1/102
dit zijn de defentities van ecology
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Ecologie
De wetenschappelijke studie van de interacties (van organismen) die de distributie en abundantie van organismen bepalen
Ecologisch model
Een vereenvoudigde weergave van de complexere werkelijkheid, gebruikt om te voorspellen wat er met ecosystemen kan gebeuren in verschillende scenario's
Fysiologische ecologie (auto-ecologie)
Bestudeert hoe individuele organismen beïnvloed worden door abiotische en biotische factoren, en hoe ze zelf hun omgeving beïnvloeden (voeding, limiterende factoren, tolerantiegrenzen)
Populatie-ecologie
Bestudeert eigenschappen van populaties: densiteit, verdeling, populatiedynamiek (geboorte, sterfte, migratie).
Gemeenschapsecologie
Bestudeert de samenstelling en structuur van gemeenschappen: interacties tussen populaties, soortendiversiteit, productie en consumptie.
Ecosysteemecologie
Bestudeert het geheel van gemeenschappen en hun abiotische omgeving, met continue doorstroming van energie en continue recyclage van materie (nooit een perfect afgesloten systeem)
Ecologische disciplines
De verschillende subvelden van ecologie: gedragsecologie, landschapsecologie, moleculaire ecologie, aquatische ecologie, terrestrische ecologie, dierenecologie, plantenecologie, microbiële ecologie, enz.
Beschrijven
Eerste basisdoel van ecologie: bepalen welke specifieke hypothese/aspecten de meeste aandacht vereisen.
Begrijpen en verklaren
Basisdoel van ecologie waarbij je via bijkomend onderzoek verklaringen zoekt
Proximale verklaring
Verklaring op basis van hoe organismen reageren op stimuli uit hun directe omgeving (fysiologie)
Ultieme verklaring
Verklaring met betrekking tot de evolutionaire context (adaptief belang)
Voorspellen
Basisdoel van ecologie: voorspellen wat er met een organisme/populatie/gemeenschap/ecosysteem zal gebeuren onder specifieke omstandigheden.
Evolutie
Organismen hebben gemeenschappelijke voorouders; diversiteit ontstaat door genetische veranderingen die worden doorgegeven in afzonderlijke afstammingslijnen — een verandering in allelfrequenties doorheen de tijd
Micro-evolutie
Evolutionaire veranderingen binnen en tussen populaties van 1 soort; niet noodzakelijk onomkeerbaar
Macro-evolutie
Soortvorming en evolutiedynamiek op hoger taxonomisch niveau; na macro-evolutie is genetische uitwisseling niet meer mogelijk — een onomkeerbaar proces
Soortenconcept
Een soort is een groep organismen die zich succesvol met elkaar kunnen voortplanten met vruchtbare nakomelingen als resultaat; verschillende soorten kunnen dit niet met elkaar
Miller experiment
Experiment dat de vroege ("beperkte") atmosfeer nabootste en onder stroom/UV zette, waardoor allerlei moleculen ontstonden (25 aminozuren, vetten, glycine,...) — bewijs dat leven op deze manier kon ontstaan.
Prokaryoten
Vermoedelijk de eerste cellen: eenvoudige celstructuur, kunnen overleven in extreme omstandigheden, sommige konden zelf nutriënten maken (autotroof) via fotosynthese.
Fylogenetische beperking
Een beperking in de mogelijkheden van een soort die haar oorsprong vindt in de afstammingslijn
Afstamming met modificatie
Complexere wezens evolueren na verloop van tijd op natuurlijke wijze uit eenvoudigere voorouders
Genotype
De verzameling eigenschappen die vastgelegd is in het DNA en geërfd is van de ouders
Fenotype
Het geheel aan uiterlijk waarneembare kenmerken; resultaat van het genotype en de invloed van de omgeving daarop
Mutaties
Toevallige, zeldzame gebeurtenissen die gunstig, ongunstig of neutraal kunnen zijn; onvoorspelbaar per gen, maar met een berekenbare globale mutatiesnelheid
Segregatie
Bij meiose worden homologe chromosomen willekeurig van elkaar gescheiden, ongeacht hun afkomst
Recombinatie
Tijdens de profase van de meiose treedt crossing-over op, waardoor genen van beide ouders op één chromosoom terechtkomen
Mutatiedruk
Eerder theoretisch mechanisme: de frequentie van mutaties is meestal veel te laag om op zich tot genfrequentieverschuivingen te leiden.
Meiotic drive
Wanneer segregatie van chromosomen niet "eerlijk" verloopt, waardoor een bepaald gen in meer dan 50% van de gevallen in de succesvolle gameten terechtkomt
Genmigratie
Een populatie kan snel genetisch wijzigen wanneer ze in contact komt met (migratie van) genetisch verschillende individuen
Genetische drift
Verandering in allelfrequenties door toeval, wat kan zorgen voor snelle evolutionaire veranderingen
Natuurlijke selectie
Expliciete vorm van evolutie die afhangt van de gevolgen voor de geschiktheid (fitness) van een individu in een bepaalde omgeving
Fitness
Het succes van een individu
Relatieve contributie
De bijdrage van een individu (via fitness) aan de volgende generatie
Evolutie door natuurlijke selectie
Wanneer overerfbare kenmerken van een populatie van generatie op generatie veranderen omdat sommige individuen meer nakomelingen produceren dan andere; werkt eerst in op het fenotype, niet rechtstreeks op het genotype
Allopatrische soortvorming
Soortvorming door geografische isolatie (bv eilanden) populaties ontwikkelen onafhankelijk van elkaar, verschillen worden groter, tot er uiteindelijk een nieuwe soort ontstaat
Sympatrische soortvorming
Soortvorming zonder geografische scheiding:deelpopulaties specialiseren ecologisch, kruisingen worden ongunstig, selectie tegen kruisen tussen deelpopulaties versterkt, en de soort splitst in twee.
Convergente ecologie
Wanneer niet-verwante soorten toch sterk gelijkende fenotypes ontwikkelen doordat ze in vergelijkbare ecologische omstandigheden leven
Endemismen
Soorten die enkel voorkomen in een bepaald, afgebakend geografisch gebied (bv cichliden in het Malawimeer)
Conditie
Een abiotische omgevingsfactor die varieert in ruimte of tijd (bv temperatuur, pH, saliniteit, relatieve vochtigheid, polluentenconcentratie)
Bron
Elke stof of energie die door een organisme geconsumeerd wordt en bijdraagt tot het functioneren van dat organisme
Endothermen (homeothermie)
Organismen die hun eigen lichaamstemperatuur intern regelen — zoogdieren, vogels
Ectothermen (poikilothermen)
Organismen waarvan de lichaamstemperatuur afhangt van de omgeving — de meeste andere dieren, planten, fungi, protisten
Tussenvormen
Organismen die kenmerken van beide temperatuurregulatie-strategieën combineren (bvsommige reptielen, vissen, insecten).
Netto fotosynthesesnelheid
De verandering in hoeveelheid droge stof per tijdseenheid
Fotosynthesecapaciteit
De fotosynthesesnelheid bij optimale omstandigheden
Compensatiepunt
Het punt waarop bruto fotosynthese in evenwicht is met de verliezen door respiratie, zodat de netto fotosynthesesnelheid 0 is
Permanent verwelkingspunt
De grens aan het vochtgehalte in de bodem waaronder een plant geen vocht meer kan opnemen (de capillaire krachten worden te sterk)
Macronutriënten
Elementen die in grote hoeveelheden nodig zijn voor plantengroei N, P, S, K, Ca, Mg, Fe.
Sporenelementen
Elementen die slechts in kleine hoeveelheden nodig zijn en soms plantspecifiek Mn, Zn, Cu, B, Mo.
Autotrofe organismen
Organismen die zelf organische moleculen assimileren uit anorganische bronnen — maken hun eigen voedsel
Heterotrofe organismen
Organismen die organisch materiaal nodig hebben als voedselbron, wat leidt tot een voedselketen/voedselweb
Generalisten
Organismen die een breed spectrum aan prooisoorten consumeren (polyfaag)
Specialisten
Organismen die slechts een beperkt aantal soorten als voedselbron gebruiken (monofaag), bv parasieten gespecialiseerd op één gastheersoort.
Ecologische niche
Een n-dimensionaal hypervolume waarbinnen een soort een leefbare populatie kan onderhouden (een "volume" met meer dan 3 dimensies)
Ruimtelijke heterogeniteit
Geen enkel habitat is uniform Hoe heterogeen de omgeving lijkt, hangt af van de schaal van het waarnemende organisme.
Heterogeniteit in de tijd
Seizoenale of jaar-tot-jaar-variatie waardoor meerdere concurrerende soorten naast elkaar kunnen blijven bestaan
Demografie
Bestudeert de aantallen individuen en de processen die leiden tot veranderingen in die aantallen
Populatie-opbouw
Het gegeven dat niet alle individuen in een populatie gelijk zijn — onderscheid tussen verschillende levensstadia
Unitair organisme
Een organisme (zygote) dat op een zeer voorspelbare manier ontwikkelt geboorte, groei, maturiteit, vruchtbare periode, senescente periode, dood.
Modulair organisme
Een organisme waarvan de ontwikkeling minder rechtlijnig verloopt, omdat er "modules" gevormd worden; sterk gestuurd door de omgeving
Ramet
Een module (bij een modulair organisme) die potentieel onafhankelijk kan blijven voortbestaan
Gamet
Verwijst naar het genotype — het product van één zygote
Populatie
Een verzameling individuen die tot dezelfde soort behoren en op dezelfde plaats voorkomen
Deme
Een populatie die op eenzelfde, vrij beperkte plaats voorkomt, met zeer intense interacties tussen de individuen
Panmixis
Elk individu van de ene sekse heeft een gelijke kans om te paren met elk individu van de andere sekse (paring bepaald door toeval) — slechts weinig populaties voldoen hieraan
Metapopulatie
Een verzameling van populaties die met elkaar interageren
Densiteit
Het aantal individuen per eenheid oppervlakte of volume (of specifieker bv. aantal parasieten per gastheer).
R₀
Het gemiddelde aantal vruchtbare vrouwelijke nakomelingen dat één wijfje van de originele cohorte gedurende een volledige generatie produceert — de snelheid waarmee de populatie groeit per individu per generatie R₀ > 1 = exponentiële groei, R₀ < 1 = exponentiële afname)
r (intrinsieke aangroeicapaciteit)
De snelheid waarmee de populatie in omvang verandert per individu, per tijdseenheid
Levensgeschiedeniskenmerken
Kenmerken die de levenscyclus definiëren en de demografie beïnvloeden, zoals maximale levensduur en leeftijd bij opeenvolgende voortplantingsbeurten
Dispersie
Het uitzwermen van organismen, weg van elkaar (verbreiding)
Migratie
De gerichte beweging van grote aantallen individuen van een soort van de ene locatie naar de andere
Draagkracht (K)
De maximale populatiegrootte die een omgeving duurzaam kan ondersteunen; wordt bereikt wanneer de groeisnelheid r = 0
Zwermvorming
het is een strategie om predatierisico te verlagen, met als keerzijde meer concurrentie binnen de groep — vandaar dat er een "sweet spot" in groepsgrootte bestaat.
Symbiose
Alle situaties waarbij organismen in een sterke associatie met elkaar leven — zowel parasitair als mutualistisch
Exploitatieconcurrentie
Verschillende populaties maken aanspraak op dezelfde beperkte bron — een indirecte interactie, waarbij de schaarste tot negatieve effecten leidt
Interferentieconcurrentie
Populaties verhinderen elkaar rechtstreeks bij het exploiteren van een bron — een directe, fysieke interactie
INTRAspecifieke concurrentie
Concurrentie tussen individuen binnen dezelfde populatie/soort
INTERspecifieke concurrentie
Concurrentie tussen individuen van populaties van verschillende soorten
Co-existentie
Wanneer twee populaties samen kunnen blijven leven — er is wel concurrentie, maar geen van beide sterft uit
Competitie-exclusieprincipe
Co-existerende soorten hebben een verschillende gerealiseerde niche (anders kan de ene soort de andere volledig verdringen)
Niche overlap
De mate waarin de ecologische niches van twee soorten samenvallen — hoe groter de overlap, hoe sterker de concurrentie.
Ectoparasiet
Een uitwendige parasiet die zich voedt met bv schurftmijt
Holoparasiet
Een parasiet die volledig afhankelijk is van zijn gastheer (voorbeeld bremrapen)
Hemiparasiet
Een parasiet die zelf nog aan fotosynthese kan doen en eventueel op zichzelf kan overleven, maar wel de groei van de gastheer sterk kan afremmen (voorbeeld maretak)
Gastheer-parasiet wapenwedloop
Het idee dat gastheer en parasiet voortdurend tegen elkaar mee-evolueren (verdediging vs. aanval)
Virulentie
De schade die een parasiet bij zijn gastheer veroorzaakt
Resistentie
Het vermogen van de gastheer om de schade veroorzaakt door de parasiet te beperken
Red Queen hypothese
Het idee dat gastheer en parasiet wel blijven evolueren ("blijven lopen"), maar het netto effect voor beide gelijk blijft — geen van beide "wint" uiteindelijk
Epidemiologie
De studie van de dynamiek van een parasiet in de gastheerpopulatie
Prevalentie
Het percentage geïnfecteerde gastheren in een gastheerpopulatie
Infectie-intensiteit
Het aantal parasieten op één individuele gastheer
Parasitaire abundantie
De gemiddelde infectie-intensiteit vermenigvuldigd met de omvang van de gastheerpopulatie
Levensgemeenschap
Een verzameling organismen die tot verschillende soorten behoren en samen op eenzelfde locatie voorkomen
Gemeenschapsecologie
Bestudeert interacties tussen populaties van verschillende soorten, functionele groepen en/of trofische niveaus, en de mechanismen die de samenstelling en diversiteit bepalen
Successie
Een niet-seizoenaal, directioneel en continu proces waarbij organismen een gebied koloniseren, het aanpassen, en na verloop van tijd verdrongen en vervangen worden door een nieuwe soort
Climaxvegetatie
Het type gebied dat ontstaat wanneer een omgeving voor lange tijd onaangeroerd blijft
Ecosysteem
Het geheel van een levensgemeenschap en zijn abiotische omgeving
Ecosysteemecologie
Bestudeert de energie- en materiefluxen tussen gemeenschappen en hun abiotische omgeving
Voedselweb
De realistische, complexe versie van een "voedselketen" (die eigenlijk een sterke vereenvoudiging is)