1/48
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Collectieve goederen
Voorzieningen voor alle burgers, geleverd en betaald door de overheid.
Collectieve sector
De overheid en instellingen voor sociale zekerheid (zoals UWV). Maken geen winst.
Innovatie
Het ontwikkelen van nieuwe productiemethodes of nieuwe producten.
Marktwerking
Aanbieders van producten concurreren met elkaar op kwaliteit en prijs.
Particuliere sector
Alle burgers en bedrijven. Bedrijven proberen winst te maken.
Privatisering
De overheid verkoopt een dienst of activiteit aan de particuliere sector.
Actieven
De mensen die hun eigen inkomen verdienen.
Sociaal minimum
Een door de overheid vastgesteld maandelijks bedrag dat je minimaal nodig hebt om van te leven.
Sociale voorzieningen
Uitkeringen die de overheid met belastinggeld betaalt, zoals bijstand.
Solidariteitsbeginsel
Iedereen met een inkomen staat een deel af voor mensen zonder inkomen.
Volksverzekering
Uitkering waar iedere inwoner in bepaalde gevallen recht op heeft (bijv. AOW).
Werknemersverzekering
Uitkering voor mensen die in loondienst werken of hebben gewerkt (bijv. WW).
Directe belastingen
Belasting die je rechtstreeks aan de overheid betaalt (bijv. inkomstenbelasting).
Indirecte belastingen
Belastingen die verwerkt zijn in de prijs van een product (bijv. btw of accijns).
Inkomstenbelasting
Belasting die iedereen over zijn inkomen moet betalen.
Niet-belastingontvangsten
Andere inkomsten van de overheid, zoals boetes en winsten uit overheidsbedrijven.
Vennootschapsbelasting
Belasting die bv's en nv's betalen over hun winst.
Begrotingsoverschot
De (verwachte) uitgaven zijn lager dan de (verwachte) inkomsten.
Begrotingstekort
De (verwachte) uitgaven zijn hoger dan de (verwachte) inkomsten.
Miljoenennota
Toelichting op de rijksbegroting waarin de regering de keuzes uitlegt.
Rijksbegroting
De verwachte inkomsten en uitgaven van het rijk in het komende jaar.
Staatsschuld
Schuld van de overheid die ontstaat door geld te lenen bij een begrotingstekort.
Afschrijving
De jaarlijkse waardevermindering van kapitaalgoederen.
Arbeidsintensief
Er wordt naar verhouding meer met mensen dan met machines geproduceerd.
Bedrijfskolom
Alle bedrijven die na elkaar aan een product meewerken.
Kapitaalintensief
Er wordt naar verhouding meer met machines dan met mensen geproduceerd.
Productiefactoren
Middelen om iets te produceren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.
Toegevoegde waarde
Wat producten meer waard worden doordat bedrijven ze bewerken.
Bedrijfskosten
De kosten om een bedrijf te kunnen runnen, zoals huur en loonkosten.
Brutowinstopslag
Het bedrag dat een winkelier optelt bij de inkoopprijs om de verkoopprijs te berekenen.
Btw
Belasting over de toegevoegde waarde, die de winkelier optelt bij de verkoopprijs.
Consumentenprijs
De verkoopprijs inclusief btw.
Inkoopprijs
De prijs die een winkelier betaalt voor een product dat hij later wil verkopen.
Verkoopprijs
De prijs waarvoor een winkelier een product verkoopt (zonder btw).
Aanbod
Alles wat producenten te koop aanbieden.
Afzet
Het aantal producten dat je verkoopt.
Brutowinst
Wat je overhoudt van de omzet nadat je de inkoopwaarde ervan betaald hebt.
Inkoopwaarde
Het bedrag dat je voor de inkoop van goederen betaald hebt (Afzet x Inkoopprijs).
Marktaandeel
De afzet of omzet in procenten van de totale markt.
Nettoresultaat
Nettowinst of nettoverlies (Brutowinst minus de bedrijfskosten).
Omzet
Verkoopopbrengst: het totale bedrag dat je ontvangt door de verkoop (Afzet x Verkoopprijs).
Vraag
Hoeveel producten de mensen willen kopen.
Arbeidsproductiviteit
De productie per persoon in een bepaalde tijd.
Maatschappelijke kosten
Negatieve gevolgen van productie voor de samenleving (bijv. milieuvervuiling).
Maatschappelijke opbrengsten
Positieve gevolgen van productie voor de samenleving.
Maatschappelijk verantwoord ondernemen
Bedrijven houden bij hun productie rekening met de gevolgen voor mens en milieu.
Productiecapaciteit
De maximale hoeveelheid die een bedrijf kan produceren.
Vaste kosten
Kosten die gelijk blijven, ook als je meer of minder produceert (bijv. huur).
Variabele kosten
Kosten die meeveranderen als je meer of minder gaat produceren (bijv. grondstoffen).