1/19
Een overzicht van de belangrijkste economische begrippen rondom behoeften, middelen, inkomsten, uitgaven en budgetteren.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Alternatief aanwendbaar
Middelen kun je op verschillende manieren inzetten om in je behoeften te voorzien.
Behoefte
Alles wat je graag wilt hebben of nodig hebt. Er zijn primaire en secundaire behoeften.
Consumeren
Het kopen van goederen en diensten om in je eigen behoeften te voorzien.
Diensten
Activiteiten waarmee je in een behoefte voorziet.
Goederen
Dit zijn tastbare producten die je kunt kopen. Er zijn gebruiksgoederen en verbruiksgoederen.
Middelen
Deze heb je nodig om in je behoeften te kunnen voorzien. Middelen zijn tijd en geld.
Schaarste
Je hebt niet genoeg middelen om in al je behoeften te kunnen voorzien.
Begroting
Overzicht van verwachte inkomsten en uitgaven over een bepaalde periode.
Bezuinigen
Minder geld uitgeven.
Budget
De hoeveelheid geld waarover je in een bepaalde periode kunt beschikken.
Huishoudelijke uitgaven
Dagelijkse uitgaven, zoals boodschappen en persoonlijke verzorging.
Incidentele uitgaven
Grote uitgaven die je niet zo vaak doet en waarvoor het verstandig is om geld te reserveren.
Inkomen
Het geld dat je ontvangt. Er zijn drie soorten: inkomen uit arbeid, inkomen uit bezit en overdrachtsinkomen.
Primair inkomen
Inkomen uit arbeid en bezit.
Secundair inkomen
Het primair- en overdrachtsinkomen samen minus de belastingen.
Sparen
Geld opzijzetten voor later.
Vaste lasten
Uitgaven die je met een bepaalde regelmaat betaalt en die zijn opgenomen in een contract.
Budgetlijn
Lijn in een grafiek die aangeeft hoeveel je van elk van twee producten kunt kopen met een gegeven budget en gegeven prijzen.
Budgetset
Alle keuzemogelijkheden van twee producten die binnen je budget vallen.
Model
Een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid.