1/508
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Biotechnologie
Technologie waarbij biologische kennis en/of levende organismen worden gebruikt om nuttige producten of processen te ontwikkelen.
Klassieke biotechnologie
Traditionele biotechnologie, zoals het kweken van planten en dieren en het gebruik van bacteriën, gisten en schimmels voor brood, bier, wijn en kaas.
Moderne biotechnologie
Biotechnologie waarbij rechtstreeks wordt ingegrepen op DNA en genetische eigenschappen.
Rode biotechnologie
Biotechnologische toepassingen in de geneeskunde, zoals geneesmiddelen en vaccins.
Groene biotechnologie
Biotechnologische toepassingen in de landbouw.
Witte biotechnologie
Biotechnologische toepassingen in voeding en industrie.
GGO
Genetisch gemodificeerd organisme; organisme waarvan het genetisch materiaal kunstmatig is gewijzigd.
Bt-maïs / Bt-katoen
Gewassen die genetische informatie bevatten voor de productie van het insectenwerende Bt-eiwit.
Chymosine
Enzym dat melk doet stremmen en gebruikt wordt bij de kaasproductie.
Laccase
Enzym dat bepaalde moleculen in hout/papierpulp afbreekt en onder andere wordt gebruikt voor chloorvrij bleken van papier.
Protease
Enzym dat eiwitten afbreekt.
Lipase
Enzym dat vetten en oliën afbreekt.
Genetisch materiaal
Materiaal waarin erfelijke informatie is opgeslagen; in deze cursus voornamelijk DNA.
DNA
Desoxyribonucleïnezuur; molecule die genetische informatie draagt.
Gen
Deel van het genetisch materiaal dat informatie bevat voor een functioneel product, zoals een eiwit.
Chromosoom
Structuur die DNA bevat en de drager vormt van erfelijke informatie.
Genoom
Het volledige genetische materiaal van een organisme.
Genetische informatie
Informatie die in de nucleotidevolgorde van DNA is opgeslagen.
Erfelijkheid
Het doorgeven van genetische informatie aan dochtercellen en nakomelingen.
Eiwit
Moleculaire eindproducten van genen die allerlei functies in cellen uitvoeren.
Prokaryoot
Organisme waarvan het DNA niet in een membraan-omgeven celkern ligt.
Eukaryoot
Organisme waarvan het DNA zich in een celkern bevindt.
Nucleoïde
Gebied in een prokaryote cel waarin het belangrijkste chromosomale DNA ligt.
Prokaryoot chromosoom
Gewoonlijk één groot, circulair DNA-molecule in de nucleoïde.
Extrachromosomaal DNA
DNA dat zich buiten het belangrijkste chromosoom bevindt.
Plasmide
Klein, meestal circulair, dubbelstrengs DNA-molecule dat buiten het chromosoom voorkomt.
Horizontale genoverdracht
Overdracht van genetisch materiaal tussen organismen/cellen, bijvoorbeeld tussen bacteriën.
Dubbele helix
Ruimtelijke structuur van DNA waarbij twee DNA-strengen rond elkaar gewikkeld zijn.
DNA-streng
Ketting van nucleotiden.
Nucleotide
Bouwsteen van DNA/RNA bestaande uit suiker, fosfaatgroep en base.
Desoxyribose
Suiker die in DNA voorkomt.
Ribose
Suiker die in RNA voorkomt.
Fosfaatgroep
Onderdeel van een nucleotide dat de suiker-fosfaatruggengraat vormt.
Base
Stikstofhoudend onderdeel van een nucleotide.
Purine
Baseklasse met dubbele ring: adenine en guanine.
Pyrimidine
Baseklasse met enkele ring: cytosine, thymine en in RNA uracil.
Adenine (A)
Purinebase die complementair paart met thymine in DNA.
Guanine (G)
Purinebase die complementair paart met cytosine.
Cytosine (C)
Pyrimidinebase die complementair paart met guanine.
Thymine (T)
Pyrimidinebase van DNA die complementair paart met adenine.
Uracil (U)
Base in RNA die de plaats van thymine inneemt.
Complementariteit
Het principe waarbij specifieke basen met elkaar paren: A-T en C-G.
Waterstofbinding
Binding tussen complementaire basen die de twee DNA-strengen bij elkaar houdt.
Fosfodiësterbinding
Binding tussen opeenvolgende nucleotiden in de suiker-fosfaatruggengraat.
5’-uiteinde
Uiteinde van een nucleïnezuur met de 5’-oriëntatie.
3’-uiteinde
Uiteinde met de vrije 3’-OH-groep waar polymerisatie plaatsvindt.
Antiparallel
De twee DNA-strengen lopen in tegengestelde richtingen: 5’→3’ en 3’→5’.
Basepaar (bp)
Een gepaard basenpaar in dubbelstrengs DNA.
Kilobase (kb)
1000 baseparen volgens de cursus.
DNA-sequentie
De specifieke volgorde van nucleotiden in DNA.
ssDNA
Single-stranded DNA; enkelstrengs DNA.
dsDNA
Double-stranded DNA; dubbelstrengs DNA.
DNA-duplex
Dubbelstrengs DNA-molecule.
DNA-replicatie
Verdubbeling van DNA vóór celdeling.
Origin / origin of replication
Specifieke DNA-sequentie waar DNA-replicatie start.
Initiatorproteïne
Eiwit dat aan de origin bindt en de replicatie helpt starten.
Replicatiebel
Geopend gedeelte van de DNA-dubbele helix tijdens replicatie.
Replicatievork
Plaats waar de DNA-strengen uit elkaar gaan en nieuwe DNA-strengen worden gevormd.
DNA-helicase
Enzym dat de dubbele DNA-helix opent/afwikkelt.
Single-strand bindingsproteïne
Eiwit dat bindt aan enkelstrengs DNA en voorkomt dat de strengen opnieuw basenparen vormen.
Topoisomerase
Enzym dat spanning en windingen in DNA vermindert door tijdelijk DNA te knippen en weer te sluiten.
DNA-polymerase
Enzym dat nieuwe DNA-strengen synthetiseert.
DNA-polymerase III
DNA-polymerase dat centraal staat bij DNA-replicatie.
DNA-polymerase I
Polymerase dat onder andere betrokken is bij het vervangen van primers in Okazaki-fragmenten.
Primase / DNA-primase
Enzym dat een korte RNA-primer maakt.
Primer
Kort nucleïnezuurfragment dat een vrij 3’-uiteinde levert voor DNA-polymerase.
Leading strand
DNA-streng die relatief continu wordt gesynthetiseerd.
Lagging strand
DNA-streng die discontinu wordt gesynthetiseerd.
Okazaki-fragment
Kort DNA-fragment dat op de lagging strand wordt gevormd.
DNA-ligase
Enzym dat DNA-fragmenten aan elkaar koppelt.
Proofreading
Controlemechanisme waarmee tijdens DNA-synthese fouten worden herkend en gecorrigeerd.
Pyrofosfaat (PP)
Fosfaatgroep die vrijkomt bij inbouw van een nucleotide en energie vrijmaakt voor de reactie.
dATP
Desoxyadenosinetrifosfaat; DNA-bouwsteen met adenine.
dGTP
Desoxyguanosinetrifosfaat.
dCTP
Desoxycytidinetrifosfaat.
dTTP
Desoxythymidinetrifosfaat.
dNTP
Verzamelnaam voor de normale desoxyribonucleotidetrifosfaten.
Supercoiling
Extra winding van DNA als gevolg van topologische spanning.
Positieve supercoiling
DNA wordt sterker in de richting van de normale helix gedraaid.
Negatieve supercoiling
DNA wordt in tegengestelde richting gedraaid en daardoor meer ontspannen.
Topo-isomerase I
Knipt volgens de cursus één DNA-streng en vermindert windingen; ATP-onafhankelijk.
Topo-isomerase II
Knipt beide DNA-strengen en laat een ander DNA-gedeelte erdoorheen gaan.
Exonuclease
Nuclease dat nucleotiden vanaf een uiteinde verwijdert.
Endonuclease
Nuclease dat binnen een nucleïnezuurketen knipt.
Nuclease
Enzym dat nucleïnezuren afbreekt door fosfodiësterbindingen te verbreken.
Restrictie-enzym
Endonuclease dat een specifieke DNA-sequentie herkent en daar knipt.
Restrictiesequentie
Specifieke DNA-sequentie die door een restrictie-enzym wordt herkend.
Telomeer
Herhalende nucleotide-sequenties aan het uiteinde van een eukaryoot chromosoom.
Telomerase
Enzym bestaande uit eiwit en RNA dat telomeren verlengt.
Eindreplicatieprobleem
Probleem waarbij de laatste primer van de lagging strand niet normaal kan worden vervangen.
Template/matrijs
Bestaande nucleïnezuurstreng die als voorbeeld dient voor synthese van een complementaire streng.
RNA
Ribonucleïnezuur; nucleïnezuur dat onder andere betrokken is bij genexpressie en eiwitsynthese.
Transcriptie
Overschrijven van DNA-informatie naar RNA.
RNA-polymerase
Enzym dat RNA synthetiseert op basis van een DNA-template.
Promotor
DNA-sequentie waar RNA-polymerase en/of transcriptiefactoren aan binden om transcriptie te starten.
Transcriptiestartplaats
Plaats (+1) waar de eerste nucleotide van het RNA wordt overgeschreven.
Sense-streng
DNA-streng die dezelfde sequentie heeft als het mRNA, met T in plaats van U.
Antisense-streng
DNA-streng die als template dient voor de RNA-synthese.
Template-streng
Streng die als matrijs wordt gebruikt voor synthese van een complementaire streng.
Transcript
RNA-product dat door transcriptie wordt gevormd.