1/66
Een uitgebreide set van begrippenkaartjes gebaseerd op het overzicht van de wijsbegeerte, van de Griekse natuurfilosofen tot de kritische theorie.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Filosoferen
Een onbegrensd, vragend en rationeel zoeken dat op gang komt wanneer je uit je dagelijkse evidenties tuimelt en er een breuk ontstaat met hoe je tot dusver gewoon was naar de zaken te kijken.
Dogma
Een grenspunt binnen een godsdienst dat een aanhanger absoluut moet aanvaarden om tot die gemeenschap te blijven behoren, en dat het verdere zoekproces inperkt.
Paradigmatische theorie (Thomas Kuhn)
Een wetenschappelijke theorie met basale vooropstellingen waarbinnen wetenschappers gedurende een stabiele periode problemen trachten op te lossen zonder aan die vooropstellingen te raken.
Doxografie
Een benadering van de filosofiegeschiedenis die werkt met een vaste canon van klassieke auteurs en onderwerpen, en beschrijft wat elk van deze auteurs over die thema's heeft gezegd.
Historische reconstructie
Een benadering van filosofie uit het verleden die de auteur tracht te begrijpen vanuit diens eigen tijd en persoonlijkheid, beperkt tot voorstellingen waarmee de auteur zelf zou kunnen instemmen.
Rationele reconstructie
Een benadering waarin men met een filosoof uit het verleden over een actueel thema in discussie gaat alsof het een tijdgenoot was, begiftigd met de kennis van vandaag.
Ideeëngeschiedenis (History of Ideas)
Een benadering van de filosofiegeschiedenis die niet op individuele auteurs focust, maar op grotere historische denkbewegingen, processen en het ontstaan van specifieke vraagstellingen.
Gemeinschaft en Gesellschaft (Ferdinand Tönnies)
Het onderscheid tussen een kleinschalige gemeenschap met persoonlijke, geïntegreerde contacten (Gemeinschaft) en een moderne maatschappij met functionele, gespecialiseerde rollen en versnippering van het zelf (Gesellschaft).
Kosmos
Het alledaagse Griekse woord voor 'juweel' of 'sierlijke orde', door de eerste natuurfilosofen gekozen om de natuur aan te duiden als een geordend, voorspelbaar en niet-chaotisch geheel.
Physis kruptesthai philei
Een bekende formule van Heracleitos die betekent 'de natuur houdt ervan zich te verbergen', wat uitdrukt dat de waarheid over de werkelijkheid niet zomaar evident is.
Alètheia
Het Griekse woord voor waarheid, dat letterlijk 'on-verborgenheid' betekent: het uit de verborgenheid halen van de waarheid over de dingen.
Die Fragmente der Vorsokratiker
De klassieke teksteditie samengesteld door Hermann Diels en Walther Kranz waarin de bewaarde brokstukken en citaten van de voor-socratische Griekse natuurfilosofen verzameld zijn.
Panta rhei
Een aan Heracleitos toegeschreven formule die betekent 'alles stroomt', ter aanduiding dat de elementaire dingen in de natuur voortdurend in beweging en verandering zijn.
Panpsychisme
De filosofische opvatting dat de gehele natuur doordrongen en verzadigd is van geest en ziel, waardoor materie en denkvermogen niet los van elkaar bestaan.
Petitio principii
Een Latijnse term voor een cirkelredenering, waarbij men doet alsof men iets bewijst door hetgeen men wil bewijzen gewoon in andere woorden te herhalen.
Achsenzeit (Spiltijd - Karl Jaspers)
De periode tussen 800 en 200 v.Chr. waarin op verschillende plaatsen ter wereld (China, India, Perzië, Hellas) een overgang plaatsvond van een narratieve mythische wereldvisie naar rationele, conceptuele denksystemen.
Philosophia perennis
Het concept van een 'onvergankelijke filosofie' die zich doorheen alle tijden en culturen zou manifesteren via een reeks van steeds terugkerende fundamentele vraagstellingen.
Dialectische methode (Socrates)
Een filosoferen via overleg, vraag en antwoord (dialegein) om ondoordachte opvattingen en schijnweten bij de gesprekspartner bloot te leggen en te ontmaskeren.
Socratische ironie
Een gesprekshouding waarin Socrates doet alsof hij onwetend is en wil leren van zijn gesprekspartner, om zo via vragen aan te tonen dat de ander feitelijk geen gefundeerde kennis bezit.
"De mens is de maat van alle dingen" (Protagoras)
Het uitgangspunt van de sofist Protagoras dat de mens als cultuurmaker de bron is van wat binnen een specifieke samenleving of cultuur geldt als waarheid, waarden en normen.
Deliberatieve democratie
Een democratievorm waarin burgers of vertegenwoordigers beslissingen nemen op basis van overleg, dialoog en argumentatie in plaats van louter via de rekenkundige macht van een meerderheidsstemming.
Sofisme / Drogredenering
Een redenering die er op het eerste gezicht correct en overtuigend uitziet, maar die logisch gebrekkig of misleidend is.
Politeia (Plato)
Plato's omvangrijke utopische dialoog over de staat, waarin een ideale samenleving wordt geschetst die hiërarchisch bestuurd wordt door filosofen-koningen en verdeeld is in drie standen.
Eidos (Plato)
Het Griekse woord voor de absolute, onveranderlijke en immateriële Vormen of Grondgedachten die ontologisch voorafgaan aan de waarneembare dingen in de schaduwwereld.
Allegorie van de grot
Een bekende vergelijking in Plato's Politeia waarin de waarneembare werkelijkheid wordt voorgesteld als schaduwen op een grotwand, en filosoferen als het bevrijdend opklimmen naar het echte licht buiten de grot.
Trap van Eros (Diotima / Plato)
De geleidelijke opklimming van het verlangen: van de fascinatie voor één mooi lichaam naar alle mooie lichamen, vervolgens naar de Schoonheid van de ziel en wetenschappen, tot de aanschouwing van de Schoonheid op zich.
Mimesis
De opvatting dat kunst en kunde (technè) bestaan uit de 'nabootsing' van de waarneembare werkelijkheid.
Hylomorfisme (Aristoteles)
Aristoteles' opvatting dat de werkelijkheid niet bestaat uit losstaande Ideeën, maar uit een onlosmakelijke verbinding van materie (hyle) en vorm (morphe).
Doeloorzaak (Causa finalis)
De verklaring van een fenomeen of verandering vanuit het doel of de bestemming waartoe het in de natuur van nature gericht is.
Eudaimonia (Aristoteles)
Het Griekse woord voor geluk of een gelukt leven, opgevat als een stabiele toestand waarin iemand zijn menselijke mogelijkheden (ergon) via verstandigheid en de deugd optimaal realiseert.
Katharsis (Aristoteles)
De emotionele en lichamelijke zuivering of ontlading van gevoelens van vrees (phobos) en medelijden (eleios) die het bekijken van een tragedie teweegbrengt bij het publiek.
Apatheia (Stoa)
De emotionele onverstoorbaarheid die men bereikt door zich uitsluitend te bekommeren om wat in de eigen macht ligt (zoals opvattingen en keuzes) en wat niet in de eigen macht ligt gelaten te ondergaan.
Épochè (Scepticisme)
Het bewust opschorten van elk oordeel over de waarheid van beweringen om zo de geestesrust (ataraxia) te bewaren.
"Leef verborgen" (Lathe biosas)
Een epicuristische leefregel die aanraadt om maatschappelijk aanzien, roem en macht te vermijden omdat deze niet-noodzakelijke verlangens veel onlust en onrust veroorzaken.
Credo quia absurdum
Een aan Tertullianus toegeschreven formule ("ik geloof omdat het absurd is") die de radicale voorrang en autonomie van het christelijk geloof boven het menselijk verstand uitdrukt.
Proödos en Épistrophè (Plotinos)
De twee bewegingen in het neoplatonisme: de eeuwige uitvloeiing of emanatie van de werkelijkheid uit het Ene (proödos), en de strevende terugkeer van de ziel naar dat Ene (épistrophè).
Frui vs. Uti (Augustinus)
Het augustijnse onderscheid tussen het 'genieten' van God als het hoogste doel van de ziel (frui) en het louter 'gebruiken' van de materiële natuur als middel (uti).
Aeternitas vs. Perpetuitas (Boëthius)
Het onderscheid tussen de volstrekte, tijdloze eeuwigheid van God (aeternitas) en het oneindig doorduren van iets binnen het verloop van de tijd (perpetuitas).
Falsafa
De aanduiding voor de beoefening van de filosofie binnen de middeleeuwse islamitische kalifaten, ontleend aan het Griekse 'philosophia'.
Tahafut al-falasifa (Al-Ghazali)
Al-Ghazali's boek 'De tegenstrijdigheden van de filosofen', waarin hij de rationele filosofie bekritiseert en afwijst ten gunste van de godsdienstige openbaring en de mystiek.
Fasl al-maqal (Ibn Ruchd / Averroës)
Het werk waarin Ibn Ruchd als rechter aantoont dat filosofie en godsdienst niet strijdig zijn, en dat filosofen de heilige teksten niet-letterlijk moeten interpreteren wanneer de letterlijke tekst met de rede botst.
Ontologisch godsbewijs (Anselmus)
Anselmus' redenering die het bestaan van God bewijst vanuit de definitie van God als 'iets waarboven niets groter gedacht kan worden', omdat het werkelijk bestaan volmaakter is dan louter in de geest te bestaan.
Universaliënstrijd
Het middeleeuwse debat over het statuut van algemene begrippen (universalia), gevoerd tussen Realisme (begrippen bestaan reëel op zich), Nominalisme (begrippen zijn slechts namen) en Conceptualisme (begrippen bestaan in de geest en in de dingen).
Ockham's razor
Het filosofische uitgangspunt van Willem van Ockham dat men in een verklaring of theorie niet meer elementen of hypotheses moet aannemen dan strikt noodzakelijk is.
Oratio de hominis dignitate (Pico della Mirandola)
De 'Rede over de menselijke waardigheid', waarin de mens wordt voorgesteld als een vrij wezen dat geen vastgelegde natuur heeft, maar zichzelf als eigen beeldhouwer kan boetseren.
Il Principe (Machiavelli)
Machiavelli's vorstenspiegel die de feitelijke mechanismen van macht op een afstandelijke, realistische en amorele wijze analyseert, los van ethische of religieuze geboden.
Utopia (Thomas More)
Een filosofische roman die een ideale, niet-bestaande maatschappij op een eiland beschrijft waar geld en privé-eigendom zijn afgeschaft en de gemeenschap centraal staat.
Cogito ergo sum (Descartes)
Descartes' eerste absolute zekerheid ('ik denk, dus ik ben') die overblijft na het doortrekken van zijn methodische twijfel.
Res cogitans vs. Res extensa (Descartes)
Het cartesians dualisme tussen de immateriële, denkende substantie (res cogitans) en de materiële, ruimtelijk uitgebreide werkelijkheid (res extensa).
Divertissement (Pascal)
De 'verstrooiing' of afleiding die mensen voortdurend zoeken om te ontsnappen aan het pijnlijke besef van hun eigen nietigheid, sterfelijkheid en leegte (ennui).
Deus sive Natura (Spinoza)
Spinoza's formule 'God ofwel de Natuur', die uitdrukt dat God niet een schepper buiten de wereld is, maar de ene, oneindige, alomvattende substantie zelf.
Amor Dei intellectualis (Spinoza)
De 'verstandelijke liefde tot God', die ontstaat wanneer een mens via redelijk inzicht zichzelf en de noodzakelijke natuurwetten begrijpt en zich daarmee verenigd voelt.
Monadologie (Leibniz)
Leibniz' theorie dat de kosmos is opgebouwd uit een oneindig aantal immateriële, gesloten krachtcentra (monaden) die synchroon lopen door een 'vooraf ingestelde harmonie' (harmonia praestabilita).
Tabula rasa (Locke)
Het empiristische idee dat de menselijke geest bij de geboorte een 'onbeschreven blad' is zonder aangeboren ideeën, en dat alle kennis voortkomt uit de ervaring.
Impressies vs. Ideeën (Hume)
Het empiristische onderscheid bij Hume tussen levendige, directe zintuiglijke gewaarwordingen (impressies) en de zwakkere herinneringen of gedachten daarvan in de geest (ideeën).
Kritiek op de causaliteit (Hume)
Humes sceptische analyse dat oorzaak en gevolg niet rechtstreeks waarneembaar zijn in de natuur, maar een denkbeeldige verwachting vormen die berust op gewoonte en herhaling.
Synthetische oordelen a priori (Kant)
Kennisuitspraken die nieuwe informatie over de wereld toevoegen (synthetisch) en tegelijk algemeen en noodzakelijk geldig zijn onafhankelijk van een specifieke ervaring (a priori).
Ding an sich vs. Verschijning (Kant)
Kants onderscheid tussen de principieel onkenbare werkelijkheid zoals die op zichzelf bestaat (noumenale wereld / Ding an sich) en de werkelijkheid zoals die door onze structurerende waarneming in ons bewustzijn verschijnt (fenomenale wereld).
Categorische imperatief (Kant)
De onvoorwaardelijke morele wet die gebiedt alleen te handelen volgens maximes waarvan je tegelijk kunt willen dat ze een algemene wet worden.
Het Sublieme (Das Erhabene - Kant)
De esthetische ervaring van iets wat zo immens groot (mathematisch) of machtig (dynamisch) is dat het onze waarneming geweld aandoet, en tegelijk een gevoel van ontzag en verhevenheid opwekt.
Sapere aude! (Kant)
De leuze van de Verlichting ('Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!'), die oproept tot het uittreden van de mens uit zijn zelfverschuldigde onmondigheid.
Volonté générale (Rousseau)
De 'algemene wil' in een maatschappij, die het gemeenschappelijk belang uitdrukt en ontstaat wanneer alle burgers via een sociaal contract hun individuele rechten overdragen aan de gemeenschap.
Aufhebung (Hegel)
Het dialectische proces waarbij een these en antithese samenkomen in een synthese, waarin de tegenstellingen zowel worden vernietigd, bewaard als naar een hoger niveau getild.
Materiële onderbouw vs. Culturele bovenbouw (Marx)
Het maatschappelijke denkschema waarin de materiële basis (productiekrachten en productieverhoudingen) bepalend is voor de culturele, juridische en ideologische verschijningsvormen (bovenbouw).
Vervreemding (Entfremdung - Marx)
De toestand waarin de arbeider in het industriële kapitalisme niet langer controle heeft over zijn arbeid of het eindproduct, waardoor zijn arbeidskracht een verhandelbare waar wordt.
Aura (Walter Benjamin)
Het unieke, hier-en-nu karakter en de historische gebondenheid van een oorspronkelijk kunstwerk, dat verloren gaat bij technische reproduceerbaarheid.
Cultuurindustrie (School van Frankfurt)
Het verschijnsel dat cultuur, media en ontspanning in het kapitalisme commerciële koopwaar zijn geworden die dienen om de massa's te verstrooien en de maatschappelijke status quo te bestendigen.