Oefenkaarten Assertiviteit, Literatuur, Bronnen en Theater

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/21

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Deze flashcards behandelen de kernbegrippen uit Deel 2 van de methode, waaronder assertiviteit (MOHAB), literaire begrippen (thema en motief), brongebruik (APA en plagiaat), humor (theorie#n en soorten), mindmapping en theaterbegrippen.

Last updated 10:56 AM on 6/18/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

22 Terms

1
New cards

Waarvoor staat het ezelsbruggetje MOHAB bij lichaamstaal?

Mimiek, Oogcontact, Houding, Afstand, Bewegingen

2
New cards

Wat is de definitie van assertiviteit?

Voor jezelf opkomen op een positieve manier en rekening houden met de grenzen van anderen.

3
New cards

Wat is het verschil tussen een agressieve en een onderdanige reactie?

Bij een agressieve reactie ga je in de aanval ten koste van anderen, terwijl je bij een onderdanige reactie jezelf opzij schuift en slachtoffer wordt van de situatie.

4
New cards

Wat zijn de drie stappen voor een assertieve reactie?

  1. Objectieve vaststelling van het gedrag, 2. Benoemen van het negatieve effect op jou, 3. Benoemen van je gevoelens (ik-vorm).


5
New cards

Wat is een motief in een verhaal?

Een klein, maar belangrijk element dat geregeld terugkeert, zoals een kleur, een naam of een zin.

6
New cards

Wat is het thema van een verhaal?

De kortst mogelijke omschrijving van waar het verhaal over gaat in een of enkele woorden.

7
New cards

Wat is plagiaat?

Het overnemen van idee#n of woorden van iemand anders en dat voor eigen werk laten doorgaan zonder de bron te vermelden.

8
New cards

Welke vijf vormen van plagiaat worden in de tekst genoemd?

De kloon, CTRL+C, zoek en vervang, roeren en hergebruik.

9
New cards

Hoe ziet de APA-stijl voor het refereren naar een boek eruit?

Auteur, A. (jaar van uitgave). Titel boek. Uitgever.

10
New cards

Wat is de theorie over humor van Sigmund Freud?

Lachen is een manier om stoom af te blazen en opgestapelde energie de vrije loop te laten.

11
New cards

Wat houdt 'tragedy plus time' in bij humor?

Het principe dat men pas om bepaalde zaken kan lachen nadat er een bepaalde tijd is verstreken na het voorval.

12
New cards

Wat is het verschil tussen ironie en sarcasme?

Ironie is een milde, bedekte manier van spotten, terwijl sarcasme bijtende spot is met een scherpere toon en kritischere houding.

13
New cards

Wat is absurde humor?

Humor die ingaat tegen alle logica.

14
New cards

Wat is zwarte humor?

Humor gebaseerd op leed of taboe-onderwerpen zoals de dood, ziekte of beperkingen.

15
New cards

Wat weerspiegelt een mindmap volgens de theorie?

De werking van de hersenen, die niet rechtlijnig is maar vertakt in de breedte.

16
New cards

Wat is het verschil tussen een tragedie en een komedie?

Een tragedie (treurspel) heeft een droevige gebeurtenis en een slechte afloop, terwijl een komedie (blijspel) een happy end heeft en het publiek wil laten lachen.

17
New cards

Wat is de taak van een dramaturg?

Het is de artistieke adviseur die het repertoire samenstelt, vertalingen maakt en de regisseur bijstaat.

18
New cards

Heeft een 'vlak karakter' in een verhaal veel verschillende eigenschappen?

Nee, een vlak karakter heeft meestal maar ##n duidelijke eigenschap, in tegenstelling tot een vol karakter dat een complexe persoonlijkheid heeft.

19
New cards

Waar bevinden de 'cour' en 'jardin' zich op een podium?

Cour is de rechterkant van het podium en Jardin is de linkerkant (vanaf de zaal gezien).

20
New cards

Wat is de definitie van de theaterterm 'scenograaf'?

De persoon die verantwoordelijk is voor het decorontwerp van een voorstelling.

21
New cards

Wanneer gebruik je het betrekkelijk voornaamwoord 'dat'?

Na antecedenten die het-woorden zijn (bijv. 'het verhaal dat hij vertelde').

22
New cards

Wat is de functie van een onbepaald voornaamwoord?

Verwijzen naar personen of dingen die men niet nauwkeurig wil of kan aanduiden (bijv. iemand, iedereen, niets).