Macro-economie Praktijk Flashcards

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/58

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 6:52 AM on 8/17/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

59 Terms

1
New cards

Bruto Binnenlands Product (BBP)

De totale toegevoegde waarde die geproduceerd wordt door de economische activiteit binnen een bepaalde geografische entiteit gedurende een bepaalde periode (typisch een jaar).

2
New cards

Toegevoegde waarde (TW)

De marktwaarde van de productie (output) minus de marktwaarde van de daarvoor gebruikte intermediaire goederen (input); TW=outputinputTW = \text{output} - \text{input}.

3
New cards

Intermediaire goederen

Goederen die nog minstens één productiebewerking moeten ondergaan om omgezet te worden in finale goederen vooraleer ze geconsumeerd kunnen worden.

4
New cards

Bestedingsbenadering van het BBP

De som van alle bestedingen aan finale goederen en diensten, berekend als BBP=C+I+G+NXBBP = C + I + G + NX.

5
New cards

Bruto Nationaal Inkomen (BNI)

Het BBP gecorrigeerd met het netto-factorinkomen uit het buitenland; BNI=BBP+NFIBNI = BBP + NFI.

6
New cards

Netto Nationaal Beschikbaar Inkomen (NNBI)

Het inkomen dat effectief beschikbaar is voor consumptie door inwoners van een land, berekend als NNBI=NNI+NTRNNBI = NNI + NTR.

7
New cards

Depreciatie (D)

De waardevermindering van kapitaalgoederen als gevolg van slijtage tijdens het productieproces.

8
New cards

Lopende rekening van de betalingsbalans (LR)

De netto-inkomsten die een land verwerft in het buitenland via export, import, factorinkomens en transfers; LR=XM+NFI+NTRLR = X - M + NFI + NTR.

9
New cards

Lekken-en-injectiebenadering

Een macro-economisch evenwicht waarbij de injecties gelijk zijn aan de lekken: (Inetto+G+X)=(Snetto+T+M)(I_{netto} + G + X) = (S_{netto} + T + M).

10
New cards

BBP per capita

Het Bruto Binnenlands Product gedeeld door het aantal inwoners van een regio of land.

11
New cards

Nominaal BBP

Het BBP uitgedrukt in lopende prijzen, waarin zowel hoeveelheidswijzigingen als prijswijzigingen zijn opgenomen.

12
New cards

Reëel BBP

Het BBP uitgedrukt in constante prijzen van een basisjaar, zodat prijsveranderingen (inflatie) buiten beschouwing worden gelaten.

13
New cards

Koopkrachtpariteitswisselkoers (PPP)

De verhouding tussen de kostprijs van een bepaalde goederenbundel in het ene land en de kostprijs van diezelfde bundel in een ander land.

14
New cards

Consumptieprijsindex (CPI)

De gewogen gemiddelde prijsevolutie van een korf consumptiegoederen die representatief is voor het budget van een gemiddelde consument.

15
New cards

BBP-deflator

De verhouding tussen het nominale BBP en het reële BBP, berekend als nominale BBPree¨le BBP×100\frac{\text{nominale BBP}}{\text{reële BBP}} \times 100.

16
New cards

Easterlin paradox

De observatie dat het subjectieve welzijnsgevoel van mensen eerst stijgt met het inkomen, maar dat dit positieve verband verdwijnt zodra een zeker inkomensniveau is bereikt.

17
New cards

Potentieel BBP (Q*)

Het niveau van het BBP dat hypothetisch gerealiseerd zou worden bij een optimale en normale benutting van de productiefactoren arbeid en kapitaal.

18
New cards

Output Gap

Het verschil tussen het gerealiseerde reële BBP en het potentieel BBP, uitgedrukt als percentage van het potentieel BBP; QQQ×100\frac{Q - Q^*}{Q^*} \times 100.

19
New cards

Wet van Okun

De empirische regel dat wanneer het reële BBP 2%2\% onder het potentieel BBP ligt, de werkloosheidsgraad met 11 procentpunt stijgt.

20
New cards

Pigou-effect

Het verschijnsel waarbij een daling van het prijspeil het reële vermogen van consumenten doet stijgen, wat leidt tot hogere consumptiebestedingen.

21
New cards

Wet van Gresham

Het economische principe dat 'slecht geld' (met een lagere intrinsieke waarde) 'goed geld' (met een hoge intrinsieke waarde) uit de omloop verdringt.

22
New cards

Sneeuwbaleffect (Schuld)

De situatie waarin de overheidsschuldgraad automatisch stijgt omdat de rentelasten op de schuld hoger zijn dan de nominale groei van het BBP (i>gi > g).

23
New cards

Wet van Wagner

De stelling dat de vraag naar publieke diensten meer dan proportioneel stijgt naarmate het nationaal inkomen toeneemt (inkomenselastisch).

24
New cards

Wet van Baumol

De verklaring voor de relatieve groei van de publieke sector doordat de arbeidsproductiviteit daar trager stijgt dan in de private sector, terwijl de lonen wel meestijgen.

25
New cards

Fiduciair geld

Geld zonder intrinsieke waarde waarvan de waarde volledig gebaseerd is op het vertrouwen van de gebruikers in de uitgever.

26
New cards

Kredietmultiplicator

De maximale hoeveelheid giraal geld die door kredietverlening kan ontstaan uit een stijging van de bankreserves, gelijk aan 1r\frac{1}{r}.

27
New cards

Yieldcurve

Een figuur die het verband weergeeft tussen de rente op beleggingen (zoals overheidsobligaties) en hun verschillende looptijden.

28
New cards

Fishervergelijking

Het verband tussen de geldhoeveelheid (MM), de omloopsnelheid (VV), het prijspeil (PP) en de reële output (QQ), genoteerd als MV=PQMV = PQ.

29
New cards

Quantitative Easing (QE)

Een onconventioneel monetair beleid waarbij de centrale bank op grote schaal financiële activa opkoopt om de langetermijnrente te drukken en de economie te stimuleren.

30
New cards

Werkloosheidsgraad

De verhouding tussen het aantal werklozen en de totale beroepsbevolking; WerklozenBeroepsbevolking\frac{\text{Werklozen}}{\text{Beroepsbevolking}}.

31
New cards

Reservatieloon

Het minimale nominale loon dat een individu wenst te ontvangen om bereid te zijn arbeid aan te bieden op de arbeidsmarkt.

32
New cards

Loonwig

Het verschil tussen de totale loonkost voor de werkgever en het netto-ontvangen loon door de werknemer; loonkostnettoloonloonkost\frac{\text{loonkost} - \text{nettoloon}}{\text{loonkost}}.

33
New cards

Natuurlijke werkloosheid (U*)

Het niveau van werkloosheid dat eigen is aan de structurele werking van de arbeidsmarkt, bestaande uit frictionele en structurele werkloosheid.

34
New cards

Keynesiaanse consumptiefunctie

Het verband tussen consumptie en het beschikbare inkomen, gedefinieerd als C=C0+cYbC = C_0 + cY_b, waarbij cc de marginale consumptiequote is.

35
New cards

Crowding out (Verdringing)

Het verschijnsel waarbij een stijging van de overheidsbestedingen leidt tot een hogere rentestelling, wat vervolgens de private investeringen doet dalen.

36
New cards

Ricardiaanse equivalentie

De theorie dat consumenten hun huidige consumptie niet verhogen bij een belastingverlaging gefinancierd door schulden, omdat zij anticiperen op hogere belastingen in de toekomst.

37
New cards

Deadweight loss

Het welvaartsverlies dat ontstaat door marktbeperkingen (zoals belastingen of quota), uitgedrukt als het verloren surplus ten opzichte van de optimale situatie.

38
New cards

Samuelson-voorwaarde

De efficiëntievoorwaarde voor de voorziening van publieke goederen

39
New cards
40
New cards

Stagflatie

Een economische toestand waarbij inflatie optreedt gelijktijdig met stagnatie van de economische groei en hoge werkloosheid.

41
New cards

Fiscale politiek

Het gebruik van overheidsuitgaven en belastingheffing om de economie te beïnvloeden.

42
New cards

Monetair beleid

De maatregelen die de centrale bank neemt om de geldhoeveelheid en rentetarieven te beïnvloeden.

43
New cards

Open-marktoperaties

Monetair beleid waarbij de centrale bank obligaties koopt of verkoopt om de geldhoeveelheid te verhogen of verlagen.

44
New cards

Inflatie

De algemene stijging van het prijsniveau van goederen en diensten in een economie over een bepaalde periode.

45
New cards

Deflatie

De algemene daling van het prijsniveau van goederen en diensten.

46
New cards

Bestedingen

De uitgaven van huishoudens, bedrijven en de overheid die bijdragen aan de totale vraag in de economie.

47
New cards

Concurrentiepositie

De relatieve positie van een bedrijf of land binnen de markt ten opzichte van zijn concurrenten.

48
New cards

Overheidsuitgaven

De uitgaven die door de overheid worden gedaan voor publieke diensten, infrastructuur en sociale programma's.

49
New cards

Bruto toegevoegde waarde

De waarde die door een economische activiteit wordt toegevoegd aan een product of dienst.

50
New cards

Consumptieprijsindex (CPI)

De gewogen gemiddelde prijsevolutie van een korf consumptiegoederen die representatief is voor het budget van een gemiddelde consument.

51
New cards

BBP-deflator

De verhouding tussen het nominale BBP en het reële BBP, berekend als nominale BBPree¨le BBP×100\frac{\text{nominale BBP}}{\text{reële BBP}} \times 100.

52
New cards

Easterlin paradox

De observatie dat het subjectieve welzijnsgevoel van mensen eerst stijgt met het inkomen, maar dat dit positieve verband verdwijnt zodra een zeker inkomensniveau is bereikt.

53
New cards

Potentieel BBP (Q*)

Het niveau van het BBP dat hypothetisch gerealiseerd zou worden bij een optimale en normale benutting van de productiefactoren arbeid en kapitaal.

54
New cards

Output Gap

Het verschil tussen het gerealiseerde reële BBP en het potentieel BBP, uitgedrukt als percentage van het potentieel BBP; QQQ×100\frac{Q - Q^*}{Q^*} \times 100.

55
New cards

Wet van Okun

De empirische regel dat wanneer het reële BBP 2%2\% onder het potentieel BBP ligt, de werkloosheidsgraad met 11 procentpunt stijgt.

56
New cards

Pigou-effect

Het verschijnsel waarbij een daling van het prijspeil het reële vermogen van consumenten doet stijgen, wat leidt tot hogere consumptiebestedingen.

57
New cards

Wet van Gresham

Het economische principe dat 'slecht geld' (met een lagere intrinsieke waarde) 'goed geld' (met een hoge intrinsieke waarde) uit de omloop verdringt.

58
New cards

Sneeuwbaleffect (Schuld)

De situatie waarin de overheidsschuldgraad automatisch stijgt omdat de rentelasten op de schuld hoger zijn dan de nominale groei van het BBP (i>gi > g).

59
New cards

Wet van Wagner

De stelling dat de vraag naar publieke diensten meer dan proportioneel stijgt naarmate het nationaal inkomen toeneemt (inkomenselastisch).