1/206
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
accepter
aanvaarden
adorer
gek zijn op
aider
helpen
aimer
houden van
ajouter
toevoegen
améliorer
verbeteren
(s’)arrêter
stoppen, arresteren
arriver
aankomen
s’approcher de qqch ou de qqn
iets of iemand naderen
assurer, s’assurer de
geruststellen, zich verzekeren van
bavarder
babbelen
briller
schitteren, stralen
se brosser les dents
je tanden poetsen
(se) brûler
(zich) (ver)branden
cacher
verstoppen
se casser (le bras, la jambe, …)
je arm, been, … breken
chanter
zingen
chercher
zoeken
comparer
vergelijken
compter (sur)
tellen, rekenen op
continuer
verdergaan
se coucher
gaan slapen
crier
roepen, schreeuwen
danser
dansen
demander
vragen
décider
beslissen
deviner
raden
déjeuner
lunchen (F); ontbijten (B)
détester
haten
donner
geven
entrer
binnengaan
écouter
luisteren
embrasser
kussen, omhelzen
étudier
studeren
éviter
vermijden
exister
bestaan
expliquer
verklaren, uitleggen
s’exprimer
zich uitdrukken
fermer
sluiten
former
vormen, maken
frapper
slaan
gagner
winnen
garder
behouden
glisser
glijden
habiter
wonen
inventer
uitvinden
inviter
uitnodigen
jouer
spelen
laisser
laten
manquer
missen, ontbreken
marcher
gaan, stappen
monter
naar boven gaan / opstappen
montrer
tonen
nier
ontkennen
noter
noteren, nota nemen
(s’) occuper (de)
bezetten / (zich) bezighouden met
oser
durven
oublier
vergeten
parler
praten, spreken
passer
passeren, gebeuren, doorbrengen
penser
denken
pleurer
huilen
porter
dragen
apporter
meebrengen
emporter
meenemen
poser
plaatsen, leggen
pousser
duwen
préparer
klaarmaken, voorbereiden
présenter
voorstellen
prier
bidden
quitter
verlaten
raconter
vertellen
regarder
kijken
refuser
weigeren
remercier
bedanken
rentrer
naar huis gaan, terug binnenkomen, thuiskomen
(se) rencontrer
(elkaar) ontmoeten
se reposer
uitrusten
rester
blijven
retourner
terugkeren
rigoler (fam.)
lachen, een grapje maken
réviser
herhalen, nog eens doornemen
rêver
dromen
rouler
rollen, rijden
sauver
redden
(se) soigner
(zich) verzorgen
tirer
trekken
tomber
vallen
toucher
aanraken
tourner
draaien
traverser
oversteken, (dwars) gaan door
travailler
werken
tromper
bedriegen
se tromper
zich vergissen
trouver
vinden
tuer
doden
utiliser
gebruiken
visiter
bezoeken (een stad, een museum, …)
voler
vliegen / stelen
s'amuser
zich amuseren