1/58
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Bruto Binnenlands Product (BBP)
De totale toegevoegde waarde die geproduceerd wordt door de economische activiteit binnen een bepaalde geografische entiteit gedurende een bepaalde periode (typisch een jaar).
Toegevoegde waarde (TW)
De marktwaarde van de productie (output) minus de marktwaarde van de daarvoor gebruikte intermediaire goederen (input); TW=output−input.
Intermediaire goederen
Goederen die nog minstens één productiebewerking moeten ondergaan om omgezet te worden in finale goederen vooraleer ze geconsumeerd kunnen worden.
Bestedingsbenadering van het BBP
De som van alle bestedingen aan finale goederen en diensten, berekend als BBP=C+I+G+NX.
Bruto Nationaal Inkomen (BNI)
Het BBP gecorrigeerd met het netto-factorinkomen uit het buitenland; BNI=BBP+NFI.
Netto Nationaal Beschikbaar Inkomen (NNBI)
Het inkomen dat effectief beschikbaar is voor consumptie door inwoners van een land, berekend als NNBI=NNI+NTR.
Depreciatie (D)
De waardevermindering van kapitaalgoederen als gevolg van slijtage tijdens het productieproces.
Lopende rekening van de betalingsbalans (LR)
De netto-inkomsten die een land verwerft in het buitenland via export, import, factorinkomens en transfers; LR=X−M+NFI+NTR.
Lekken-en-injectiebenadering
Een macro-economisch evenwicht waarbij de injecties gelijk zijn aan de lekken: (Inetto+G+X)=(Snetto+T+M).
BBP per capita
Het Bruto Binnenlands Product gedeeld door het aantal inwoners van een regio of land.
Nominaal BBP
Het BBP uitgedrukt in lopende prijzen, waarin zowel hoeveelheidswijzigingen als prijswijzigingen zijn opgenomen.
Reëel BBP
Het BBP uitgedrukt in constante prijzen van een basisjaar, zodat prijsveranderingen (inflatie) buiten beschouwing worden gelaten.
Koopkrachtpariteitswisselkoers (PPP)
De verhouding tussen de kostprijs van een bepaalde goederenbundel in het ene land en de kostprijs van diezelfde bundel in een ander land.
Consumptieprijsindex (CPI)
De gewogen gemiddelde prijsevolutie van een korf consumptiegoederen die representatief is voor het budget van een gemiddelde consument.
BBP-deflator
De verhouding tussen het nominale BBP en het reële BBP, berekend als ree¨le BBPnominale BBP×100.
Easterlin paradox
De observatie dat het subjectieve welzijnsgevoel van mensen eerst stijgt met het inkomen, maar dat dit positieve verband verdwijnt zodra een zeker inkomensniveau is bereikt.
Potentieel BBP (Q*)
Het niveau van het BBP dat hypothetisch gerealiseerd zou worden bij een optimale en normale benutting van de productiefactoren arbeid en kapitaal.
Output Gap
Het verschil tussen het gerealiseerde reële BBP en het potentieel BBP, uitgedrukt als percentage van het potentieel BBP; Q∗Q−Q∗×100.
Wet van Okun
De empirische regel dat wanneer het reële BBP 2% onder het potentieel BBP ligt, de werkloosheidsgraad met 1 procentpunt stijgt.
Pigou-effect
Het verschijnsel waarbij een daling van het prijspeil het reële vermogen van consumenten doet stijgen, wat leidt tot hogere consumptiebestedingen.
Wet van Gresham
Het economische principe dat 'slecht geld' (met een lagere intrinsieke waarde) 'goed geld' (met een hoge intrinsieke waarde) uit de omloop verdringt.
Sneeuwbaleffect (Schuld)
De situatie waarin de overheidsschuldgraad automatisch stijgt omdat de rentelasten op de schuld hoger zijn dan de nominale groei van het BBP (i>g).
Wet van Wagner
De stelling dat de vraag naar publieke diensten meer dan proportioneel stijgt naarmate het nationaal inkomen toeneemt (inkomenselastisch).
Wet van Baumol
De verklaring voor de relatieve groei van de publieke sector doordat de arbeidsproductiviteit daar trager stijgt dan in de private sector, terwijl de lonen wel meestijgen.
Fiduciair geld
Geld zonder intrinsieke waarde waarvan de waarde volledig gebaseerd is op het vertrouwen van de gebruikers in de uitgever.
Kredietmultiplicator
De maximale hoeveelheid giraal geld die door kredietverlening kan ontstaan uit een stijging van de bankreserves, gelijk aan r1.
Yieldcurve
Een figuur die het verband weergeeft tussen de rente op beleggingen (zoals overheidsobligaties) en hun verschillende looptijden.
Fishervergelijking
Het verband tussen de geldhoeveelheid (M), de omloopsnelheid (V), het prijspeil (P) en de reële output (Q), genoteerd als MV=PQ.
Quantitative Easing (QE)
Een onconventioneel monetair beleid waarbij de centrale bank op grote schaal financiële activa opkoopt om de langetermijnrente te drukken en de economie te stimuleren.
Werkloosheidsgraad
De verhouding tussen het aantal werklozen en de totale beroepsbevolking; BeroepsbevolkingWerklozen.
Reservatieloon
Het minimale nominale loon dat een individu wenst te ontvangen om bereid te zijn arbeid aan te bieden op de arbeidsmarkt.
Loonwig
Het verschil tussen de totale loonkost voor de werkgever en het netto-ontvangen loon door de werknemer; loonkostloonkost−nettoloon.
Natuurlijke werkloosheid (U*)
Het niveau van werkloosheid dat eigen is aan de structurele werking van de arbeidsmarkt, bestaande uit frictionele en structurele werkloosheid.
Keynesiaanse consumptiefunctie
Het verband tussen consumptie en het beschikbare inkomen, gedefinieerd als C=C0+cYb, waarbij c de marginale consumptiequote is.
Crowding out (Verdringing)
Het verschijnsel waarbij een stijging van de overheidsbestedingen leidt tot een hogere rentestelling, wat vervolgens de private investeringen doet dalen.
Ricardiaanse equivalentie
De theorie dat consumenten hun huidige consumptie niet verhogen bij een belastingverlaging gefinancierd door schulden, omdat zij anticiperen op hogere belastingen in de toekomst.
Deadweight loss
Het welvaartsverlies dat ontstaat door marktbeperkingen (zoals belastingen of quota), uitgedrukt als het verloren surplus ten opzichte van de optimale situatie.
Samuelson-voorwaarde
De efficiëntievoorwaarde voor de voorziening van publieke goederen
Stagflatie
Een economische toestand waarbij inflatie optreedt gelijktijdig met stagnatie van de economische groei en hoge werkloosheid.
Fiscale politiek
Het gebruik van overheidsuitgaven en belastingheffing om de economie te beïnvloeden.
Monetair beleid
De maatregelen die de centrale bank neemt om de geldhoeveelheid en rentetarieven te beïnvloeden.
Open-marktoperaties
Monetair beleid waarbij de centrale bank obligaties koopt of verkoopt om de geldhoeveelheid te verhogen of verlagen.
Inflatie
De algemene stijging van het prijsniveau van goederen en diensten in een economie over een bepaalde periode.
Deflatie
De algemene daling van het prijsniveau van goederen en diensten.
Bestedingen
De uitgaven van huishoudens, bedrijven en de overheid die bijdragen aan de totale vraag in de economie.
Concurrentiepositie
De relatieve positie van een bedrijf of land binnen de markt ten opzichte van zijn concurrenten.
Overheidsuitgaven
De uitgaven die door de overheid worden gedaan voor publieke diensten, infrastructuur en sociale programma's.
Bruto toegevoegde waarde
De waarde die door een economische activiteit wordt toegevoegd aan een product of dienst.
Consumptieprijsindex (CPI)
De gewogen gemiddelde prijsevolutie van een korf consumptiegoederen die representatief is voor het budget van een gemiddelde consument.
BBP-deflator
De verhouding tussen het nominale BBP en het reële BBP, berekend als ree¨le BBPnominale BBP×100.
Easterlin paradox
De observatie dat het subjectieve welzijnsgevoel van mensen eerst stijgt met het inkomen, maar dat dit positieve verband verdwijnt zodra een zeker inkomensniveau is bereikt.
Potentieel BBP (Q*)
Het niveau van het BBP dat hypothetisch gerealiseerd zou worden bij een optimale en normale benutting van de productiefactoren arbeid en kapitaal.
Output Gap
Het verschil tussen het gerealiseerde reële BBP en het potentieel BBP, uitgedrukt als percentage van het potentieel BBP; Q∗Q−Q∗×100.
Wet van Okun
De empirische regel dat wanneer het reële BBP 2% onder het potentieel BBP ligt, de werkloosheidsgraad met 1 procentpunt stijgt.
Pigou-effect
Het verschijnsel waarbij een daling van het prijspeil het reële vermogen van consumenten doet stijgen, wat leidt tot hogere consumptiebestedingen.
Wet van Gresham
Het economische principe dat 'slecht geld' (met een lagere intrinsieke waarde) 'goed geld' (met een hoge intrinsieke waarde) uit de omloop verdringt.
Sneeuwbaleffect (Schuld)
De situatie waarin de overheidsschuldgraad automatisch stijgt omdat de rentelasten op de schuld hoger zijn dan de nominale groei van het BBP (i>g).
Wet van Wagner
De stelling dat de vraag naar publieke diensten meer dan proportioneel stijgt naarmate het nationaal inkomen toeneemt (inkomenselastisch).