelf van zelf en MHC
MHC maakt geen onderscheid tussen lichaamseigen en lichaamsvreemde peptiden → zij presenteren beide typen peptiden zonder discriminatie
onderscheidt wordt gemaakt door T-cellen en mechanismen van immuuntolerantie
1 MHC-molecuul kan vele verschillende peptide presenteren doordat
slechts enkele zogenaamde ‘anchor residues’ bepalen zijn voor de binding in de peptidegroeve
elk individu eeft slechts 2 kopieen van elk HLA-gen → hierdoor is aantal MHC-moleculen beperkt = dus opgelost met dit systeem

humorale immuunsysteem
vormt essentieel onderdeel van adaptieve afweer
bestaat voornamelijk uit B-cellen en de antilichamen die ze produceren
B-cellen ontwikkelen in beenmerg en dragen op hun oppervlak een B-celreceptor (BCR)
deze receptor is een membraangebonden vorm van een antilichaam
bestaat uit een constant gedeelte (verankerd in celmembraan) en 2 variabele uiteinden die voor antigeenherkenning zorgen
BCR variabiliteit bevind zich niet op populatieniveau (net als MHC/HLA) maar binnen individu zelf
iedere B-cel bezit nm 1 unieke specificiteit → gezamelijk kan individu hierdoor tot 1 miljard verschillende specificiteiten genereren
ontstaan van receptorvariatie (Bcel)
onstaat vaak via recombinatie van verschillende gensegmenten: V (variabel), D (diversity) en C (constant)
tijdens ontwikkeling van B cellen worden willekeurige combis van deze segmenten samengevoegd tot functioneel gen
vooral variablele in regio’s van de receptor worden hierdoor uiterst divers
dit mechanisme maakt mogelijk dat immuunsysteem vrijwel onbeperkt verschillende antigenen kan herkennen
antigeen
iedere stof die een adaptieve immuunrespons kan opweken
specifieke deel van antigeeen dat door receptor wordt herkent heet epitoop
hierbij is fundamenteel verschil tussen T-cellen en B-cellen
T cel = herkent peptiden die gepresenteerd worden door lichaamseigen MHC-moleculen
B cel = herkennen intacte antigenen rechtstreeks, zonder MHC-presentatie
epitopen die door b cellen worden herkent zijn lineair (opeenvolgende aminozuren) of discontinue/conformationeel (ruimtelijke structuur van eiwit bepalend)
activatie van B-cellen en productie van antilichamen
als BCR bindt aan specifiek antigeen → activatie van B-cel → cel gaat proliereren + differentieren tot plasmacel
plasmacellen functioneren als gespecialiseerde ‘antigeenfabrieken’ en kunnen duizenden antilichamen per sec produceren
ze migreren uiteindelijk terug naar beenmerg → vind langdurge productie van antilichamen plaats
geproduceerde antilichamen behouden exact dezelfde specificiteit als oorspronkelijke BCR
variabele regio van antilichaaam bindt antigeen
constante regio (Fc-gedeelte) → verantwoordelijk voor effectorfunctie van antilichaam
antilichaam-isotypen en effectorfunctie
constante deel van antilichaam heeft verschillende variaties (zogenaamde isotypen); IgG1-4, IgM, IgA, IgD en IgE
verschillen in weefseldistributie en biologische functie
functies overlappen wel deels, vervullen alle een specifieke rol binnen imuunrespons
belangrijke effectormechanisme van antilichamen
neutralisatie antigenen
antibody-dependent cellular cytotocity (ADCC)
complement-dependent cytotoxic (CDC)
deze mechanisme maken mogelijk om pathogenen of lichaamsvreemde cellen effectief te elimineren
immunologisch geheugen
na bloodstelling aan een antigeen onstaat niet alleen plasmacellen, maar ook geheugen-B-cellen → hierdoor blijven specifieke antilichamen circuleren in bloed (= serologisch geheugen) + immuunsysteem bij hernieuwede blootstelling sneller en krachtiger reageren
primair immuunrespons verloopt relatief traag + beperkt, secundair geheugenrespons is snel en intens → beetje iets als immuunsysteem trainen
transplantaatafstoting
snelle en krachtige antilichaamrespons tegen donororgaan, die onstaat doordat pt gesensitiseerd is tegen bepaalde HLA- of bloedgroepantigenen
kan bv door eerdere transplantaties, zwangerschap of bloedtransfusies
antilichamen in transplantatie zijn voornamelijk gericht tegen mismatch in bloedgroepantigenen of HLA-weefselantigenen
aanwezigheid van bestaande geheugen-B-cellen en circulerende antilichame vormt een belangrijke immunologische barriere voor succesvolle transplantatie
normale glucoseregulatie en onstaan diabetes
glucosehomeostase geregeld door darm, lever, pancreas, spier en vetweefsel
na inname glucose stijgt bloedglucosespiegel → beta-cellen in einlandjes van Langerhans gaan insuline afscheiden
insuline remt glucoseproductie van lever + stimuleert opname glucose in perifere weefsel, met name spier/vetweefsel = glucosespiegel binnnen nauwe grenzen houden
bij obesitas en lichamelijke inactiviteit → insulineresistentie: perifere weefsels reageren minder gevoelig op insuline, terwijl de lever juist meer glucose produceert
om normoglycemie te houden → pancreas insulineproductie verhogen → als compensatie tekortschiet = hyperglykemie → DM
type 1-diabetes
veroorzaakt door auto-immuundestructie van beta-cellen, waardoor absoluut insulinetekort onstaat
jonge leeftijd diagnose
aanwezigheid van auto-antistoffen
snelle noodzaak tot insulinebehandeling
type 2-diabetes
insulineresistentie in combi met onvoldoende compensatoire insulinesecretie
onstaat meestal op oudere leeftijd + hangt sterk samen met obesitas, ongezonde voeding en gebrek aan beweging
leefstijlinterventies + orale antihyperglycemiesche meds → later pas insuline noodzakelijk door progressieve beta-celdisfucntie
vasculaire complicaties van diabetes
belangrijkste determinant van morbiditeit en mortaliteit door DM
onderscheid maken tussen microvasculaire en macrovasculaire complicaties
microvasculaire complicaties
onstaan door beschadiging van kleine bloedvaten en omvat diabetische retinopathie, neuropathie, nefropathie
vooral diabetische nefropathie is relevant in context van transplantatie → DM pts hebben 60x meer risico op hebben ESRD dan algmene populatie
macrovasculaire complicaties
betreffen scahde aan grote arterieen en leiden tot cerebrovasculaire aandoeningen, coronairlijden en perifeer arterieel vaatlijden
uitgebreide arteriele calcificaties, onder andere in aorta + arteriae iliacae komen vaak voor
van groot belang bij transplantatie → ernstig vasculaire schade zowel operatieve haalbaarheid als postoperatieve prognose beinvloed
antihyperglycemische therapie
doel is zowel acute als chronische complicaties van DM verminderen
acute complicaties: hyperglucemische crises, polyuria en dehydratie
chronisch: vooral vasculair
intensief glykemische controle (gemeten met HbA1c) → verlaagt risico op D. nefropathie en andere complicaties
wel blijft sterfterisico hoger dan in algemene populatie
risico stijgt exponentieel bij slechte glykemische controle en in combi met ESRD al helemaal
insulinebehandeling → brengt vooral bij ernstige beta-celfalen (bv DM1) hoog risico op hypoglykemie met zich mee
kan leiden tot psychosociale belasting + verminderde kwaliteit leven
klinische betekenis diabetes
systemische vasculaire aandoening met ernstige gevolgen voor nierfunctie, cardiovasculaire gezondheid en levensverwachting
risico op mortaliteit + progressieve orgaanschade hoog, vooral bij pt’s met ESRD - ook als intensieve antihyperglycemische behandeling ondergaan
beta-cel vervangende therapie beieden potentieel curatieve benadering → herstel van endogene insulineproductie = pancreas + eilandjestranplantatie leiden tot beter glykemische stabiliteit, minder complacties + beter levensverwachting/kwaliteit
keuze tussen behandelsopties goed gekeken naar mate beta-celdisfunctie, aanwezigheid vasculaire complicaties + pt’s algemene conditie
beta-celvervangende therapieen en transplantatie-optie
kunnen als alternatief van conventionele behandeling (mortaliteit + complicaties daar hoog)
2 soorten:
pancreastransplantatie
eilandjestransplantatie
pancreastransplantatie
vaak in combi met niertrnsplantatie bij pt’s met gevorderde chronische nierziekte
simultane pancreas-niertransplantatie (SPK) → zowel endogene + insulieproductie hersenen
bestaat ook solitaire pancreastransplantatie → meestal bij pt’s die al eerder niertransplantatie hebben gehad
eilandjestransplantati
eilandjes van Langerhans geisoleert uit een donorpancreas en vervolgens getransplanteerd
produce is technisch minder invasief dan pancreastransplantatie en vooral interessant voor pt’s met instabiele diabetes na niertransplantatie
simultane eilandjes-niertransplantatie → weinig uitgevoerd
nefrotisch syndroom
hierbij is glomerulaire filtratiebarriere beschadig → grote hoeveelheiden eiwit in urine
normaal: urine kleine hoeveelheid eiwit → omdat proximale tubulus alles terugresobeerdt
balans verstoordt → bedraagt eiwitverlies van min 3,5 g/dag
glomerulaire filtratieberriere
bestaat uit 3 componenten:
vanuit het bloed richting de urine passeert filtratie eerst het endotheel van capillairen, waarin negatief geladen glycoproteine aanwezig zijn
neg lading speelt rol in afstoten van neg geladen plasma-eiwitten
dan komt glomerualair basaalmembraan → biedt vooral mechanische stevigheid
dan podocyten met filtratiespleten → zorgen voor grootte-selectiviteit: grote eiwitten worden hier normaal tegengehouden
minimal change disease
vooral bij kids
histologisch (licht microscopie) weinig te zien
filtratie barriere functioneert niet goed
onderliggend mechanisme berust op positief geladen moleculen in bloed die neg lading van glycoproteinen in endotheel neutraliseren → hierdoor verdwijnt elektrostatische afstotingsmechanisme dat normaal eiwitten tegenhoudt (albumine normaal neg lading = tegenhouden)
voornamelijk kleine eiwitten → selectieve proteinurie
structuur basaalmembraan + filtratiespleten blijft grotendeels intact
onderliggend mechanisme minimal change disease
onderliggend mechanisme berust op positief geladen moleculen in bloed die neg lading van glycoproteinen in endotheel neutraliseren → hierdoor verdwijnt elektrostatische afstotingsmechanisme dat normaal eiwitten tegenhoudt
albumine is relatief klein + kan qua grootte filtratiebarriere passeren → normaal verhinderd door neg lading
wegvallen neg lading → albumine in urine
doordat voornamelijk kleine eiwitten verloren gaan → selectieve proteïnurie
structuur basaalmembraan + filtratiespleten blijft grotendeels intact
membraneuze glomerulopathie
vooral oudere patienten
antistoffen richten tegen specifieke eiwitten op podocyten
sprake van destructie van filtratiebarriere → pt verliest barrierefunctie van zowel grote (zoals IgG) als kleine eiwitten
probleem zit NIET primair in ladingsselectiviteit, maar anatmisch integriteit van barriere functie
heeft niet-selectieve proteïnurie (gekenmerkt door verleis albumine + grotere eiwitten)
selectiviteitsindex
maat die helpt bepalen of het eiwitverlies vooral selectief of niet-selectief is en daarmee indirect info geeft over type glomerulaire beschadiging
hypoalbuminemie en verlaagde oncotische druk (klassieke verklaring)
bij nefrotisch syndroom verliezen pts grote hoeveelheden eiwit, vooral albumine via urine → hierdoor daalt plasma-albumineconcentratie = hypoalbuminemie
albumine levert normaal bijdrage aan colloïden-osmotische (oncogische) druk van plasma → die water vanuit interstitium terugktrekt naar bloedbaan
albuminespiegels dalen = oncotische druk dalen → relatief meer vocht achterblijven in interstitiele compartement = oedeemvorming
klassieke theorie: plasmavolume neemt af, omdat vocht verplaatst vanuit bloedbaan naar perifeer weefsel
klinische realiteit: complexer → vaak plasmavolume niet verlaagd, maar verhoogd → wijst op hypoalbuminemie slechts een gedeeltelijke verklaring vormt
natriumretentie als primair mechanisme oedeemvorming bij nefrotisch syndroom (moderne verklaring)
belangrijkste mechanisme achter oedeemvorming bij nefrotisch syndroom blijkt verhoogde Na-retentie in nier te zijn
in nefron - proximale tubulus, lis van Henle, distale tubulus + verzamelbuis is Na-reabsorptie verhoogd → vooral distaal in nier speelt dit proces grote rol
door beschadiging van glomerulaire filtratie komen naast albumine ook enzymen in voorurine die daar normaal niet zitten
een van die enzymen activeert epitheliale Na-kanalen (ENaC) in verzamelbuis door regulerende stukjes af te knippen
hierdoor in kanaal permanent in geactiveerd toestand
normaal EnaC gereguleerd door aldosteron - maar nu dus altijd open = voordurend reabosportie Na → H2O volgt door osmotische druk = oedeem
vorming van cilinders in de nier
in lis van Henle en tubuli van nier wordt Tamm-Horsfall-eiwit (uromoduline) gemaakt → kan in tubuli neerslaan en cilindervormige afgietsels vormen - cilinders
deze onstaant fysiologisch bij vrijwel iedereen en bevatten normaal gesproken voornamelijk eiwitmateriaal
bij glomerulaire nierziekte kunnen erytrocyten vanuit bloed in tubuli komen → als tijdens vorming van cilinder rode bloedcellen aanwezig zijn in tubuli, worden deze ‘ingesloten’ in afgietsel = erytrocytenciliader
erytrocytencilinders als bewijs coor renale hematurie
ery. cilinders in urinesediment = grote diagnostische waarde → probleem zit in glomerulus of tubulus
belangrijke onderscheidend kenmerk tussen glomerulaire hematurie en hematurei uit lagere urinewegen
van diabetes tot nierfalen
DM zogt voor dilatatie afferente arteriole van glomerulus → hierdoor veranderd vaatweerstand = neemt bloedtoevoer toe + stijgen intraglomerulaire druk → gevolg verhoogde GFT = hyperfiltratie
dit kan lijken op een ‘goede’ nierfunctie, maar is in werkelijkeheid schadelijk
voordurend verhoogde druk veroorzaakt structurele beschadiging van glomerulaire capillairen
plaatsen waar druk hoogste is → onstaan fibrotische afwijkingen
leidt histologisch tot Kimmelsteil-Wilson-laesies (= nodulaire gebieden van glomerulosclerose - typisch voor D. nefropathie
na initiele fase van hyperfiltratie begint GFR geleidenlijk te dalen als gevolg van progresseive nierschade
albuminurie en vroeg tekenen van schade nier
door verhoogde intraglomerulaire druk raakt filtratiemembraan beschadigd → eiwitten in urine komen
daarom microalbuminurie vroeg teken van D. nefropathie
gevorderd aandoening = proteinurie kan zelfs op niveau konem van nefrotisch syndroom - 3,5 g eiwitverlies/dag
progressie van diabetische nefropathie
niet iedere pt met DM ontwikkelt niercomplicaties - heeft genetische factoren te maken
wel complicaties verloopt ziekteproces:
aanvankelijk normale nierfunctie
vervolgens hyperfiltratie met lichte albuminurie
progressieve protenurie
afname van GFR
einstadium nierfamen met noodzaak tot nierfunctievervangende therapie; dialyse
metabole factoren en structurele veranderingen
door langdurige hyperglykemie onstaat processen van ‘versuikering’ van eiwitten → structuur + functie van basaalmembraan + bloedvaten aangetast
treedt verdikking op van glomerulaire basaalmembraan + onstaat expansie van mesangium door ophoping extracellulaire matrix
deze structurele veranderingen versterken glomerulaire beschadiding en dragen bij aan verdere achteruitgang filtratiefunctie
remming van RAAS bij D. nefropathie
behandeling ricth zich op verlagen van intraglomerulaire druk → door dilatatie van efferente arteriole (afvoer glomerulus)
de tonus van deze arteriole wordt gereguleerd door angiotensine II
daarom ACE-remmers of angiotensine-II-receptorblokkers (ARB’s) essentieel in behandeling D. nefropathie
behandeling verlaagt I. druk, corrigeert hyperfiltratie + verlaagt progressie nierschade
OOK strikte bloeddrukcontrole van belang → 130/80 mmHg = doel
tubero-interstitiele nefritis
alle types zien ± hetzelfde uit voor patholoog → vaak daarom tubero-interstitiele onsteking
klachten: niefunctieverlies, lichte hematurie en lichte proteinurie
bij ¾ van pt is oorzaak overgevoeligheidsreactie doro meds
klein deel is auto-immuunziekte → antitoffen zijn gerelateerd aan onderdelen buiten glomeruli
ander deel komt door infecties
aantal mogelijke clues om stellen specifieke diagnoste bij tuberoos-interstitiele nefritis
sprake van immuundepositie in tubuli → dit is granulaire depositie, treft kapsel van Bowman + randen van tubuli (pt’s met sjogren of lupus)
klompje cellen zichtbaar: granuloom → kan door sarcoidose (vaak maar 1 type cel aanwezig), tuberculose en toxische reacties
eosinofiele granulocyten zijn suggestief voor type 1 overgevoeligheids reactie - bv van toxiciteit
soms virus in biopt → te zien met speciale kleuring voor dat virus (vaak bij transplantatie pt’s)
minimal cange nefropatie (MCN)
zelfzame aandoening waarbij nieren ‘lek’ zijn en eiwitten langs glomeruli gaan en in grote hoeveelheden het lichaam verlaten
oorzaak onbekend
piekincidentie 4-8, waarbij oedeem vooral in ogenen + enkels met masaal eiwitverlies klinisch beeld is
nierfunctie (creatinineklaring) blijft normaal
microscopisch geen afwijkingen, elektronenmicroscopie = afwijking in podocyten van nefronen gezien, lab = laag albumine, verhoogd cholesterol (door compensatiemechanisme van lever om lage eiwitgehalte in bloed tegen te gaan)
behandeling nefrotisch syndroom (en ook MCN)
zoutarm dieet (om zoveel mogelijk vocht te verliezen
plastabletten
prednisonkuur om afweersysteem te onderdrukken → hoge kans infecties + andere belangrijke bijwerkingen van corticosteroïden
bij herhaalde recidief = ciclosporine geadviseerd
soms ook tacrolimus → maar gaat gepaard met kans op ontikkeling DM2
ook kan rituximab gebruikt worden
pt met MCN slikken vaak ook onderdrukking meds voor andere aandoeningen
acute nierinsufficientie
snelle steiging van serumcreatinine (>25% in 48h of > 50% in 1week)
chronische nierschade (CNS)
vastgesteld bij een blijvend verlaagde eGFR (< 60ml/min/1,73m2)
verhoogde albumine-creatinine-ratio (ACR _> 3mg/mmol) gedurende min 3 maand
CNS oorzaken
hypertensie, DM2, atherosclerose
vroeger auto-immuunziekten vaker de oorzaak, bv DM1
vanaf 40e levensjaar daalt eGFR. fysiologisch ong met 0,4 ml/min/jaar
ong 12% van bevoling heeft vorm van CNS en daarmee gepaard hoger risico op: cardiovasculaire morbiditeit, sterfte en progressie einstadium nierfalen
vaak pas laat ontdekt; tot eGFR van 30 ml/min vaak geen klachten
klachten bij nog latere nierfunctie: anemie, metabole acidose, jeuk, jicht, misselijkheid, ondervoeding, hyperkaliemie + vermoeidheid
afwijkende eGFR of ACR-waarden
alert zijn op niet-nefrogene oorzaken van albuminurie, zoals koorts, UWI, intesieve inspanning of hartfalen
therapie eerste lijn zorg - tegen CNS
leefstijladviezen: zoutreductie, bewegen, stoppen roken
optimaliseren van cardiovasculair risico
streven bij DM naar HbA1c _< 53mmol/mol
bloeddrukstreefwaarde < 130/80 mmHG, bij voorkeur met ACE remmers of ARB’s
statines inzetten bij hoger risico CV-ziekte
dreigende dehydratie = altert zijn verslechtering nierfunctie
meds bewaking belangrijk bij verminderde nierfunctie: sommige middelen nefrotoxisch/minder goede klaring → aanbevolen eGFR < ml/min te registreren in HIS + bij apotheek
(half) jaarlijkse afhankelijk risicoprofiel: eGFR, bloeddruk, ACR, leefstijl, etc
ook metabole complicaties (afwijkin fosfaat, kalium, calcium, Hb) paar keer per jaar controleren
eindstadium: kiezen voor geen nierfunctie vervangende therapie = vooral zorg bij huisarts
DD tabel van glomerulaire hematurie

aflezen urine dipstick als eiwit +++ (3+) toont, dan zit er per L urine …. eiwit
3,5 g/L
welk odnerdeel van glomerulus is over algemeen beschadigd bij nefrotisch syndroom
podocyten
over algmeen WEL de oorzaak van onstaat oedeem bij nefrotisch syndroom
vooral zout- en waterretentie in nieren
welk type anti-hypertensivum beinvloedt de renale auto-regulatie
ACE-remmers
DD van perifeer oedeem
nefrotisch syndroom: gewicht- en eiwitverlies, schuimende urine, hypoalbuminemie
hartfalen: oedeem + kortademigheid + afwijkende ECG/echo
veneuze insufficiëntie/DVT: asymmetrisch of eenzijdig
medicatie-geinduceerd (bv. calsiumantagonisten): enkel oedeem
eidstadium nierfalen: moe, hypertensie, metabole stoornissen
criteria nefrotisch syndroom
proteinurie > 3,5 g/24h
hypoalbuminemie < 30 g/L
oedeem
hyperlipidemie (vaak)
wanneer is dipstick vals-positief
bij spierverval → myoglobinurie
na intensieve inspanning of rhabdomyolyse
urinemonster en afname
midstream urine: na schoonvegen, eerste deel uitplassen, middenstroom opvangen
niet tijdens/net na menstruatie
doel: vermijden contaminatie door epitheelcellen of bac
herkennen vervuild monster
aawnezigheid van plaveislepitheel in het sediment (vaginaal oorsporng)
let op: sediment bij vrouwen vaker vervuild
glomerulaire filtratiebarriere bstaat uit
gefenesteerde endotheel
glomerulair basaalmembraan
podocyten met filtratiespleten
» schade aan 1 van deze structuren geeft hematurie en/of proteinurie
klassiek kenmerk van IgA-nefropathie
macroscopische hematurie - vrijwel direct na optreden luchtweginfectie
urologische vs glomerulaire hematurie
glomerulair = dysmorfe erytrocyten en erytrocytencilinders
urologisch = normale (monomore) erytrocyten en geen cilinders
nierstenen
meest waarschijnlijke verklaring voor urolithiasis
koliekpijk onstaat door:
steen beklemt urineafvoer
druk in pyelum stijgt
ureter spasmeert
pijnreceptoren worden geactiveerd
bloeddrukregulatie en RAAS
de nier activeerd RAAS bij verlaagd arterieel volume
renine vrijggegeven door juxtaglomerulaire cellen bij lage perfusiedruk, sympatische activatie en/of laag natriumaanbod aan macula densa
renine activeert angiotensine I → activeert ACE = zet angiontesnise I om in angiotensine II
angiotensine II zorgt voor vasoconstrictie, aldosteronsecretie, ADH-afgifte en dorststimulatie → doel is herstel van perfusie en bloeddruk
lage bloeddruk en oedeem
lijkt paradoxaal (tegenstrijdig)
verklaring: verschil tussen extracellulair volume en effectief arterieel volume
bij hartfalen, leverfalen of ernstige nierziekte kan veel vocht aawezig zijn in het interstitium (oedeem), terwijl arteriele circulatie toch onvoldoende gevuld blijft
endocriene functie nier
zorgt voor productie erytropoetine → stimuleert erytrocytenvorming
bij nierfalen ontstaat daarom EPO-terkort en normocytaire anemie
zet calcidol → om in calcitriol: activatie van vit D
nierfalen = ontstaat hypocalciemie, secundarire hyperparathyreoidie en renale osteodystofie
bepaling nierfunctie
creatinine alleen is onvoldoende → nm afhankelijk van spiermassa
daarom ook meten;
Cockcroft-gault
MDRD
CKD-EPI
deze schatten de GFR nauwkeuriger
osmolaliteit formule
2 ( Na + K ) + ureum + glucose
ADH-regulatie
als osmolaliteit stijgt neemt dorst toe + stijgt ADH-productie
ADH = maakt verzamelbuizen permeabel voor water → meer waterretentie en urine geconcentreerder
te veel water gedronen = tegenovergestelde → osmolaliteit daalt = ADH-productie daalt = verdunde urine
longcarcinomen kunnen ectopisch ADH produceren → onstaat waterretentie, verdunning van Na + hyponatriemie
verhoogde pH en verhoogde bicarbonaat geeft aanleiding tot
metabole alkalose
» maag verliest H+ en CL- aan lichaam = alkalose + hypochloremie
effect van ACE remmers
verlagen intraglomerulaire druk doordat ze efferente arteriole dilateren
hierdoor neemt glomerulaire filtratiedruk af en vermindert proteinurie
anti-GBM-nefritis
auto-antistoffen tegen glomerulaire basaalmembraan gevormd
deze antistoffen activeren de complementeiwitten en veroorzaken ernstige onstekingsreacties met beschadiding van filtratiebarriere
onstekingen leiden tot
beschadiging cappilairen
eiwitverleis
hematurie
snel nierfunctieverlies
nefrotisch syndroom kenmerken
proteinurie > 3,5g/24h
hypoalbuminemie
oedeem
hyperlipidemie
» albumineverlies verlaagd colloid-osmotische druk van plasma = vocht naar interstitium verplaatsen = oedeem ontstaan
» nier activeert ook Na/H2O retentie = versterkt oedeem
microalbuminurie is vroeg teken van
glomerulaire schade
» persisterend gezien bij DM, hypertensie, metabool syndroom, atherosclerose
albuminurie vs proteinurie
A
Normaal
Alb in 24h urine: <30mg
alb/creatinine-ratio: <3 mg/mmol
micro = beginnende glomerularie beschadiging, kenmerken:
Alb in 24h urine: 30-300mg
alb/creatinine-ratio: 3-30 mg/mmol
macro, kenmerken
Alb in 24h urine: >300mg
alb/creatinine-ratio: >30 mg/mmol
P
= niet alleen albumine verloren, maar ook andere eiwitten, kenmerken:
totaal eiwit in 24h urine: > 300 mg
eiwit/creatinine-ratio: > 30mg/mmol
vetcilinders in urinesediment is typisch voor
nefrotisch syndroom
leukocytencilinders wijzen op
onsteking of pyelonefritis
chronische nierinsufficientie
ontstaat door progressief verlies van nierfucntie gedurende maand-jaren
belangrijkste oorzaken: DM en hypertensie
DM leidt tot → diabetische nefropathie
hyertenie → nefrosclerose
andere mogelijke oorzaken: refluxnefropathie, interstitiele nierziekten, cystenieren, chronische tranplantaatdysfunctie, glomerulaire ziekten
diabetische nefropathie
diabetes veroorzaakt structurele veranderingen in de glomeruli
kenmerkende histologische bevindingen:
matrixexpansie: toename van extracelullaire matrix in mesangium
kimmelstiel-Wilson laesies: nodulaire glomerulosclerose (karakteristiek voor D. neuropathie)
acute nierinsufficientie indelen 3 hoofdgroepen
prerenale oorzaken
renale oorzaken
postrenale oorzaken
prerenale oorzaak van acute nierinsufficientie
doorbloeding naar nier is onvoldoende door braken, diarree, bloedverlies, uitdroging, lage bloeddruk of hartfalen
gekenmerkdt door vermidnerde extracellulair volume (ECV)
lab bevindingen meestal:
normaal urinesediment
urine Na < 20 mmol/L
FE-Na < 1%
urine-osmolaliteit > 500 mOsm/kg
goed resposn op vochttoediening
nier probeert hierbij zout en water max vast te houden
renale oorzaak van acute nierinsufficientie
zitten in nierweefsel zelf, oorzaken
vasculaire oorzaken: trombose, embolie, vasculitis
glomerulaire oorzaken
anti-GBM ziekte (goodpasture)
lupusnefritis: kenmerk is granulaire immunofluorecentie
granulomateuze polyangiitis
acute tubulusnecrose (ATM)
interstitiele nefritis: veroorzaakt door meds, infectie of infiltratieve aandoeningen
postrenale oorzaken van acute nierinsufficientie
onstaat door obstructie van urinewegen
kan komen door benigne prostaathyperplasie, tumoren, nierstenen of urethrale obstructie
kenmerkend is hydronefrose op beeldvorming