1/107
Een uitgebreide set flashcards over sociolinguïstische concepten, taalbeleid, standaardisering en taalvariatie gebaseerd op de lecture notes over de Belgische en internationale context.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Brussel mon amouOnmogelijke
Een onmogelijke liefdesrelatie tussen Vlaanderen en Brussel; Brussel wordt gezien als een complexe entiteit waar landstalen samenkomen in een top-down politiek beleid.
Externe macroperspectief
Een visie waarbij taal zich niet in een vacuüm ontwikkelt, maar door sociologische processen in de maatschappij en omgevingsfactoren.
Taal in een taalgebied
De invloed van lokale wensen, verzuchtingen en specifieke territoria op taal (bijvoorbeeld de afwezigheid van Engels).
Superdiversiteit
De diversificatie van diversiteit binnen een samenleving.
Taalbeleid/taalpolitiek
Instanties en autoriteiten die de keuzes van andere sprekers inperken of reguleren aan de hand van taalwetten, taalregels en vaste afspraken.
Académie francaise
Gesticht in 1635 door kardinaal De Richelieu, vb v taalexterne factor → variëteiten van het Frans verenigen onder 1 nationale taal, poging om regionale talen een ondergeschikte rol te geven cf. Franse grondwet: “la langue de la République est le français”.
Spolsky (2009)
Auteur van "Language Management", waarin hij beschreef hoe keuzes van sprekers worden beregeld door externe factoren.
Language policy (Spolsky)
Bestaat uit drie componenten: 1) expliciete manager, 2) taalpraktijken, en 3) taalovertuigingen.
Pour les Flamands la même
Een taalpraktijk gestuurd door de wil of onwil om Frans te spreken in Vlaanderen als gevolg van de dominante politieke situatie.
Johann G. von Herder
Vertegenwoordiger van het romantisch ideaal van 1 land, 1 taal.
Monolinguisme
Uitzondering op de regel (bijvoorbeeld IJsland), in tegenstelling tot meertaligheid (bijvoorbeeld Zuid-Afrika met 11 talen).
Gemeenschapsmeertaligheid (3.2)
Meertaligheid die wordt berekend door het hele land of de hele gemeenschap.
Structuur van België
Bestaat uit 10 provincies, 3 gewesten, 3 gemeenschappen en 4 taalgebieden.
Taalgrens
Een arbitraire en onnauwkeurige grens waarbinnen veel gemeenschapsmeertaligheid voorkomt.
Faciliteiten
Uitzonderingen op de algemene taalwetgeving; in het Vlaams gewest mogen specifieke gemeenten (30×!) ook in het Frans communiceren.
Overheidstaal
De taal waarin de overheid communiceert; de overheid is niet verplicht om over te schakelen naar een andere taal.
Referentietaal
Taal als algemene noemer die verwijst naar een taalgroep (bijvoorbeeld Nederlands voor heel Vlaanderen) in plaats van naar de standaardtaal.
Taalbeleid x standaardtaal
Situatie waarbij taalbeleid weinig oog heeft voor de concrete complexiteit van individuele sprekers, wat leidt tot een beperkte actieradius.
Max Weinreich
Stelde dat het verschil tussen (standaard)taal en dialect gebaseerd is op externe machtsontplooiing: "a language is a dialect with an army and a navy".
Standaardisering/codificatie
Het proces waarbij taal expliciete normen ontwikkelt via grammatica's, instituten, woordenboeken, encyclopedieën en het Groene Boekje.
Elaboration (normontwikkeling)
Een ideologisch proces en wisselwerking tussen verschillende partijen bij de vorming van taalnormen.
Standaardtaal als onregelmatige vorm
Het idee dat standaardtalen vaak extern gemotiveerd zijn en minder het gevolg van spontane, historische processen dan dialecten.
Dialecten
Vaak gesproken taalvormen die geen vaste schrijfvorm hebben.
Parameters onderscheid dialect en taal
Standaardisering, historiciteit, vitaliteit, autonomie/heteronomie, range, stabiliteit, normering en prestige, en grootte.
Uniciteit
De gedeelde historische ontwikkeling van een taal en een volk of etnische identiteit.
Vitaliteit
Een complex gegeven bepaald door status, functionaliteit/inbedding en verspreiding.
Vierde factor voor vitaliteit
Gebruikscontexten: de aard en diversiteit van situaties (formeel/informeel, geschreven/gesproken) die het prestige bepalen.
Hebreeuws (vitaliteit)
Een voorbeeld waarbij de aanwezigheid van een geschreven code de vitaliteit van de moderne gesproken taal heeft gestimuleerd.
Autonomie
Kenmerk van standaardtalen en nationale talen die hun eigen wetmatigheden hebben en een afgesloten systeem vormen (bijvoorbeeld Oekraïens).
Heteronomie
Kenmerk van dialecten met een gebrek aan expliciete codificatie, waarbij het schriftsysteem dat van de standaardtaal wordt gebruikt.
Niet gemarkeerde taal
Een standaardtaal waarbij ongehinderd schriftelijk en mondeling kan worden gecommuniceerd in alle contexten.
Range
De inzetbaarheid van een taal; dialecten hebben een functioneel beperktere range omdat ze geen unitair karakter hebben.
Stabiliteit
Resultaat van het gebruik van de standaardtaal als model en de sanctionering van afwijkende normen (bijvoorbeeld spelling).
Formele prestige
De sociale normen en attitudes die sprekers ontwikkelen ten opzichte van taalnormen en afwijkingen daarop.
Castiliaans
Het standaard Spaans, dat een duidelijk prestigeverschil vertoont met het Catalaans.
Grootte
De relatieve omvang van sprekersgemeenschappen en hun geografische verspreiding als parameter voor taalstatus.
Spreektaal
Een vorm van de taal die lang buiten beschouwing is gebleven bij formele taalbeschrijvingen.
Einar Haugen
Taalkundige die normering beschreef als een proces dat vorm krijgt in verschillende etappes.
Status planning
Het bepalen van de status van een taal via sociologische ontwikkelingen.
Corpus planning
Het maken van afspraken die direct te maken hebben met de taalvormen zelf.
Selectie (Italië)
Eerste etappe in de 14de eeuw: keuze voor het Florentijns omdat Firenze cultureel sterk stond.
Codificatie (Italië)
Tweede etappe in 1525: publicatie van "Prose della Volgar Lingua", de eerste grammatica.
Implementatie (Italië)
Derde etappe in 1612: oprichting van de Accademia della Crusca en het eerste woordenboek.
Elaboratie (Italië)
Vierde etappe vanaf 1861: de eenmaking van Italië zorgt voor verdere uitbreiding van de taalnorm.
Statutory national language
Een taal van de nationale overheid die verplicht is door de wet en fungeert als nationale identiteit (bijvoorbeeld Spaans in Spanje).
Statutory national working language
Taal van de overheid, verplicht door de wet, maar dient niet als nationale identiteit (bijvoorbeeld in Zuid-Afrika).
Statutory
De iure; zaken die officieel erkend zijn door de overheid in onderwijs, recht en communicatie.
De facto
Situaties die volgen uit logische omstandigheden zonder dat er expliciete wetgeving of codificatie nodig is.
Thuistaal en prestige
De taal van primaire socialisatie die buitenshuis sociaal geconnoteerd wordt door de out-group; informeel Nederlands heeft vaak meer prestige dan informeel Turks.
Kenmerken Standaardtaal
Gecodificeerd, prestigieus, stabiel en schriftelijk vastgelegd.
Kenmerken Dialect
Kleiner gebied, kleinere functionaliteit, enkel lokaal prestige en beperkt tot mondelinge overdracht.
Supranationale talen
Wereldtalen die over verschillende continenten heen gebruikt worden.
Kleinere talen
Talen die naast een communicatieve functie ook een sterke identitaire functie hebben (bijvoorbeeld Nederlands in België).
Daktaal (Dachsprache)
Term van Heinz Kloss voor een taal die geografisch beperktere dialectale varianten hiërarchisch onderdak biedt (bijvoorbeeld Standaard Duits voor Zwitsers Duits).
Multilectal daktaal
Diatopische verschillen tussen variëteiten van een daktaal die ook situatie- of contextgebonden kunnen zijn.
Het Nederlands (als daktaal)
Een abstracte vormnorm die dient als referentiepunt voor alle geografische variëteiten in Noord- en Zuid-Nederland.
Ausbausprache
"Language by development": de langzame constructie van een standaardtaal op basis van een dialect via normering en codificatie.
Abstandsprache
Een taal die geïmporteerd wordt uit een ander taaldomein, bijvoorbeeld in kolonies.
Nederlands op Aruba
Officieel een afstandsprache; het is de officiële taal maar fungeert niet als daktaal en er is geen sprake van diglossie.
Bidialectisme
Situatie waarbij verschillende dialecten op gelijke hiërarchische hoogte staan.
Gemeenschapsmeertaligheid (3.4.1)
Context waarin meer dan 2 talen courant gebruikt worden door leden van een lokale superdiverse gemeenschap.
Gevolgen van standaardisatie/Ausbau
Sterke verschillen tussen vormnorm en gebruiksnorm, wat leidt tot prestigeverlies voor dialecten en creooltalen.
Ausbau van het Nederlands (vóór 16e E)
Periode met diverse dialectgroepen waarbij de impliciete normering nog weinig Vlaams gericht was.
Schisma (einde 16e E)
De Val van Antwerpen waardoor het Zuiden katholiek bleef en de standaardisering verschoof naar het Noorden.
Gouden Eeuw (17e E)
Periode waarin de standaardisering van het Nederlands sterk vanuit Holland werd gestuurd.
Statenbijbel
Cruciaal instrument voor de implementatie van de Nederlandse standaardtaal.
Elaboratie (Vondel en Hooft)
De fase waarin het Nederlands een cultuurtaal werd door het werk van prominente schrijvers.
Consolidatie (18e E)
Fase van unitaire schrijftaal terwijl Vlaanderen verzwakt was onder Spaans en Oostenrijks bewind en Frans de hogere klassen domineerde.
België 1830
Ontstaan van België en de Vlaamsche Beweging in een context waar Frans de enige officiële taal was.
Diglossie (19e E)
Probleem van de kloof tussen elitaire, archaïsche schrijftaal en platte spreektaal (cf. Multatuli).
Diglossie (Ferguson)
Een relatief stabiele situatie met een functioneel onderscheid tussen een High Language (H) en Low Language (L) zonder overlapping.
Microdiglossie
Enkel onderscheid tussen High (bijvoorbeeld Frans) en Low (bijvoorbeeld Haïtaans) in termen van sociaal prestige en socialisatie.
Macrodiglossie
Uitgebreidere versie van diglossie bestaande uit een High Language, Low Language en een Middle Language (tussenvorm).
Tussenvormen
Pogingen om een dialect te laten conformeren aan de standaardtaal.
Koinai/koinè-talen
Talen waarbij gemeenschappelijke dialectale kenmerken worden versterkt en zeer lokale kenmerken worden ontmoedigd.
Dilalie (Berruto)
Situatie met twee variëteiten waarbij de prestigeverschillen niet in alle contexten blijven bestaan, wat leidt tot overlappingen en code-switching/mixing.
Diaglossie (Auer)
Intermediaire varianten tussen standaard en basisdialect die niet-discrete structuren vormen door stapsgewijze standaardisering.
Primair dialect
Basisdialect met een laag maatschappelijk prestige.
Secundair dialect
Regionale variant met een lokaal prestige.
Tertiair dialect
Sociale variant van de standaardtaal, zoals Verkavelingsvlaams of tussentaal.
Verkavelingsvlaams
Term van Geert Van Istendael voor een informele gesproken vorm die aanleunt bij het AN maar lokaal gekleurd is qua uitspraak.
Diglossie vs meertaligheid
Diglossie wordt gebruikt in de context van een daktaal; meertaligheid in contexten met verschillende talen.
Minderheidstaal
Taal die niet dominant is en geografisch of sociaal beperkt is, zoals historische regionale talen of recente migratietalen.
Heritage languages
Talen die verwijzen naar een historisch-culturele achtergrond, vaak beperkt tot de thuissituatie.
Expanded graded intergenerational disruption scale (EGIDS)
Schaal van Lewis & Simons (0 tot 10) om de demografische vitaliteit van een taal aan te duiden.
Schooltaal
Medium of Instruction (MOI); de taal waarin de lessen worden gegeven.
Target language
De specifieke taal die wordt onderwezen als leerdoel.
Vreemde taal
Een taal die niet tot de dagelijkse gemeenschap behoort (bijvoorbeeld Latijn).
L2/L3 in België
Frans en Duits zijn L2; Engels is officieel L3 maar wordt vaak als L2 behandeld.
Code-switching (Gal)
Een conversatiestrategie om groepsgrenzen te vestigen, te overschrijden of te vernietigen.
Situational code-switching
Code-switching op basis van een concrete situatie, zoals de taal van participanten of het specifieke onderwerp.
Code-mixing
Het door elkaar gebruiken van verschillende talen of variëteiten binnen een zin, vaak op woordniveau.
Tag-switching
Een vorm van code-mixing waarbij specifieke 'tags' (korte zinnetjes/stopwoorden) in een andere taal worden gebruikt.
Hybride-vormen
Taalvormen die door structurele code-switching in de loop der tijd een eigen codesysteem zijn gaan vormen.
Pidgintalen
Gereduceerde talen ontstaan in handelscontacten tussen groepen zonder gemeenschappelijke taal; ze hebben geen moedertaalsprekers.
Contacttaal
Taal gebruikt in meertalige situaties uit puur communicatieve noodzaak.
Superstraat
De taal die fungeert als 'lexifier' (belangrijkste bron van woordenschat) tijdens het ontstaan van een pidgin.
Creooltalen
Pidgintalen die moedertaalsprekers hebben gekregen en een eigen morfologisch systeem hebben ontwikkeld.
Aantal volgens Hancock
Stelde de existentie van 127 pidgins/creooltalen vast, waarvan 35 met Engels als lexifier.
Tok Pisin
Creooltaal in Papua Nieuw Guinea met moedertaalsprekers, een complexe morfologie en typische creativiteit.