MeMe December -Het verhaal van een taalgebied

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/107

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een uitgebreide set flashcards over sociolinguïstische concepten, taalbeleid, standaardisering en taalvariatie gebaseerd op de lecture notes over de Belgische en internationale context.

Last updated 12:11 PM on 8/6/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

108 Terms

1
New cards

Brussel mon amouOnmogelijke

Een onmogelijke liefdesrelatie tussen Vlaanderen en Brussel; Brussel wordt gezien als een complexe entiteit waar landstalen samenkomen in een top-down politiek beleid.

2
New cards

Externe macroperspectief

Een visie waarbij taal zich niet in een vacuüm ontwikkelt, maar door sociologische processen in de maatschappij en omgevingsfactoren.

3
New cards

Taal in een taalgebied

De invloed van lokale wensen, verzuchtingen en specifieke territoria op taal (bijvoorbeeld de afwezigheid van Engels).

4
New cards

Superdiversiteit

De diversificatie van diversiteit binnen een samenleving.

5
New cards

Taalbeleid/taalpolitiek

Instanties en autoriteiten die de keuzes van andere sprekers inperken of reguleren aan de hand van taalwetten, taalregels en vaste afspraken.

6
New cards

Académie francaise

Gesticht in 1635 door kardinaal De Richelieu, vb v taalexterne factor → variëteiten van het Frans verenigen onder 1 nationale taal, poging om regionale talen een ondergeschikte rol te geven cf. Franse grondwet: “la langue de la République est le français”.

7
New cards

Spolsky (2009)

Auteur van "Language Management", waarin hij beschreef hoe keuzes van sprekers worden beregeld door externe factoren.

8
New cards

Language policy (Spolsky)

Bestaat uit drie componenten: 11) expliciete manager, 22) taalpraktijken, en 33) taalovertuigingen.

9
New cards

Pour les Flamands la même

Een taalpraktijk gestuurd door de wil of onwil om Frans te spreken in Vlaanderen als gevolg van de dominante politieke situatie.

10
New cards

Johann G. von Herder

Vertegenwoordiger van het romantisch ideaal van 11 land, 11 taal.

11
New cards

Monolinguisme

Uitzondering op de regel (bijvoorbeeld IJsland), in tegenstelling tot meertaligheid (bijvoorbeeld Zuid-Afrika met 1111 talen).

12
New cards

Gemeenschapsmeertaligheid (3.2)

Meertaligheid die wordt berekend door het hele land of de hele gemeenschap.

13
New cards

Structuur van België

Bestaat uit 1010 provincies, 33 gewesten, 33 gemeenschappen en 44 taalgebieden.

14
New cards

Taalgrens

Een arbitraire en onnauwkeurige grens waarbinnen veel gemeenschapsmeertaligheid voorkomt.

15
New cards

Faciliteiten

Uitzonderingen op de algemene taalwetgeving; in het Vlaams gewest mogen specifieke gemeenten (30×30\times!) ook in het Frans communiceren.

16
New cards

Overheidstaal

De taal waarin de overheid communiceert; de overheid is niet verplicht om over te schakelen naar een andere taal.

17
New cards

Referentietaal

Taal als algemene noemer die verwijst naar een taalgroep (bijvoorbeeld Nederlands voor heel Vlaanderen) in plaats van naar de standaardtaal.

18
New cards

Taalbeleid x standaardtaal

Situatie waarbij taalbeleid weinig oog heeft voor de concrete complexiteit van individuele sprekers, wat leidt tot een beperkte actieradius.

19
New cards

Max Weinreich

Stelde dat het verschil tussen (standaard)taal en dialect gebaseerd is op externe machtsontplooiing: "a language is a dialect with an army and a navy".

20
New cards

Standaardisering/codificatie

Het proces waarbij taal expliciete normen ontwikkelt via grammatica's, instituten, woordenboeken, encyclopedieën en het Groene Boekje.

21
New cards

Elaboration (normontwikkeling)

Een ideologisch proces en wisselwerking tussen verschillende partijen bij de vorming van taalnormen.

22
New cards

Standaardtaal als onregelmatige vorm

Het idee dat standaardtalen vaak extern gemotiveerd zijn en minder het gevolg van spontane, historische processen dan dialecten.

23
New cards

Dialecten

Vaak gesproken taalvormen die geen vaste schrijfvorm hebben.

24
New cards

Parameters onderscheid dialect en taal

Standaardisering, historiciteit, vitaliteit, autonomie/heteronomie, range, stabiliteit, normering en prestige, en grootte.

25
New cards

Uniciteit

De gedeelde historische ontwikkeling van een taal en een volk of etnische identiteit.

26
New cards

Vitaliteit

Een complex gegeven bepaald door status, functionaliteit/inbedding en verspreiding.

27
New cards

Vierde factor voor vitaliteit

Gebruikscontexten: de aard en diversiteit van situaties (formeel/informeel, geschreven/gesproken) die het prestige bepalen.

28
New cards

Hebreeuws (vitaliteit)

Een voorbeeld waarbij de aanwezigheid van een geschreven code de vitaliteit van de moderne gesproken taal heeft gestimuleerd.

29
New cards

Autonomie

Kenmerk van standaardtalen en nationale talen die hun eigen wetmatigheden hebben en een afgesloten systeem vormen (bijvoorbeeld Oekraïens).

30
New cards

Heteronomie

Kenmerk van dialecten met een gebrek aan expliciete codificatie, waarbij het schriftsysteem dat van de standaardtaal wordt gebruikt.

31
New cards

Niet gemarkeerde taal

Een standaardtaal waarbij ongehinderd schriftelijk en mondeling kan worden gecommuniceerd in alle contexten.

32
New cards

Range

De inzetbaarheid van een taal; dialecten hebben een functioneel beperktere range omdat ze geen unitair karakter hebben.

33
New cards

Stabiliteit

Resultaat van het gebruik van de standaardtaal als model en de sanctionering van afwijkende normen (bijvoorbeeld spelling).

34
New cards

Formele prestige

De sociale normen en attitudes die sprekers ontwikkelen ten opzichte van taalnormen en afwijkingen daarop.

35
New cards

Castiliaans

Het standaard Spaans, dat een duidelijk prestigeverschil vertoont met het Catalaans.

36
New cards

Grootte

De relatieve omvang van sprekersgemeenschappen en hun geografische verspreiding als parameter voor taalstatus.

37
New cards

Spreektaal

Een vorm van de taal die lang buiten beschouwing is gebleven bij formele taalbeschrijvingen.

38
New cards

Einar Haugen

Taalkundige die normering beschreef als een proces dat vorm krijgt in verschillende etappes.

39
New cards

Status planning

Het bepalen van de status van een taal via sociologische ontwikkelingen.

40
New cards

Corpus planning

Het maken van afspraken die direct te maken hebben met de taalvormen zelf.

41
New cards

Selectie (Italië)

Eerste etappe in de 14de14de eeuw: keuze voor het Florentijns omdat Firenze cultureel sterk stond.

42
New cards

Codificatie (Italië)

Tweede etappe in 15251525: publicatie van "Prose della Volgar Lingua", de eerste grammatica.

43
New cards

Implementatie (Italië)

Derde etappe in 16121612: oprichting van de Accademia della Crusca en het eerste woordenboek.

44
New cards

Elaboratie (Italië)

Vierde etappe vanaf 18611861: de eenmaking van Italië zorgt voor verdere uitbreiding van de taalnorm.

45
New cards

Statutory national language

Een taal van de nationale overheid die verplicht is door de wet en fungeert als nationale identiteit (bijvoorbeeld Spaans in Spanje).

46
New cards

Statutory national working language

Taal van de overheid, verplicht door de wet, maar dient niet als nationale identiteit (bijvoorbeeld in Zuid-Afrika).

47
New cards

Statutory

De iure; zaken die officieel erkend zijn door de overheid in onderwijs, recht en communicatie.

48
New cards

De facto

Situaties die volgen uit logische omstandigheden zonder dat er expliciete wetgeving of codificatie nodig is.

49
New cards

Thuistaal en prestige

De taal van primaire socialisatie die buitenshuis sociaal geconnoteerd wordt door de out-group; informeel Nederlands heeft vaak meer prestige dan informeel Turks.

50
New cards

Kenmerken Standaardtaal

Gecodificeerd, prestigieus, stabiel en schriftelijk vastgelegd.

51
New cards

Kenmerken Dialect

Kleiner gebied, kleinere functionaliteit, enkel lokaal prestige en beperkt tot mondelinge overdracht.

52
New cards

Supranationale talen

Wereldtalen die over verschillende continenten heen gebruikt worden.

53
New cards

Kleinere talen

Talen die naast een communicatieve functie ook een sterke identitaire functie hebben (bijvoorbeeld Nederlands in België).

54
New cards

Daktaal (Dachsprache)

Term van Heinz Kloss voor een taal die geografisch beperktere dialectale varianten hiërarchisch onderdak biedt (bijvoorbeeld Standaard Duits voor Zwitsers Duits).

55
New cards

Multilectal daktaal

Diatopische verschillen tussen variëteiten van een daktaal die ook situatie- of contextgebonden kunnen zijn.

56
New cards

Het Nederlands (als daktaal)

Een abstracte vormnorm die dient als referentiepunt voor alle geografische variëteiten in Noord- en Zuid-Nederland.

57
New cards

Ausbausprache

"Language by development": de langzame constructie van een standaardtaal op basis van een dialect via normering en codificatie.

58
New cards

Abstandsprache

Een taal die geïmporteerd wordt uit een ander taaldomein, bijvoorbeeld in kolonies.

59
New cards

Nederlands op Aruba

Officieel een afstandsprache; het is de officiële taal maar fungeert niet als daktaal en er is geen sprake van diglossie.

60
New cards

Bidialectisme

Situatie waarbij verschillende dialecten op gelijke hiërarchische hoogte staan.

61
New cards

Gemeenschapsmeertaligheid (3.4.1)

Context waarin meer dan 22 talen courant gebruikt worden door leden van een lokale superdiverse gemeenschap.

62
New cards

Gevolgen van standaardisatie/Ausbau

Sterke verschillen tussen vormnorm en gebruiksnorm, wat leidt tot prestigeverlies voor dialecten en creooltalen.

63
New cards

Ausbau van het Nederlands (vóór 16e E)

Periode met diverse dialectgroepen waarbij de impliciete normering nog weinig Vlaams gericht was.

64
New cards

Schisma (einde 16e E)

De Val van Antwerpen waardoor het Zuiden katholiek bleef en de standaardisering verschoof naar het Noorden.

65
New cards

Gouden Eeuw (17e E)

Periode waarin de standaardisering van het Nederlands sterk vanuit Holland werd gestuurd.

66
New cards

Statenbijbel

Cruciaal instrument voor de implementatie van de Nederlandse standaardtaal.

67
New cards

Elaboratie (Vondel en Hooft)

De fase waarin het Nederlands een cultuurtaal werd door het werk van prominente schrijvers.

68
New cards

Consolidatie (18e E)

Fase van unitaire schrijftaal terwijl Vlaanderen verzwakt was onder Spaans en Oostenrijks bewind en Frans de hogere klassen domineerde.

69
New cards

België 1830

Ontstaan van België en de Vlaamsche Beweging in een context waar Frans de enige officiële taal was.

70
New cards

Diglossie (19e E)

Probleem van de kloof tussen elitaire, archaïsche schrijftaal en platte spreektaal (cf. Multatuli).

71
New cards

Diglossie (Ferguson)

Een relatief stabiele situatie met een functioneel onderscheid tussen een High Language (H) en Low Language (L) zonder overlapping.

72
New cards

Microdiglossie

Enkel onderscheid tussen High (bijvoorbeeld Frans) en Low (bijvoorbeeld Haïtaans) in termen van sociaal prestige en socialisatie.

73
New cards

Macrodiglossie

Uitgebreidere versie van diglossie bestaande uit een High Language, Low Language en een Middle Language (tussenvorm).

74
New cards

Tussenvormen

Pogingen om een dialect te laten conformeren aan de standaardtaal.

75
New cards

Koinai/koinè-talen

Talen waarbij gemeenschappelijke dialectale kenmerken worden versterkt en zeer lokale kenmerken worden ontmoedigd.

76
New cards

Dilalie (Berruto)

Situatie met twee variëteiten waarbij de prestigeverschillen niet in alle contexten blijven bestaan, wat leidt tot overlappingen en code-switching/mixing.

77
New cards

Diaglossie (Auer)

Intermediaire varianten tussen standaard en basisdialect die niet-discrete structuren vormen door stapsgewijze standaardisering.

78
New cards

Primair dialect

Basisdialect met een laag maatschappelijk prestige.

79
New cards

Secundair dialect

Regionale variant met een lokaal prestige.

80
New cards

Tertiair dialect

Sociale variant van de standaardtaal, zoals Verkavelingsvlaams of tussentaal.

81
New cards

Verkavelingsvlaams

Term van Geert Van Istendael voor een informele gesproken vorm die aanleunt bij het AN maar lokaal gekleurd is qua uitspraak.

82
New cards

Diglossie vs meertaligheid

Diglossie wordt gebruikt in de context van een daktaal; meertaligheid in contexten met verschillende talen.

83
New cards

Minderheidstaal

Taal die niet dominant is en geografisch of sociaal beperkt is, zoals historische regionale talen of recente migratietalen.

84
New cards

Heritage languages

Talen die verwijzen naar een historisch-culturele achtergrond, vaak beperkt tot de thuissituatie.

85
New cards

Expanded graded intergenerational disruption scale (EGIDS)

Schaal van Lewis & Simons (00 tot 1010) om de demografische vitaliteit van een taal aan te duiden.

86
New cards

Schooltaal

Medium of Instruction (MOI); de taal waarin de lessen worden gegeven.

87
New cards

Target language

De specifieke taal die wordt onderwezen als leerdoel.

88
New cards

Vreemde taal

Een taal die niet tot de dagelijkse gemeenschap behoort (bijvoorbeeld Latijn).

89
New cards

L2/L3 in België

Frans en Duits zijn L2; Engels is officieel L3 maar wordt vaak als L2 behandeld.

90
New cards

Code-switching (Gal)

Een conversatiestrategie om groepsgrenzen te vestigen, te overschrijden of te vernietigen.

91
New cards

Situational code-switching

Code-switching op basis van een concrete situatie, zoals de taal van participanten of het specifieke onderwerp.

92
New cards

Code-mixing

Het door elkaar gebruiken van verschillende talen of variëteiten binnen een zin, vaak op woordniveau.

93
New cards

Tag-switching

Een vorm van code-mixing waarbij specifieke 'tags' (korte zinnetjes/stopwoorden) in een andere taal worden gebruikt.

94
New cards

Hybride-vormen

Taalvormen die door structurele code-switching in de loop der tijd een eigen codesysteem zijn gaan vormen.

95
New cards

Pidgintalen

Gereduceerde talen ontstaan in handelscontacten tussen groepen zonder gemeenschappelijke taal; ze hebben geen moedertaalsprekers.

96
New cards

Contacttaal

Taal gebruikt in meertalige situaties uit puur communicatieve noodzaak.

97
New cards

Superstraat

De taal die fungeert als 'lexifier' (belangrijkste bron van woordenschat) tijdens het ontstaan van een pidgin.

98
New cards

Creooltalen

Pidgintalen die moedertaalsprekers hebben gekregen en een eigen morfologisch systeem hebben ontwikkeld.

99
New cards

Aantal volgens Hancock

Stelde de existentie van 127127 pidgins/creooltalen vast, waarvan 3535 met Engels als lexifier.

100
New cards

Tok Pisin

Creooltaal in Papua Nieuw Guinea met moedertaalsprekers, een complexe morfologie en typische creativiteit.