Virale ziekten rund

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/76

Last updated 6:55 PM on 1/21/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

77 Terms

1
New cards
Etiologie enzoötische bronchopneumonie
* **Enkel tropisme voor ADH stelsel**:
* respiratoir syncitieel virus (bRSV)(‘pinkengriep’)
* parainfluenza 3 (PI3) (‘shipping fever’)
* boviene adenovirus type 3 (BAV3) → afnemend
* bovien coronavirus (BCV) → toenemend
* **O.a. tropisme voor ADH stelsel** → BHV1, BVD-MD, BTV, BHV4
* **Bacterieel** → Mannheimia, Corynebacterium, Mycoplasma
* **Endogene factoren** → stress, immunosuppressie, verlies maternale immuniteit, etc.
* **Exogene factoren** → hoge dierenconcentratie, gasconcentraties, ventilatie, vochtigheid, etc.
2
New cards
Overdracht enzoötische bronchopneumonie
* **aerogeen (PI3)**
* direct contact (alle)
* omgeving (BA3)
* dragers (bRSV, BHV1)
3
New cards
Pathogenese enzoötische bronchopneumonie
* Infecteren en kapot maken respiratoir epitheel → basale cellen blijven aanwezig en proberen het basaalmembraan te bedekken


* Duurt paar weken tot volledige regeneratie optreedt
* Bacteriën zien opportuniteit als epitheel kapot is → sterkere ontstekingsreactie → necrotische rhinitis en pneumonie
4
New cards
Kliniek enzoötische bronchopneumonie (8)
* Korte incubatieperiode: 1-2d
* Koorts
* Lichte depressie
* Rhinitis, sereuze neusuitvloei
* Lichte conjunctivitis, epifora
* Hyperpnee, dyspnee, hoest
* Duur en ergheid van infectie is afhankelijk van het al dan niet optreden van een bacteriële co-infectie
* Vooral eerste herfst/winterperiode
5
New cards
Kliniek pinkengriep - bRSV-B (7)
* incubatieperiode 2-8d
* koorts
* depressie
* rhinitis, sereuze neusuitvloeiing
* lichte conjunctivitis, verhoogde tranenvloei
* uitgesproken hyperpnee, vooral expiratoire dyspnee, hoest → als in erge zuurstofnood kan sterfte optreden
* gestrekte nek, gespreide voorpoten, open muil, cyanotische slijmvliezen
6
New cards
Immuniteit enzoötische bronchopneumonie
Collostrale immuniteit is erg belangrijk
7
New cards
Vaccinatie kalveren enzoötische bronchopneumonie
* Vaak vaccinatie voor de winter in plaats van op een bepaalde leeftijd → augustus/september → IM of IN
* Vaccineren op leeftijd: IM op 3m-4m en elke 6m-12m herhalen
* Op probleembedrijven ook IN vaccineren op 5-6w
8
New cards
Virale spijsverteringsstoornissen (3)
Lokaal type:

* Bovien rotavirus
* Bovien coronavirus


Algemeen type:

* BVD: bovien viraal diarree virus
9
New cards
Kenmerken bovien rotavirus (6)
- Geen envelop
- Resistent
- Niet gevoelig aan detergenten
- Gevoelig aan formol
- Hoofdzakelijk 1 serotype
- 1 biotype
10
New cards
Kenmerken bovien coronavirus (3)
- Envelop
- Weinig resistent
- Gevoelig aan detergenten en meeste desinfectantia
11
New cards
Overdracht spijsverteringsstoornissen
Orofecaal → via direct contact en via omgeving
12
New cards
Pathogenese spijsverteringsstoornissen
Virus komt binnen via lumen en gaat repliceren in de enterocyten → villi worden ingekort
13
New cards
Kliniek spijsverteringsstoornissen
* sufheid, depressie
* anorexia
* malabsorptie → diarree (pasteus tot waterig)
14
New cards
Immuniteit spijsverteringsstoornissen (4)
* Lokale antistoffen zijn belangrijk → IgA
* Geen common mucosaal immuniteit systeem aanwezig → plasmacellen bewegen niet richting de uier → **geen lactogene immuniteit**. Dit zorgt ervoor dat diarree bij kalveren een groot probleem is (sterfte mogelijk).
* kalveren hebben ook minder mucus!
* Colostrale immuniteit geeft slechts enkele dagen bescherming
* Bij monogastrische dieren is er altijd IgA aanwezig in de darm, maar bij polygastrische dieren is dit niet het geval
15
New cards
Behandeling spijsverteringsstoornissen (2)
* AB → tegen 2º bac infecties
* Toediening elektrolyten en glucose PO (kan bij melk)
16
New cards
Preventie spijsverteringsstoornissen (6)
* Kalfstal reinigen en ontsmetten na elke kalving
* Niet-zuigkalveren zo snel mogelijk verwijderen uit kalverstal
* Kalveren geïsoleerd opstallen → iglo
* Zo snel mogelijk na geboorte colostrum toedienen
* Zo lang mogelijk colostrum toedienen → soort lactogene immuniteit nabootsen
* Maternale immuniteit verbeteren → koe 6w en 3w voor partus vaccineren (rota/corona/E. coli combinatie)
17
New cards
Kenmerken mond en klauwzeer virus (MKZV) (6)
* Picornaviridae genus aphtovirus
* Veel verschillende serotypes met hierbinnen verschillende varianten
* verschillende types in verschillende regios in europa/wereld
* Geen envelop
* Zeer resistent in de buitenwereld (tot 1j bij 4ºC)
* Wel gevoelig aan pH en temperatuur
* Eradicatie in Europa → wel aanwezig in Afrika en Azië
18
New cards
Gastheren MKZV (3)
* Varkens zijn vermeerderingsgastheer → gaan veel virus uitscheiden
* Runderen zijn meest gevoelig → virus gaat makkelijk aanslaan met duidelijke ziektebeeld
* Schapen en buffels zijn onderhoudsgastheren → geen kliniek (gevaar!)
19
New cards
Overdracht MKZV (4)
* Excreties
* Aerogeen
* Etensresten
* Overdracht tss rund, schaap en varken
20
New cards
Pathogenese MKZV
Opname → lymfoïde weefsels → viremie → verhoornd epitheel en hartspier (jonge dieren)
21
New cards
DDX MKZ
* pseudopokken (parapoxvirus 2)
* BVD - mucosal disease
* BKK
* Blue tongue serotype 8 schaap en rund
22
New cards
Kliniek MKZV
- Duidelijke laesies ter hoogte van muil, poten en tepels
- Gaan door laesies veel speekselen
23
New cards
Typisch beeld pokletsel
Centraal necrose (\=poknavel), daarrond een geel bandje (\=ontstekingscellen) en aan de buitenkant een rode zone (\=replicatiezone)
24
New cards
Controle MKZV
* Aangifteplicht
* Voedselafval van vliegtuigen en boten niet aan varkens voederen
* Bij uitbraak: afslachten alle dieren, schutkring, preventief ruimen van contactbedrijven
* Een snelle, correcte diagnose is zeer belangrijk!
25
New cards
Diagnose MKZV (4)
* Materiaal: epitheel, blaarinhoud (=belangrijk), speeksel, bloed, melk.
* We kunnen gaan testen op aanwezigheid van viraal materiaal → VI, Ag, RT-PCR of EM, of aanwezigheid van antistoffen (ELISA, SN).
* Eigenlijk is VI de enige methode om definitief te kunnen zeggen of een staal positief of negatief is, de andere methoden zijn eerder indicatief.
* Kunnen wel antistoffen testen om te zien hoe ver we zijn in de epidemie
26
New cards
Differentiatie geïnfecteerde en gevaccineerde MKZV
* ELISA waarmee we op groepsniveau het onderscheid kunnen maken
* In geïnactiveerde vaccins zijn gezuiverde viruspartikels aanwezig met enkel structurele eiwitten (→ geen niet-structurele eiwitten). Bij gevaccineerde dieren gaan er dus geen antistoffen aanwezig zijn tegen niet-structurele eiwitten, maar bij geïnfecteerde dieren wel.
27
New cards
Kenmerken blue tong virus (3)
* Reoviridae genus Orbivirus
* Zeer resistent
* Veel serotypes → heel weinig cross-immunity
28
New cards
Overdracht blue tongue virus
* Culicoides = biologische vector → vermeerdering in speekselklier → levenslang besmet!
* Andere insecten → mechanische vector
* Dier - dier → semen, placenta, iatrogeen
29
New cards
Pathogenese blue tongue virus
* Virus komt binnen via insect of van ander dier


* Lymfeknopen (lymfos en macrofagen) en bloedvaten (endotheliale cellen) → viremie
* Het virus is immuno-evasief waardoor persistentie kan ontstaan over een langere periode → viremie tot 7w!
30
New cards
Kliniek blue tongue virus schaap/rund (9)
Week 1:

* Koorts, depressie, anorexie
* Ptyalisme, snot, traanuitvloei
* Stomatitis, rhinitis, faryngitis met ulceraties
* Oedeem (kop)
* Soms blauwverkleuring kop → door problemen met circulatie


Week 2:

* Gestoorde motorriek
* Myositis (stijf, gekromde rug)
* Soms abortus, ADH problemen, SVS stoornissen
* Sterfte 20%
31
New cards
Kliniek bij infectie van foetus met blue tongue virus (2)
* Cerebrum laesies → hydranencephalie (water ± geen hersenen)
* Cerebellum en hersenstam normaal → abortus of doodgeboorte
32
New cards
Controle blue tongue virus
* Insectenbestrijding → niet nuttig/haalbaar in de praktijk.
* Met vaccinatie kunnen we het virus goed onder controle krijgen.
* Runderen gaan we 2x vaccineren (1m tss) en schapen 1x (rendement)
* Geinactiveerde vaccin BTV-8
* Citroenzuur bakken op wegen → gevoelig aan pH → minder verspreiding
33
New cards
Kenmerken papillomavirus (6)
* Geen envelop
* Niet gevoelig aan detergenten
* Gevoelig aan formol
* Gevoelig aan alkali
* 2 genotypes - A, B
* 3 serotypes
* A: 1, 2, 5 → fibropapilloma
* B: 3, 4, 6 → epitheliale papilloma
34
New cards
Fibropapilloma vs. epitheliale papilloma
* Bij een fibropapilloma is ook een bindweefselas aanwezig.
* Bij een epitheliale papilloma woekert enkel epitheel.
35
New cards
Waar zien we laesies bij de verschillende papillomavirussen? (3)
* **Bovien papillomavirus 1 en 2** → huid (laesies) → nek en buik, kop, poten, tepels, vagina, vulva, preputium.


* **Bovien papillomavirus 4** → SVS → mondholte, farynx, slokdarm, magen, darmen.
* **Papillomavirus 5 en 6** → tepels
36
New cards
Overdracht papillomavirus
Overdracht gebeurt vooral via __laesies__, maar ook via direct contact (bv niet goed afgestelde melkmachine) en omgeving
37
New cards
Pathogenese papillomavirus
Laesie van de huid (=stratum corneum doorbroken) → innoculatie van virus → replicatie en proliferatie in het stratum granulosum

→ 1,2,5 = str. granulosum tot letsel → itt 3,4,6 = enkel proliferatie str. corneum
38
New cards
Behandeling papillomavirus (3)
* Wrat kapot maken → virus aanbieden aan immuniteit
* Als de wratten hinderen kunnen ze chirurgisch verwijderd worden
* Autovaccin
39
New cards
Transmissie Aujeszky virus
* van varken naar andere zoogdieren → inclusief rund
* aerogeen
* via voedsel
* iatrogeen
40
New cards
Kliniek Aujeszky virus (12)
* Ziektebeeld verloopt snel van zodra je symptomen ziet
* Anorexie
* Onrustig
* Zweten
* Waggelende gang
* Intense jeuk
* Schoppen naar buik
* Paralyse
* Krampen → tonisch-klonisch
* Dyspnee
* Speekselen
* Finaal bewusteloos en sterven (36-48u na starten kliniek)
41
New cards
Mortaliteit Aujeszky virus
100%
42
New cards
Diagnose Aujeszky virus
IF of VI van het RM of hersenstam
43
New cards
Bestrijding Aujeszky virus
* In de praktijk worden runderen niet gevaccineerd.
* Het vaccin voor varkens is niet geschikt voor runderen
44
New cards
Pathogenese BSE
* **Opstapeling van eiwitten met abnormale vorm.**
* Normaal heeft het eiwit een alfa-helix vorm → makkelijk afbreekbaar en stapelt niet op.
* Abnormale vorm = **beta sheets** → worden niet afgebroken → gaan opstapelen → amyloid
* **PrP-gen** zorgt voor vorming alfa-helix proteïnen → komen tot expressie op membraan → worden van tijd tot tijd opgenomen en afgebroken om dan vernieuwd te worden → gaat goed bij alfa-helix vorm.
* Er kan een **spontane switch** zijn van alfa-helix naar beta sheet proteïnen.
* Er kan ook een **mutatie** zijn in het PrP-gen (tot PrPsc-gen) waardoor beta-sheet proteïnen gevormd worden.
* Abnormale eiwitten zijn op zichzelf infectieus = prionen. Prionen worden aan cel aangeboden → switch van alfahelix naar beta sheets.
45
New cards
“infectieuze proteine”
= prion

* eiwit is op zijn eigen infectief! → als aangeboden aan een cel zal deze ook de switch maken naar beta sheets
* eens in de hersenen → geen terugweg!
* veel zaken die we nog niet kennen
46
New cards
Prionen zijn resistent aan .. (5)
- UV
- Zuren
- Koken
- Formol
- Proteasen
47
New cards
Prionen zijn gevoelig voor .. (3)
- Alkali
- 2u aan 133 graden bij hoge druk
- Organische oplosmiddelen
48
New cards
Epidemiologie BSE (4)
* Is spontaan begonnen bij een rund. Door het voederen van rundveemateriaal aan andere runderen kon het verspreiden.
* Vooral aantasting op melkveebedrijven → veel krachtvoeder → veel beender- en vleesmateriaal van runderen.
* Eigenlijk geen vrije populaties → er kunnen altijd spontane vormen ontstaan → wel teruggevallen naar een nihil level.
* Rund wordt geïnfecteerd door perorale opname van prionen.
49
New cards
Kliniek BSE (4)
* Eerst gedragsveranderingen → onrustig, schrikachtig → “mad cows disease”
* Hierna ontstaan motorische problemen → evenwichtsstoornissen, hoog opheffen poten, vallen, tremor.
* Finaal sterfte
* De incubatieperiode is erg lang
50
New cards
Waar zit de infectiviteit van BSE?
De infectiviteit zit vooral in de hersenen (64%) en RM (26%). Verder kunnen we het vinden in ganglia, ileum, milt en ogen.
51
New cards
Diagnose BSE
Dit kan enkel op dode dieren op de hersenen. Er zijn 4 technieken:

* LM → sponsstructuur
* Kleuren abnormale eiwitten met LM → bruine neerslag prionen
* EM → fibrillen
* ELISA → speciale lepel steken thv middenhersenen
* (Een bijkomende techniek is Western blot. Hierbij worden eiwitten gescheiden.)
52
New cards
Kliniek BSE bij de mens = vCJD (4)
* Lange incubatieperiode: 5-15j
* Start met dysaesthesie → raar gevoel, pijn in ledematen en gezicht
* Hierna gedragsveranderingen → depressie, angst, waanideeën, agressie, slapeloosheid, emotionele labiliteit
* Finaal → cerebellaire incoördinatie (ataxie) en dementie
53
New cards
BVD-MD virus wordt veroorzaakt door ..
Flaviviridae genus pestivirus
54
New cards
Welke virussen behoren tot flaviviridae genus pestivirus? (3)
- Klassieke varkenspestivurs
- Border disease virus
- BVD - MD virus
55
New cards
2 genotypen BVD-MD
Genotype 1 → 2 biotypes:

* Niet-cytopathisch biotype (ncp) → circuleert → repliceert in lymfoïde weefsels.


* Cytopathisch biotype (cp) → kan ontstaan uit niet-cytopathisch biotype → uitzonderlijk

\
Genotype 2

* Hemorragisch syndroom → zelden
56
New cards
Cytopathisch biotypes vs. niet-cytopathisch biotype BVD (3)
* Biologisch → verschil in cytopathisch effect celculturen → bij het cytopathische biotype gaan de cellen kapot, bij niet-cytopathisch is dat niet het geval. Hierdoor kan de niet-cytopathische vorm alle celculturen besmetten zonder dat je dit direct merkt.
* Biochemisch → splitsing van NS2-3 gebeurt alleen bij cp virussen
* Het optreden van het biotype cp wordt geassocieerd met MD (mucosal disease)
57
New cards
Hoe ontstaat een MD kalf?
NS2-3 is een niet-structureel eiwit. Als NS2-3 in twee geknipt wordt (NS2 en NS3) ontstaat een MD kalf
58
New cards
Pathogenese primo-infectie ncp BVD-MD
* komt oronasaal binnen?
* vermeerdering in tonsillen?
* viremie → celvrij en geinfecteerde leukocyten
* lymfoide weefsel in drachtige baardmoeder
59
New cards
Immuunrespons tegen BVD-MD virus
- Neutraliserende antistoffen tegen envelopeiwitten (E2 en E0) en tegen NS2-3 (serologie)
- Celgemedieerde immuniteit met Tc-cellen
60
New cards
Infectie van koe met BVD-MD virus op verschillende tijdstippen van de dracht
* Bij infectie tijdens het eerste derde van de dracht zien we embryonale sterfte en resorptie of abortus.
* Vanaf 50d dracht kunnen **immunotolerante kalveren** gevormd worden bij infectie met het ncp-biotype. Het moederdier gaat zelf wel antistoffen opbouwen, maar kalf zal geen As opbouwen.
* Bij >120d dracht kan het kalf zelf immunologisch reageren en de infectie onder controle krijgen. Deze gaat dan zelf ook antistoffen vormen
61
New cards
Infectie van een immunotolerant rund met BVD-MD virus
* Subklinisch infectie
* Meestal op bepaald moment wel mutatie naar cp-biotype → zien erosies
62
New cards
Beeld bij cp-biotype BVD-MD virus
* Erosies op specifieke plaatsen: muil, farynx, slokdarm, magen, rectum en kroonrand → diepe destructie ook van bwl
* Afknotten van de papillen aan de binnenkant van de wang
* Uiteindelijk is de infectie lethaal
63
New cards
Wanneer kan chronische BVD-MD ontstaan?
- Immunotolerant rund met superinfectie van heteroloog cp. Dit komt niet vaak voor.
- De immuniteit kan het virus niet onder controle krijgen doordat het een ander type is.
64
New cards
Diagnose BVD-MD virus
Aanwezigheid van virus in erosies aantonen met IF
65
New cards
Bestrijding BVD-MD virus
* Materiaal van het oor wordt verzameld na het schieten van het oornummer → PCR test
* Viremische kalveren worden opgespoord en geëlimineerd
66
New cards
Vaccinatie BVD-MD virus
* **Voor voorkomen immunotolerante kalveren** → vaccinatie vóór eerste inseminatie en boostervaccinatie
* **Vaccinatie ter preventie van immunosuppressie** → vaccinatie op 3m en 4m en boostervaccinatie
67
New cards
Verschillende ziektebeelden boviene herpesvirus 1 (3)
* **Infectieuze boviene rhinotracheitis** → vooral subtype 1
* **Infectieuze pustuleuze vulvovaginitis** → vooral subtype 2
* **Infectieuze pustuleuze balanoposthitis** → vooral subtype 2
68
New cards
Waar gaat BHV repliceren? (3)
* Vooral bovenste ADH wegen
* Geslachtsstelsel → vroeger belangrijke verspreidingsweg, maar tegenwoordig KI
* Zelden beweging richting foetus en uier
69
New cards
Latentie BHV1
Ganglion trigeminale of de sacrale ganglia
70
New cards
Kliniek BHV1 (3)
* Acute infectie met zware letsels zoals obstructie van ADH stelsel
* Necrotische rhinitis en pneumonie
* Keelontsteking → veel speeksel uit de mond
71
New cards
Diagnose BHV1 (3)
* Neusswab en onderzoeken met VI of PCR
* Post-mortem VI, IP en IF
* Latente infecties kunnen we niet echt diagnosticeren → gaan seropositieve dieren zien als latent
72
New cards
Risicofactoren voor BHV1 bedrijfsinfecties (4)
- Aankoop van dieren
- Deelname aan rundershows
- Bezoekers zonder bedrijfskledij
- Nabijheid van andere rundveebedrijven
73
New cards
Vaccinatie BHV1 (4)
* Geïnactiveerd vaccin ontwikkeld
* Marker vaccin → gE negatief
* Kalveren vaccineren op 3m en 4m en daarna elke 6m
* Op probleembedrijven IN vaccineren op 5-6w → sterke lokale immuniteit
74
New cards
Reactivatie BHV1
* bij rund een makkelijke reactivatie → bv. bij stress
* (itt varken = moeilijke reactivatie)
75
New cards
Gastheren boosaardige katarrhaalkoorts
* Normale gastheren zijn gnoes/wildebeest (alcelaphine virus 1) en schapen (ovine herpesvirus 2). Van deze dieren kan het virus overgaan op gedomesticeerde runderen.
* Bij schapen veroorzaakt het virus geen problemen, maar bij runderen wel
76
New cards
Pathogenese boosaardige katarrhaalkoorts
* Uitgebreide virusvermeerdering in lymfocyten in lymfeklieren, milt, thymus, rode beenmerg → degeneratie van lymfocyten en infiltratie van besmette lymfoblastoïde cellen → vasculitis → zware degeneratie van epitheel.
* Uiteindelijk gaat dit lethaal zijn.
* Meestal maar 1 dier besmet
77
New cards
DDX boosaardige katarrhaalkoorts
Mond-en-klauwzeer